Portaal: H3, H5.4, H5.5, H5.7, H5.8, H6.5, H6.7, H6.8, H8.1 t/m H8.5 H12.1 t/m H12.5
Taalontwikkeling op school: H3, H4, H5, H6
Taal leren op eigen kracht: H2
Inhoud
Portaal....................................................................................................................................................2
Hoofdstuk 3 – Taalverwerving............................................................................................................2
Hoofdstuk 5.4 – praktijk: algemeen....................................................................................................5
Hoofdstuk 5.5 – praktijk: het jonge kind, lezen..................................................................................5
Hoofdstuk 6.5 – Praktijk: het jonge kind, schrijven.............................................................................6
Hoofdstuk 6.7 – Evalueren en omgaan met verschillen......................................................................6
Hoofdstuk 8 – Woordenschat.............................................................................................................7
Hoofdstuk 12 – Nederlands als tweede taal.....................................................................................11
Taalontwikkeling op school..................................................................................................................13
Hoofdstuk 3 – Weet wat je moet doen.............................................................................................13
Hoofdstuk 4 – Pas taalgroeimiddel 1 toe: taalaanbod......................................................................13
Hoofdstuk 5 – Pas taalgroeimiddel 2 toe: taalruimte.......................................................................14
Hoofdstuk 6 – Pas taalgroeimiddel 3 toe: feedback.........................................................................14
Taal leren op eigen kracht....................................................................................................................16
Hoofdstuk 2......................................................................................................................................16
,Portaal
Hoofdstuk 3 – Taalverwerving
Nt1 klas bevat leerlingen die Nederlands als eerste taal hebben.
Nt2 klas bevat leerlingen die Nederlands als tweede taal hebben.
Eerstetaalverwerving → verwerving van de moedertaal. Visies op eerste taalverwerving:
1. Behaviorisme
Het kind komt als onbeschreven blad ter wereld en vult dit in de loop van zijn leven in.
Taalverwerving gaat via imitatie, positieve feedback en conditionering
Conditionering → het aanleren van nieuw gedrag door middel van herhaling
2. Nativisme
Het menselijke geest bevat aangeboren kennis en vermogens, waardoor kinderen in staat zijn om
zelfstandig de structuur van een taal te doorgronden.
3. Creatieve constructietheorie
Volgens Chomsky worden kinderen geboren met een taalleervermogen, waardoor ze in staat zijn om
elke taal te leren waarmee ze in aanmerking komen. Ook gaat hij ervan uit dat kinderen over een
aangeboren grammatica beschikken. Kinderen maken nieuwe zinnen vanuit hun eigen creatieve
vermogen, vandaar de naam.
4. Interactionele benadering
Kinderen leren door imitatie en hun aangeboren taalleervermogen. Dit werkt alleen als de kinderen
veel interactie met hun omgeving hebben. Er zijn drie taalgroeimiddelen van belang: taalaanbod,
taalruimte en feedback.
5. Nieuw onderzoek
Kinderen leren taal doordat ze concrete taalwaarnemingen generaliseren. Kinderen leren dus
algemene patronen herkennen in de taal die ze om zich heen horen.
Taalgroeimiddelen
1. Taalaanbod: de drie b’s bied de leerlingen taal waar ze wat aan hebben.
- Betrokkenheid → het onderwerp moet de leerlingen interesseren.
- Begrijpelijkheid → leerlingen moeten het taalaanbod snappen.
- Boven niveau → leerlingen moeten op taalgebied een stukje verder komen.
2. Taalruimte: bied de leerlingen de gelegenheid om taal te gebruiken.
- Onderwerpsruimte → ruimte om te kunnen vertellen over een onderwerp.
- Beurtruimte → wie mag er praten?
3. Feedback: reageer op de uitingen van leerlingen.
- Helpen en verhelderen → helpen om het onderwerp goed te kunnen vertellen. Het
onderwerp goed over kunnen brengen.
- Verbeteren → hoe verbeter je een leerling?
- Positief bevestigen → stimuleert een leerling om taal te gebruiken.
Factoren die de eerstetaalverwerving van het kind bevorderen.
- Modelleren van een volwassenen
- Feedback
- Ruimte voor taalproductie
2
, - Taal en denken stimuleren elkaar
Visies op tweedetaalverwerving
1. Interferentietheorie: zinnen uit de moedertaal letterlijk vertalen naar de tweede taal.
Hierdoor ontstaan veel fouten.
2. Universalistische theorie: kinderen die Nederlands als 2e taal leren, maken dezelfde fouten
als kinderen die Nederlandstalig worden opgevoed.
3. Interactionele benadering: de nadruk ligt op het aanbod, de interactie en de feedback, die
ook nodig zijn om Nederlands als 2e taal te leren.
Kinderen die een 2e taal leren, beginnen hier vaak pas mee op de basisschool. Hierdoor hebben ze
gelijk al een enorme achterstand die moeilijk in te halen is, we noemen dit successieve tweetaligheid.
Kinderen die vanaf de geboorte tweetalig wordt opgevoed, noemen we simultane tweetaligheid.
Drie categorieën ontwikkeling van taalcomponenten.
1. Taalvorm
- Luisteren en onderscheiden: baby’s luisteren naar klanken die hun omgeving uitspreekt.
- Taalspecifieke klanken: fonologische component, het oefenen met alle mogelijke
klanken. Het herhalen van klanken noemen we vocaliseren.
- Regels en uitzonderingen: morfologische- of syntactische component, kinderen
verwerven de regels voor de vorming van woorden.
- Combinatie van componenten.
2. Taalinhoud:
- Koppeling van klanken aan begrippen: de passieve of receptieve woordenschat (woorden
die het kind wel snapt, maar niet gebruikt) is groter dan de actieve of productieve
woordenschat (woorden die het kind zelf spreekt)
- Uitbreiding van de woordenschat
- Woordsoorten en -velden: er wordt vastgelegd tot welk woordsoort het behoort, wat de
gebruikelijke plaats in de zin is en bij welk semantisch veld het thuis hoort.
- Uitbreiding van de syntactische component
3. Taalgebruik
- Kinderen leren hun taal effectief te gebruiken in de communicatie.
Fasen in de eerstetaalverwerving:
1. Prelinguale of preverbale periode: in deze periode is geen sprake van taal. De periode
bestaat vooral uit huilen (1e 6 weken), vocaliseren (6-20 weken), vocaal spel (4-6 mnd) en
brabbelen (vanaf 7 maand).
2. Vroeg linguale periode: begint wanneer een kind van ongeveer 1 jaar woorden gaat
uitspreken. Wanneer het kind ontdekt dat een woord bij één ding of persoon hoort, is dat
een aanwijzing voor de ontwikkeling van het symboolbewustzijn.
3. Differentiatiefase: het kind gaat zijn taalkennis verfijnen.
4. Voltooiingsfase: van 5 tot 9 jaar worden de componenten van grammatica verder
ontwikkeld.
3
, Aspecten die een rol spelen bij woordenschatontwikkeling:
1. Labelen:
- In interactie met volwassenen leert het kind dat bepaalde klankcombinaties verwijzen
naar voorwerpen (concrete betekenis).
2. Categoriseren:
- Groeperen/indelen van veelvoorkomende woorden op een manier die voor volwassenen
niet altijd even logisch is (abstracte betekenis).
3. Netwerken:
- Het opslaan van woorden in het mentale lexicon.
- Geen losse elementen, maar allerlei netwerken van woorden (contextuele betekenis) en
het leggen van alle mogelijke relaties en associaties tussen betekenissen met als doel het
onthouden van de woorden.
Taalverwerving 0 – 4 jaar 4 – 5 jaar 5 – 6 jaar
Nederlands als - Fonologische - Morfologische en - Lexicale en tekstuele
moedertaal of als component gevormd. syntactische component
eerste taal van de component afgerond. uitgebreid.
NT2’er - Lexicale component
tot ± 3000 woorden. - Lexicale/semantische
component uitgebreid
- Morfologische,
syntactische
component
grotendeels gevormd
Nederlands als - Start met alle - Lexicale en tekstuele
tweede taal componenten in de componenten in twee
tweede taal. talen uitgebreid.
- Verdere ontwikkeling
van de eerste taal.
Voertaal: een taal die volgens afspraak in een bepaalde situatie wordt gebruikt. Met name waar de
sprekers een verschillende taalachtergrond hebben.
Bij het leren van een taal spelen ook verschillende individuele factoren een rol: intelligentie,
taalgevoel, motivatie en sociaal-culturele ontwikkeling.
Maar ook de omgevingsfactoren zijn van grote invloed: taalaanbod thuis, samenstelling van gezin en
taalruimte thuis.
Schriftelijk taalaanbod verschilt in een paar opzichten van mondelinge taalaanbod en biedt het kind
daarmee een aantal andere mogelijkheden:
- Tweedimensionale afbeeldingen: het kind begrijpt wat de afbeeldingen zijn doordat in
het schriftelijke taalaanbod voorwerpen worden benoemd.
- Gevarieerder taalgebruik en woordgebruik: de taal die de schrijvers van kinderboeken
hanteren, zal op verschillende manieren anders zijn dan de taal die ouders gebruiken.
- Contact met andere werkelijkheden: kinderen zien dat een boek verwijst naar een
andere werkelijkheid.
4