Bestuursprocesrecht samenvatting
Week 1
Bestuursrecht 2, hoofdstuk 1 (m.u.v. § 1.4 en § 1.5)
Plaatsbepaling rechtsbescherming
Bestuursrecht gaat over de juridische normen die gelden in de rechtsbetrekking
tussen burger en overheid.
Een bestuursorgaan = orgaan van een rechtspersoon die krachtens publiekrecht
is ingesteld dan wel een persoon die of college dat met enig openbaar gezag is
bekleed.
Een besluit = een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan inhoudende een
publiekrechtelijke rechtshandeling
Procedures ter beslechting van bestuursrechtelijke geschillen
Beroep bij de bestuursrechter
Bezwaar en beroep tegen besluiten van bestuursorganen, zoals geregeld in H6,7
en 8 van de Awb.
De bestuursrechter is de rechter die bevoegd is te oordelen over beroep tegen
besluiten van bestuursorganen ex art. 8:1 Awb. beroep is gericht op vernietiging
van het besluit. beroep is pas mogelijk nadat de bezwaarschriftprocedure is
doorlopen.
Uitgangspunt is dat de bestuursrechter alleen oordeelt over besluiten.
De verschillende bestuursrechters:
Hoofdregel = tegen een besluit staat beroep open bij een van de elf rechtbanken.
Hoger beroep ingediend te worden (afhankelijk van de aard) bij de Afdeling
bestuursrechtspraak van de raad van State, de Centrale Raad van Beroep, het
College van Beroep voor het bedrijfsleven of bij een van de vier gerechtshoven.
Uitzondering = soms in eerste aanleg, niet de rechtbank, maar een van de
hogere beroepsrechters bevoegd. Dit is dan gelijk de laatste instantie.
Belangrijkste informele rechtseenheidsvoorziening = Commissie rechtseenheid
bestuursrecht. Doel = om jurisprudentie van de verschillende colleges op elkaar
af te stemmen.
Formele rechtseenheidsvoorzieningen = grote kamer (art. 8:10a lid 4 Awb) en de
conclusie (art. 8:12a Awb).
De procedure bij de civiele rechter
De civiele rechter fungeert ook wel als restrechter.
De civiele rechter is de algemene rechter voor alle denkbare geschillen ex art.
112 Gw.
Klachtprocedures
Eenieder heeft het recht om over de wijze waarop een bestuursorgaan zich in een
bepaalde aangelegenheid jegens hem of een ander heeft gedragen een klacht in
te dienen bij dat bestuursorgaan ex art. 9:1 Awb.
Alternatieve vormen van geschilbeslechting
Denk aan onderhandelingen al dan niet met behulp van een mediator.
Beginselen van rechtsbescherming
Hoofdbeginsel ex art. 6 lid 1 EVRM = eenieder heeft recht op een eerlijke en
openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een
onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld, en dat in het
openbaar uitspraak doet (idem art. 47 EU-Grondrechtenhandvest).
, a. Er moet gelegenheid zijn tot het instellen van beroep bij een onafhankelijk
en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld.
b. Aan rechtspraak moet een bestuurlijke heroverweging voorafgaan
c. Er moet rechtspraak in twee feitelijke instanties bestaan
d. De rechtsbescherming moet toegankelijk zijn
e. Zowel de rechtseenheid als de rechtsontwikkeling moet worden
gewaarborgd
f. De rechtsbescherming moet effectief en tijdig zijn
g. De rechtsbescherming moet efficiënt zijn
Beginselen van het bestuursprocesrecht
a. Onpartijdigheid
b. Ongelijkheidscompensatie rekening houden met verschillende
machtsposities
c. Hoor en wederhoor
d. Openbare behandeling art. 121 Gw
e. Openbare en gemotiveerde uitspraak art. 8:78 Awb (openbaar) en art.
121 Gw jo. 8:67 lid 2 jo. 8:77 lid 1 sub b Awb (gemotiveerd)
f. Tijdige behandeling
Het bestuursprocesrecht is opgezet vanuit de hoofdfunctie van de individuele
rechtsbescherming recours subjectif.
Bestuursrecht 2, § 2.2
Bevoegdheid
Bestuursrechter ex art. 1:4 lid 1 Awb = onder bestuursrechter wordt verstaan:
een onafhankelijk, bij de wet ingesteld orgaan dat met bestuursrechtspraak is
belast.
Bestuursrechtspraak ex art. 112 lid 2 Gw = de berechting van geschillen die niet
uit burgerlijke rechtsbetrekkingen zijn ontstaan. Het gaat met name om
geschillen die voortkomen uit de uitoefening van publiekrechtelijk, ofwel
exclusieve bevoegdheden: in het bijzonder geschillen over besluiten.
Bestuursrechtelijke geschillen art. 112 Gw. Het begrip rechterlijke macht is
uitgewerkt in art. 2 Wet Ro, dit zijn de rechtbanken, het hof en de Hoge Raad.
Sommige bestuursrechters maken dus geen deel uit van de rechterlijke macht.
De rechterlijke macht is in de meest ruime zin bevoegd om over geschillen te
oordelen.
Art. 112 lid 2 Gw maakt het mogelijk dat geschillen die niet uit een burgerlijke
rechtsbetrekking voortvloeien worden opgedragen aan gerechten die niet tot de
rechterlijke macht behoren.
Bestuursrechtelijke geschillen worden als regel in eerste instantie door de
rechtbank beslecht.
Art. 8:1 Awb een belanghebbende kan tegen een besluit beroep instellen bij de
bestuursrechter.
Art. 8:6 lid 1 Awb beroep kan worden ingesteld bij de rechtbank, tenzij een
andere bestuursrechter bevoegd is.
Er zijn dus twee soorten systemen te onderscheiden:
- Algemene bestuursrechtspraak: dit geldt voor alle besluiten waartegen bij
de rechtbank beroep kan worden ingesteld.
- Bijzondere bestuursrechtspraak: dit geldt voor besluiten waartegen bij een
ander gerecht dan de rechtbank beroep moet worden ingesteld.
,Absolute bevoegdheid = betreft de vraag welke rechterlijke instantie in welk
systeem van bestuursrechtspraak bevoegd is het beroep tegen een besluit te
beoordelen.
Relatieve bevoegdheid = betreft de vraag bij welk van die gerechten waar in
Nederland beroep moet worden ingesteld.
De bevoegdheidsverdeling is geregeld in H8 Awb en de bijbehorende
Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak bijlage 2.
Voor hoger beroep is art. 8:105 Awb de kernbepaling Het hoger beroep wordt
ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, tenzij een
andere hoger beroepsrechter bevoegd is ingevolge h4 van de bij deze wet
behorende bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak dan wel ingevolge een
andere wettelijk voorschrift.
Jurisprudentie:
ABRvS 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188 (uniformering
redelijke termijn)
De redelijke termijn die als uitgangspunt geldt voor de afdoening van
bestuursrechtelijke geschillen die bestaan uit een bezwaarprocedure en twee
rechterlijke instanties, is uniform bepaald op vier jaar. Hierbij staat zowel voor de
bezwaar- en beroepsfase tezamen als die voor het hoger beroep een termijn van
twee jaar. Wordt deze overschreden, dan moet de overheid € 500 aan
immateriële schadevergoeding betalen voor ieder half jaar overschrijding. Voor
de bezwaarfase bij het bestuursorgaan wordt daarbij uitgegaan van een termijn
van een half jaar, voor de procedure bij de rechtbank van anderhalf jaar.
EHRM 8 oktober 2015, ECLI:CE:ECHR:2015:1008JUD00772212
(Korošec)
Uit het arrest "Korošec" volgt dat de rechter compensatie moet bieden als een
partij in een nadeliger positie verkeert ten opzichte van de andere partij. In
navolging van dat arrest zet de Centrale Raad van Beroep in de uitspraak van
vandaag uiteen hoe de rechter moet omgaan met zaken waarin de overheid zich
beroept op een advies van een eigen medisch deskundige, in dit geval de
verzekeringsarts van het UWV. Het gaat om een beoordeling in drie stappen. De
rechter moet eerst nagaan of het advies zorgvuldig is opgesteld en inzichtelijk is.
Vervolgens moet er equality of arms – evenwicht – bestaan tussen de betrokkene
en het UWV als het gaat om de mogelijkheid bewijsmateriaal aan te dragen. Als
dit evenwicht er niet is, zal de rechter dit evenwicht moeten herstellen. Dat kan
de rechter doen door bijvoorbeeld zelf een onafhankelijk deskundige te
benoemen. Als de betrokkene de rechter heeft verzocht om zo'n benoeming, en
de rechter wijst dit af, dan zal hij dat goed moeten toelichten en duidelijk moeten
maken waarom hij zich in staat acht om zonder zo'n onafhankelijk deskundige tot
een oordeel te komen.
HvJ EU 27 september 2017, ECLI:EU:C:2017:725 (Puškár)
In deze zaak werd betrokkene gedwongen een voorprocedure te volgen, maar hij
wilde gelijk naar de rechter. Hij vond deze dwang een belemmering. De
betrokkene, zijnde Puskar, deed vervolgens een beroep op een schending van
art. 47 Handvest EU. Deze bepaling verzekert het recht en toegang tot een
onafhankelijke rechter en garandeert proces tot een onafhankelijke procedure. Dit
beroep deed hij bij de HvJ. Voordat hij zich kon wenden tot het HvJ moesten de
nationale rechtsmiddelen worden uitgeput. Het HvJ oordeelde vervolgens dat de
verplichte voorprocedure was toegestaan. Argumenten die ze hiervoor gaven:
- Rechter wordt dan niet overbelast
- Voorprocedure kan vaak het geschil al oplossen
, - Bestuur heeft een beter beeld van de feiten.
Week 1
Bestuursrecht 2, hoofdstuk 1 (m.u.v. § 1.4 en § 1.5)
Plaatsbepaling rechtsbescherming
Bestuursrecht gaat over de juridische normen die gelden in de rechtsbetrekking
tussen burger en overheid.
Een bestuursorgaan = orgaan van een rechtspersoon die krachtens publiekrecht
is ingesteld dan wel een persoon die of college dat met enig openbaar gezag is
bekleed.
Een besluit = een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan inhoudende een
publiekrechtelijke rechtshandeling
Procedures ter beslechting van bestuursrechtelijke geschillen
Beroep bij de bestuursrechter
Bezwaar en beroep tegen besluiten van bestuursorganen, zoals geregeld in H6,7
en 8 van de Awb.
De bestuursrechter is de rechter die bevoegd is te oordelen over beroep tegen
besluiten van bestuursorganen ex art. 8:1 Awb. beroep is gericht op vernietiging
van het besluit. beroep is pas mogelijk nadat de bezwaarschriftprocedure is
doorlopen.
Uitgangspunt is dat de bestuursrechter alleen oordeelt over besluiten.
De verschillende bestuursrechters:
Hoofdregel = tegen een besluit staat beroep open bij een van de elf rechtbanken.
Hoger beroep ingediend te worden (afhankelijk van de aard) bij de Afdeling
bestuursrechtspraak van de raad van State, de Centrale Raad van Beroep, het
College van Beroep voor het bedrijfsleven of bij een van de vier gerechtshoven.
Uitzondering = soms in eerste aanleg, niet de rechtbank, maar een van de
hogere beroepsrechters bevoegd. Dit is dan gelijk de laatste instantie.
Belangrijkste informele rechtseenheidsvoorziening = Commissie rechtseenheid
bestuursrecht. Doel = om jurisprudentie van de verschillende colleges op elkaar
af te stemmen.
Formele rechtseenheidsvoorzieningen = grote kamer (art. 8:10a lid 4 Awb) en de
conclusie (art. 8:12a Awb).
De procedure bij de civiele rechter
De civiele rechter fungeert ook wel als restrechter.
De civiele rechter is de algemene rechter voor alle denkbare geschillen ex art.
112 Gw.
Klachtprocedures
Eenieder heeft het recht om over de wijze waarop een bestuursorgaan zich in een
bepaalde aangelegenheid jegens hem of een ander heeft gedragen een klacht in
te dienen bij dat bestuursorgaan ex art. 9:1 Awb.
Alternatieve vormen van geschilbeslechting
Denk aan onderhandelingen al dan niet met behulp van een mediator.
Beginselen van rechtsbescherming
Hoofdbeginsel ex art. 6 lid 1 EVRM = eenieder heeft recht op een eerlijke en
openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een
onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld, en dat in het
openbaar uitspraak doet (idem art. 47 EU-Grondrechtenhandvest).
, a. Er moet gelegenheid zijn tot het instellen van beroep bij een onafhankelijk
en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld.
b. Aan rechtspraak moet een bestuurlijke heroverweging voorafgaan
c. Er moet rechtspraak in twee feitelijke instanties bestaan
d. De rechtsbescherming moet toegankelijk zijn
e. Zowel de rechtseenheid als de rechtsontwikkeling moet worden
gewaarborgd
f. De rechtsbescherming moet effectief en tijdig zijn
g. De rechtsbescherming moet efficiënt zijn
Beginselen van het bestuursprocesrecht
a. Onpartijdigheid
b. Ongelijkheidscompensatie rekening houden met verschillende
machtsposities
c. Hoor en wederhoor
d. Openbare behandeling art. 121 Gw
e. Openbare en gemotiveerde uitspraak art. 8:78 Awb (openbaar) en art.
121 Gw jo. 8:67 lid 2 jo. 8:77 lid 1 sub b Awb (gemotiveerd)
f. Tijdige behandeling
Het bestuursprocesrecht is opgezet vanuit de hoofdfunctie van de individuele
rechtsbescherming recours subjectif.
Bestuursrecht 2, § 2.2
Bevoegdheid
Bestuursrechter ex art. 1:4 lid 1 Awb = onder bestuursrechter wordt verstaan:
een onafhankelijk, bij de wet ingesteld orgaan dat met bestuursrechtspraak is
belast.
Bestuursrechtspraak ex art. 112 lid 2 Gw = de berechting van geschillen die niet
uit burgerlijke rechtsbetrekkingen zijn ontstaan. Het gaat met name om
geschillen die voortkomen uit de uitoefening van publiekrechtelijk, ofwel
exclusieve bevoegdheden: in het bijzonder geschillen over besluiten.
Bestuursrechtelijke geschillen art. 112 Gw. Het begrip rechterlijke macht is
uitgewerkt in art. 2 Wet Ro, dit zijn de rechtbanken, het hof en de Hoge Raad.
Sommige bestuursrechters maken dus geen deel uit van de rechterlijke macht.
De rechterlijke macht is in de meest ruime zin bevoegd om over geschillen te
oordelen.
Art. 112 lid 2 Gw maakt het mogelijk dat geschillen die niet uit een burgerlijke
rechtsbetrekking voortvloeien worden opgedragen aan gerechten die niet tot de
rechterlijke macht behoren.
Bestuursrechtelijke geschillen worden als regel in eerste instantie door de
rechtbank beslecht.
Art. 8:1 Awb een belanghebbende kan tegen een besluit beroep instellen bij de
bestuursrechter.
Art. 8:6 lid 1 Awb beroep kan worden ingesteld bij de rechtbank, tenzij een
andere bestuursrechter bevoegd is.
Er zijn dus twee soorten systemen te onderscheiden:
- Algemene bestuursrechtspraak: dit geldt voor alle besluiten waartegen bij
de rechtbank beroep kan worden ingesteld.
- Bijzondere bestuursrechtspraak: dit geldt voor besluiten waartegen bij een
ander gerecht dan de rechtbank beroep moet worden ingesteld.
,Absolute bevoegdheid = betreft de vraag welke rechterlijke instantie in welk
systeem van bestuursrechtspraak bevoegd is het beroep tegen een besluit te
beoordelen.
Relatieve bevoegdheid = betreft de vraag bij welk van die gerechten waar in
Nederland beroep moet worden ingesteld.
De bevoegdheidsverdeling is geregeld in H8 Awb en de bijbehorende
Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak bijlage 2.
Voor hoger beroep is art. 8:105 Awb de kernbepaling Het hoger beroep wordt
ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, tenzij een
andere hoger beroepsrechter bevoegd is ingevolge h4 van de bij deze wet
behorende bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak dan wel ingevolge een
andere wettelijk voorschrift.
Jurisprudentie:
ABRvS 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188 (uniformering
redelijke termijn)
De redelijke termijn die als uitgangspunt geldt voor de afdoening van
bestuursrechtelijke geschillen die bestaan uit een bezwaarprocedure en twee
rechterlijke instanties, is uniform bepaald op vier jaar. Hierbij staat zowel voor de
bezwaar- en beroepsfase tezamen als die voor het hoger beroep een termijn van
twee jaar. Wordt deze overschreden, dan moet de overheid € 500 aan
immateriële schadevergoeding betalen voor ieder half jaar overschrijding. Voor
de bezwaarfase bij het bestuursorgaan wordt daarbij uitgegaan van een termijn
van een half jaar, voor de procedure bij de rechtbank van anderhalf jaar.
EHRM 8 oktober 2015, ECLI:CE:ECHR:2015:1008JUD00772212
(Korošec)
Uit het arrest "Korošec" volgt dat de rechter compensatie moet bieden als een
partij in een nadeliger positie verkeert ten opzichte van de andere partij. In
navolging van dat arrest zet de Centrale Raad van Beroep in de uitspraak van
vandaag uiteen hoe de rechter moet omgaan met zaken waarin de overheid zich
beroept op een advies van een eigen medisch deskundige, in dit geval de
verzekeringsarts van het UWV. Het gaat om een beoordeling in drie stappen. De
rechter moet eerst nagaan of het advies zorgvuldig is opgesteld en inzichtelijk is.
Vervolgens moet er equality of arms – evenwicht – bestaan tussen de betrokkene
en het UWV als het gaat om de mogelijkheid bewijsmateriaal aan te dragen. Als
dit evenwicht er niet is, zal de rechter dit evenwicht moeten herstellen. Dat kan
de rechter doen door bijvoorbeeld zelf een onafhankelijk deskundige te
benoemen. Als de betrokkene de rechter heeft verzocht om zo'n benoeming, en
de rechter wijst dit af, dan zal hij dat goed moeten toelichten en duidelijk moeten
maken waarom hij zich in staat acht om zonder zo'n onafhankelijk deskundige tot
een oordeel te komen.
HvJ EU 27 september 2017, ECLI:EU:C:2017:725 (Puškár)
In deze zaak werd betrokkene gedwongen een voorprocedure te volgen, maar hij
wilde gelijk naar de rechter. Hij vond deze dwang een belemmering. De
betrokkene, zijnde Puskar, deed vervolgens een beroep op een schending van
art. 47 Handvest EU. Deze bepaling verzekert het recht en toegang tot een
onafhankelijke rechter en garandeert proces tot een onafhankelijke procedure. Dit
beroep deed hij bij de HvJ. Voordat hij zich kon wenden tot het HvJ moesten de
nationale rechtsmiddelen worden uitgeput. Het HvJ oordeelde vervolgens dat de
verplichte voorprocedure was toegestaan. Argumenten die ze hiervoor gaven:
- Rechter wordt dan niet overbelast
- Voorprocedure kan vaak het geschil al oplossen
, - Bestuur heeft een beter beeld van de feiten.