Samenvatting relatievermogensrecht en erfrecht – semester 4
Systeem
Bijeenkomst 10.1
Wortmann & Van Duijvendijk-Brand, Compendium van het personen- en
familierecht 2024 (te raadplegen via Kluwer Navigator)
Hoofdstuk 11 nrs. 111, 112, 114 t/m 119
Inleiding
De afstamming is de in beginsel biologische betrekking die door de geboorte uit
bepaalde ouders ontstaat. De door afstamming ontstane juridische betrekking
wordt ook wel familierechtelijke betrekking genoemd. Uitgangspunt = dat een
kind ten hoogste twee ouders heeft.
Het afstammingsrecht kent twee soorten moeders: biologische moeder en sociale
moeder die ten tijde van geboorte van het kind met de biologische moeder
gehuwd is of gp heeft, die het kind heeft erkend of van wie het ouderschap
gerechtelijk is vastgesteld (sociale moeder duomoeder).
Moederschap van de vrouw uit wie het kind is geboren staat vast en kan niet
ontkend worden. Moederschap van de duomoeder kan worden ontkend en de
erkenning van worden vernietigd op enkele grond dat zij niet biologisch moeder is
(art. 1:202a en 1:205a BW).
Kinderen staan altijd in familierechtelijke betrekking tot de vrouw uit wie het kind
is geboren (art. 1:198 onder a BW). Een kind heeft ten hoogste twee ouders. Dat
zijn de vader en moeder of de twee moeders zoals omschreven in art. 1:198 en
1:199 BW.
De familierechtelijke betrekking bestaat ook tussen de bloedverwanten van de
ouder en het kind: het kind wordt opgenomen in de familie (art. 1:197 BW).
Rechtsgevolgen van het al dan niet in familierechtelijke betrekking
staan tot een ouder
1. Gezag
Bij huwelijk of gp oefenen de ouders in beginsel gezamenlijk het gezag uit (art.
1:251 lid 1, 1:253aa BW).
Buiten huwelijk of gp oefent de moeder uit wie het kind is geboren, in beginsel
alleen het gezag uit.
De ouder die het kind erkend, heeft van rechtswege mede het gezag (art. 1:251b
BW).
De ouder van wie het ouderschap gerechtelijk is vastgesteld (vader of
duomoeder) kan de rechtbank verzoeken in plaats van of samen met de moeder
met gezag te worden bekleed (art. 1:253b en 1:253c BW).
De ouders kunnen als ze ongehuwd zijn en nimmer met elkaar gehuwd geweest
zijn, gezamenlijk gezag uitoefenen, indien het voornemen daartoe op beider
verzoek is aangetekend in het gezagsregister (art. 1:252 BW).
2. Wederkerige verplichting tot levensonderhoud (art. 1:392 BW)
Indien het kind niet is erkend of het ouderschap niet gerechtelijk is vastgesteld,
bestaat er in ieder geval een wederkerige onderhoudsplicht tussen de moeder en
het kind.
Tegen de verwekker van het kind en tegen de man of vrouw die ingestemd heeft
met een daad die de verwekking van het kind tot gevolg kan hebben gehad, kan
het verzoek op grond van art. 1:394 BW worden ingediend.
3. De naam
Als het kind geen tweede ouder heeft, heeft het de geslachtsnaam van de
moeder uit wie het kind is geboren (art. 1:5 lid 1 BW).
Heeft het kind alleen een juridische vader door adoptie, dan heeft het kind zijn
geslachtsnaam (art. 1:5 lid 1 BW).
,Heeft het kind een vader en een moeder, twee vaders of twee moeders, dan is er
keuze tussen hun beider geslachtsnamen of dubbele naam.
4. Erfrecht bij versterf/legitieme portie
Kinderen die in familierechtelijke betrekking staan tot beide ouders erven bij
versterf van beide ouders en hebben recht op de legitieme portie.
5. Nationaliteit
Het kind dat in familierechtelijke betrekking staat tot een Nederlandse moeder of
vader verkrijgt de Nederlandse nationaliteit.
Tijdens huwelijk of gp geboren kinderen
Het tijdens huwelijk geboren kind heeft de echtgenoot of gp van de moeder tot
vader (art. 1:199, aanhef en onder a BW). Het kind heeft de echtgenote of
vrouwelijk gp van de moeder tot duomoeder als het tijdens het huwelijk of gp is
geboren en er kunstmatige donorbevruchting heeft plaatsgevonden met een voor
de moeder uit wie het kind is geboren, anonieme donor en daaromtrent een
verklaring wordt overgelegd (art.1:198, aanhef en onder b BW). Geldt ook indien
verwekking of bevruchting voor het huwelijk heeft plaatsgevonden.
Na ontbinding van het huwelijk of gp geboren kinderen, hebben de gewezen
echtgenoot of gp alleen als ouder, indien het huwelijk of gp door dood van de
vader of duomoeder is ontbonden.
Ontkenning van het door huwelijk of gp ontstane vader- of
duomoederschap
De vader, moeder en kind kunnen een verzoek tot ontkenning van het
vaderschap doen.
De duomoeder, de moeder en het kind kunnen een verzoek tot ontkenning van
het duomoederschap doen.
De grond voor beide gevallen is dat de vader of duomoeder niet de biologische
ouder is.
Verschillen:
a. Het vaderschap gaat uit van het vermoeden dat de echtgenoot van de
moeder de verwekker is van het kind. Dit vermoeden mogen zowel de
vader als de moeder als ook het kind ontzenuwen. Het duomoederschap is
niet gebaseerd op een vermoeden van biologisch moederschap. De
duomoeder is de sociale moeder. Toch geldt dezelfde ontkenningsgrond
geen biologische moeder. Hier is echter geen bewijsprobleem, omdat de
duomoeder vrijwel nooit biologisch moeder is.
b. In geval van ontkenning van het vaderschap hangt het aanvangstijdstip
van de termijn samen met het tijdstip waarop de vader of het kind bekend
worden met het feit dat de vader niet biologische vader is. In geval van
ontkenning van het duomoederschap is er een vast aanvangstijdstip voor
de termijn waarbinnen het verzoek moet worden gedaan.
c. Bij ontkenning van vaderschap kan bedrog van de moeder omtrent het
verwekkerschap een rol spelen.
Voorwaarden:
1. Niet-ontvankelijkheid van het verzoek tot gegrondverklaring van de
ontkenning
a. Indien de vrouw voor het huwelijk of gp zwanger was, en de man dan wel
de duomoeder daarvan op de hoogte was (art. 1:200 lid 2 en 1:202a lid 1
BW)
, b. Indien de man heeft ingestemd met een daad die de verwekking van het
kind tot gevolg kan hebben gehad (art. 1:200 lid 3 BW)
c. Indien de duomoeder heeft ingestemd met kunstmatige donorbevruchting
met zaad van een anonieme donor (art. 1:202a lid 2 BW)
2. De termijnen waarbinnen een verzoek tot gegrondverklaring van de
ontkenning van het vaderschap dan wel van het duomoederschap moet
worden gedaan.
Voor de vader, de moeder en de duomoeder geldt een termijn van een jaar. Voor
het kind geldt een termijn van drie jaar.
3. Het aanvangstijdstip van de termijnen waarbinnen een verzoek tot
ontkenning moet worden gedaan.
a. Duomoederschap: geboorte van het kind (art. 1:202a lid 3 BW).
b. Vaderschap:
- Moeder binnen een jaar na geboorte van het kind (art. 1:200 lid 5 BW)
- Vader binnen een jaar nadat hij bekend is geworden met het feit hij
vermoedelijk niet de vader is als met het feit van de geboorte (art. 1:200
lid 5 BW)
- Kind tot uiterlijk drie jaren nadat het meerderjarig is geworden (art. 1:200
lid 6 BW).
4. Het verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap
of van het duomoederschap wordt bij de rechtbank ingediend.
Een uitzondering: de moeder kan buiten de rechter om binnen een jaar na
geboorte van het kind ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand
een verklaring afleggen.
Het rechtsgevolg van een ontkenning van het vaderschap of van het
duomoederschap is dat het kind vanaf de geboorte alleen in familierechtelijke
betrekking staat tot de moeder uit wie het kind is geboren (art. 1:202 en
art. 1:202b lid 2 jo. art. 1:202 BW). Het kind kan door een andere man of vrouw
worden erkend. Verder is gerechtelijke vaststelling van het ouderschap mogelijk.
Rechtskarakter, vorm en gevolgen van erkenning
Enerzijds werd erkenning gezien als een rechtshandeling. Anderzijds komt
erkenning voort uit de afstamming en is het slechts een bewijsmiddel.
Art. 1:203 BW noemt de wijzen waarop erkenning kan geschieden; vereist is dat
erkenning geschiedt bij een door een ambtenaar opgemaakte akte. Door
erkenning ontstaat familierechtelijke betrekking. Erkenning kan zowel geschieden
door de verwekker, als door de bekende donor, als ook door de duomoeder of de
sociale vader.
Nietigheid van de erkenning
In sommige gevallen is de erkenning nietig van rechtswege (zie
art. 1:204 lid 1 BW), in andere gevallen vernietigbaar (art. 1:205 en 205a BW).
Nietigheid art. 1:204 lid 1 BW:
1. Indien zij is gedaan door een man of vrouw die op grond van te nauwe
verwantschap niet met de moeder zou mogen huwen dan wel gp aangaan.
2. Indien zij is gedaan door een minderjarige jonger dan zestien jaar
3. Indien zij is gedaan zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de
moeder of de vader, zolang het kind nog geen zestien jaar is.
4. Indien zij is gedaan zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van het
kind van twaalf jaar of ouder.
5. Indien zij is gedaan als er al twee ouders zijn.
, Vervanging van de toestemming tot erkenning
Als de toestemming tot de erkenning van de zijde van de moeder of van die van
het kind ontbreekt, hetzij omdat een van beiden niet in staat is toestemming te
geven dan wel overleden is, hetzij omdat de toestemming is geweigerd, dan kan
deze op verzoek van de aspirant-erkenner vervangen worden door die van de
rechtbank (art. 1:204 lid 3 en 4 BW).
a. Voorwaarden voor de aspirant-erkenner die verwekker of donor is (art.
1:204 lid 3 BW):
1. De aspirant-erkenner is de verwekker van het kind dan wel de biologische
vader die niet de verwekker van het kind is en die in een nauwe
persoonlijke betrekking tot het kind staat.
2. De erkenning zou de belangen van de moeder bij een ongestoorde
verhouding met het kind niet moeten schaden of een evenwichtige
sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind zou door
de erkenning niet in het gedrang moeten komen.
b. Voorwaarden voor de aspirant-erkenner die als levensgezel toestemming
heeft gegeven tot een daad die de verwekking van het kind tot gevolg kan
hebben gehad (art. 1:204 lid 4 BW):
1. De aspirant-erkenner heeft als levensgezel van de moeder toestemming
tot kunstmatige donorbevruchting gegeven.
2. Het is in het belang van het kind dat vervangende toestemming tot
erkenning wordt gegeven.
Vernietiging van de erkenning
Kan worden verzocht door de vader, de moeder, de duomoeder, het kind en door
het OM als aan de voorwaarden is voldaan (art. 1:205 en 1:205a BW).
1. Er moet komen vast te staan dat de erkenner niet de biologische vader of,
in geval van duomoederschap, dat de duomoeder die heeft erkend, niet de
biologische moeder is.
2. Het kind kan alleen vernietiging verzoeken als deze gedurende de
minderjarigheid is geschied. Kan tot uiterlijk drie jaar na meerderjarigheid,
als tijdens de minderjarigheid bekend is geworden dat de erkenner niet de
biologische vader is. In geval dit bij meerderjarigheid wordt ontdekt geldt
de termijn vanaf dan.
3. De erkenner kan alleen op grond van wilsgebreken bij de erkenning
vernietiging verzoeken. Termijn is een jaar.
4. De moeder uit wie het kind is geboren kan alleen op grond van
wilsgebreken bij de toestemming tot erkenning vernietiging verzoeken.
Zelfde termijn.
5. Het OM kan steeds wegens strijd met openbare orde vernietiging
verzoeken.
De vernietiging heeft terugwerkende kracht art. 1:206 BW.
Gerechtelijke vaststelling van het ouderschap
Kan beschouwd worden als laatste middel voor de moeder en voor het kind om
een familierechtelijke betrekking tot stand te brengen tussen het kind en zijn
verwekker of de levensgezel van de moeder die heeft ingestemd met een daad
die de verwekking van het kind tot gevolg kan hebben.
Zij geschiedt op verzoek van moeder of van het kind (art. 1:207 BW)
Systeem
Bijeenkomst 10.1
Wortmann & Van Duijvendijk-Brand, Compendium van het personen- en
familierecht 2024 (te raadplegen via Kluwer Navigator)
Hoofdstuk 11 nrs. 111, 112, 114 t/m 119
Inleiding
De afstamming is de in beginsel biologische betrekking die door de geboorte uit
bepaalde ouders ontstaat. De door afstamming ontstane juridische betrekking
wordt ook wel familierechtelijke betrekking genoemd. Uitgangspunt = dat een
kind ten hoogste twee ouders heeft.
Het afstammingsrecht kent twee soorten moeders: biologische moeder en sociale
moeder die ten tijde van geboorte van het kind met de biologische moeder
gehuwd is of gp heeft, die het kind heeft erkend of van wie het ouderschap
gerechtelijk is vastgesteld (sociale moeder duomoeder).
Moederschap van de vrouw uit wie het kind is geboren staat vast en kan niet
ontkend worden. Moederschap van de duomoeder kan worden ontkend en de
erkenning van worden vernietigd op enkele grond dat zij niet biologisch moeder is
(art. 1:202a en 1:205a BW).
Kinderen staan altijd in familierechtelijke betrekking tot de vrouw uit wie het kind
is geboren (art. 1:198 onder a BW). Een kind heeft ten hoogste twee ouders. Dat
zijn de vader en moeder of de twee moeders zoals omschreven in art. 1:198 en
1:199 BW.
De familierechtelijke betrekking bestaat ook tussen de bloedverwanten van de
ouder en het kind: het kind wordt opgenomen in de familie (art. 1:197 BW).
Rechtsgevolgen van het al dan niet in familierechtelijke betrekking
staan tot een ouder
1. Gezag
Bij huwelijk of gp oefenen de ouders in beginsel gezamenlijk het gezag uit (art.
1:251 lid 1, 1:253aa BW).
Buiten huwelijk of gp oefent de moeder uit wie het kind is geboren, in beginsel
alleen het gezag uit.
De ouder die het kind erkend, heeft van rechtswege mede het gezag (art. 1:251b
BW).
De ouder van wie het ouderschap gerechtelijk is vastgesteld (vader of
duomoeder) kan de rechtbank verzoeken in plaats van of samen met de moeder
met gezag te worden bekleed (art. 1:253b en 1:253c BW).
De ouders kunnen als ze ongehuwd zijn en nimmer met elkaar gehuwd geweest
zijn, gezamenlijk gezag uitoefenen, indien het voornemen daartoe op beider
verzoek is aangetekend in het gezagsregister (art. 1:252 BW).
2. Wederkerige verplichting tot levensonderhoud (art. 1:392 BW)
Indien het kind niet is erkend of het ouderschap niet gerechtelijk is vastgesteld,
bestaat er in ieder geval een wederkerige onderhoudsplicht tussen de moeder en
het kind.
Tegen de verwekker van het kind en tegen de man of vrouw die ingestemd heeft
met een daad die de verwekking van het kind tot gevolg kan hebben gehad, kan
het verzoek op grond van art. 1:394 BW worden ingediend.
3. De naam
Als het kind geen tweede ouder heeft, heeft het de geslachtsnaam van de
moeder uit wie het kind is geboren (art. 1:5 lid 1 BW).
Heeft het kind alleen een juridische vader door adoptie, dan heeft het kind zijn
geslachtsnaam (art. 1:5 lid 1 BW).
,Heeft het kind een vader en een moeder, twee vaders of twee moeders, dan is er
keuze tussen hun beider geslachtsnamen of dubbele naam.
4. Erfrecht bij versterf/legitieme portie
Kinderen die in familierechtelijke betrekking staan tot beide ouders erven bij
versterf van beide ouders en hebben recht op de legitieme portie.
5. Nationaliteit
Het kind dat in familierechtelijke betrekking staat tot een Nederlandse moeder of
vader verkrijgt de Nederlandse nationaliteit.
Tijdens huwelijk of gp geboren kinderen
Het tijdens huwelijk geboren kind heeft de echtgenoot of gp van de moeder tot
vader (art. 1:199, aanhef en onder a BW). Het kind heeft de echtgenote of
vrouwelijk gp van de moeder tot duomoeder als het tijdens het huwelijk of gp is
geboren en er kunstmatige donorbevruchting heeft plaatsgevonden met een voor
de moeder uit wie het kind is geboren, anonieme donor en daaromtrent een
verklaring wordt overgelegd (art.1:198, aanhef en onder b BW). Geldt ook indien
verwekking of bevruchting voor het huwelijk heeft plaatsgevonden.
Na ontbinding van het huwelijk of gp geboren kinderen, hebben de gewezen
echtgenoot of gp alleen als ouder, indien het huwelijk of gp door dood van de
vader of duomoeder is ontbonden.
Ontkenning van het door huwelijk of gp ontstane vader- of
duomoederschap
De vader, moeder en kind kunnen een verzoek tot ontkenning van het
vaderschap doen.
De duomoeder, de moeder en het kind kunnen een verzoek tot ontkenning van
het duomoederschap doen.
De grond voor beide gevallen is dat de vader of duomoeder niet de biologische
ouder is.
Verschillen:
a. Het vaderschap gaat uit van het vermoeden dat de echtgenoot van de
moeder de verwekker is van het kind. Dit vermoeden mogen zowel de
vader als de moeder als ook het kind ontzenuwen. Het duomoederschap is
niet gebaseerd op een vermoeden van biologisch moederschap. De
duomoeder is de sociale moeder. Toch geldt dezelfde ontkenningsgrond
geen biologische moeder. Hier is echter geen bewijsprobleem, omdat de
duomoeder vrijwel nooit biologisch moeder is.
b. In geval van ontkenning van het vaderschap hangt het aanvangstijdstip
van de termijn samen met het tijdstip waarop de vader of het kind bekend
worden met het feit dat de vader niet biologische vader is. In geval van
ontkenning van het duomoederschap is er een vast aanvangstijdstip voor
de termijn waarbinnen het verzoek moet worden gedaan.
c. Bij ontkenning van vaderschap kan bedrog van de moeder omtrent het
verwekkerschap een rol spelen.
Voorwaarden:
1. Niet-ontvankelijkheid van het verzoek tot gegrondverklaring van de
ontkenning
a. Indien de vrouw voor het huwelijk of gp zwanger was, en de man dan wel
de duomoeder daarvan op de hoogte was (art. 1:200 lid 2 en 1:202a lid 1
BW)
, b. Indien de man heeft ingestemd met een daad die de verwekking van het
kind tot gevolg kan hebben gehad (art. 1:200 lid 3 BW)
c. Indien de duomoeder heeft ingestemd met kunstmatige donorbevruchting
met zaad van een anonieme donor (art. 1:202a lid 2 BW)
2. De termijnen waarbinnen een verzoek tot gegrondverklaring van de
ontkenning van het vaderschap dan wel van het duomoederschap moet
worden gedaan.
Voor de vader, de moeder en de duomoeder geldt een termijn van een jaar. Voor
het kind geldt een termijn van drie jaar.
3. Het aanvangstijdstip van de termijnen waarbinnen een verzoek tot
ontkenning moet worden gedaan.
a. Duomoederschap: geboorte van het kind (art. 1:202a lid 3 BW).
b. Vaderschap:
- Moeder binnen een jaar na geboorte van het kind (art. 1:200 lid 5 BW)
- Vader binnen een jaar nadat hij bekend is geworden met het feit hij
vermoedelijk niet de vader is als met het feit van de geboorte (art. 1:200
lid 5 BW)
- Kind tot uiterlijk drie jaren nadat het meerderjarig is geworden (art. 1:200
lid 6 BW).
4. Het verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap
of van het duomoederschap wordt bij de rechtbank ingediend.
Een uitzondering: de moeder kan buiten de rechter om binnen een jaar na
geboorte van het kind ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand
een verklaring afleggen.
Het rechtsgevolg van een ontkenning van het vaderschap of van het
duomoederschap is dat het kind vanaf de geboorte alleen in familierechtelijke
betrekking staat tot de moeder uit wie het kind is geboren (art. 1:202 en
art. 1:202b lid 2 jo. art. 1:202 BW). Het kind kan door een andere man of vrouw
worden erkend. Verder is gerechtelijke vaststelling van het ouderschap mogelijk.
Rechtskarakter, vorm en gevolgen van erkenning
Enerzijds werd erkenning gezien als een rechtshandeling. Anderzijds komt
erkenning voort uit de afstamming en is het slechts een bewijsmiddel.
Art. 1:203 BW noemt de wijzen waarop erkenning kan geschieden; vereist is dat
erkenning geschiedt bij een door een ambtenaar opgemaakte akte. Door
erkenning ontstaat familierechtelijke betrekking. Erkenning kan zowel geschieden
door de verwekker, als door de bekende donor, als ook door de duomoeder of de
sociale vader.
Nietigheid van de erkenning
In sommige gevallen is de erkenning nietig van rechtswege (zie
art. 1:204 lid 1 BW), in andere gevallen vernietigbaar (art. 1:205 en 205a BW).
Nietigheid art. 1:204 lid 1 BW:
1. Indien zij is gedaan door een man of vrouw die op grond van te nauwe
verwantschap niet met de moeder zou mogen huwen dan wel gp aangaan.
2. Indien zij is gedaan door een minderjarige jonger dan zestien jaar
3. Indien zij is gedaan zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de
moeder of de vader, zolang het kind nog geen zestien jaar is.
4. Indien zij is gedaan zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van het
kind van twaalf jaar of ouder.
5. Indien zij is gedaan als er al twee ouders zijn.
, Vervanging van de toestemming tot erkenning
Als de toestemming tot de erkenning van de zijde van de moeder of van die van
het kind ontbreekt, hetzij omdat een van beiden niet in staat is toestemming te
geven dan wel overleden is, hetzij omdat de toestemming is geweigerd, dan kan
deze op verzoek van de aspirant-erkenner vervangen worden door die van de
rechtbank (art. 1:204 lid 3 en 4 BW).
a. Voorwaarden voor de aspirant-erkenner die verwekker of donor is (art.
1:204 lid 3 BW):
1. De aspirant-erkenner is de verwekker van het kind dan wel de biologische
vader die niet de verwekker van het kind is en die in een nauwe
persoonlijke betrekking tot het kind staat.
2. De erkenning zou de belangen van de moeder bij een ongestoorde
verhouding met het kind niet moeten schaden of een evenwichtige
sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind zou door
de erkenning niet in het gedrang moeten komen.
b. Voorwaarden voor de aspirant-erkenner die als levensgezel toestemming
heeft gegeven tot een daad die de verwekking van het kind tot gevolg kan
hebben gehad (art. 1:204 lid 4 BW):
1. De aspirant-erkenner heeft als levensgezel van de moeder toestemming
tot kunstmatige donorbevruchting gegeven.
2. Het is in het belang van het kind dat vervangende toestemming tot
erkenning wordt gegeven.
Vernietiging van de erkenning
Kan worden verzocht door de vader, de moeder, de duomoeder, het kind en door
het OM als aan de voorwaarden is voldaan (art. 1:205 en 1:205a BW).
1. Er moet komen vast te staan dat de erkenner niet de biologische vader of,
in geval van duomoederschap, dat de duomoeder die heeft erkend, niet de
biologische moeder is.
2. Het kind kan alleen vernietiging verzoeken als deze gedurende de
minderjarigheid is geschied. Kan tot uiterlijk drie jaar na meerderjarigheid,
als tijdens de minderjarigheid bekend is geworden dat de erkenner niet de
biologische vader is. In geval dit bij meerderjarigheid wordt ontdekt geldt
de termijn vanaf dan.
3. De erkenner kan alleen op grond van wilsgebreken bij de erkenning
vernietiging verzoeken. Termijn is een jaar.
4. De moeder uit wie het kind is geboren kan alleen op grond van
wilsgebreken bij de toestemming tot erkenning vernietiging verzoeken.
Zelfde termijn.
5. Het OM kan steeds wegens strijd met openbare orde vernietiging
verzoeken.
De vernietiging heeft terugwerkende kracht art. 1:206 BW.
Gerechtelijke vaststelling van het ouderschap
Kan beschouwd worden als laatste middel voor de moeder en voor het kind om
een familierechtelijke betrekking tot stand te brengen tussen het kind en zijn
verwekker of de levensgezel van de moeder die heeft ingestemd met een daad
die de verwekking van het kind tot gevolg kan hebben.
Zij geschiedt op verzoek van moeder of van het kind (art. 1:207 BW)