Samenvatting inleiding belastingrecht
Bijeenkomst 18.1 (H2 m.u.v. 2.9 en 6.3)
Hoofdstuk 2
Soorten belastingen: inkomstenbelasting, loonbelasting, vennootschapsbelasting,
omzetbelasting, onroerendezaakbelasting, erfbelasting, schenkbelasting,
kansspelbelasting, motorrijtuigenbelasting en overdrachtsbelasting.
Verbanden: de loonbelasting is een voorheffing op de te betalen
inkomstenbelasting.
Soort belasting Subject en object van heffing
Inkomstenbelasting Mensen over hun inkomen
Loonbelasting Mensen over hun loon
Vennootschapsbelasting Lichamen over hun winst
Omzetbelasting Ondernemers over de toegevoegde waarde
in hun omzet
Onroerendezaakbelasting Mensen en lichamen over een eigen pand
Erfbelasting Mensen en lichamen over een ontvangen
erfenis
Schenkbelasting Mensen en lichamen over een ontvangen
schenking
Kansspelbelasting Mensen en lichamen over een gewonnen
prijs uit een kansspel
Motorrijtuigenbelasting Mensen en lichamen over auto- of
motorbezit
Overdrachtsbelasting Mensen en lichamen over de verkrijging
van een onroerende zaak
Functies van belastingen
Budgettaire functie = Nederland moet over voldoende middelen
beschikken om collectieve uitgaven te kunnen doen.
Instrumentele functie = sociaal of economische doelen bereiken
Belastingen kunnen gebruikt worden als stuurmechanisme, hier zitten echter
zowel principiële als praktische grenzen aan
1. De principiële grens aan de inzet van instrumentele maatregelen is
gelegen in het gegeven dat het recht intrinsieke waarden behelst, zoals
het gelijkheidsbeginsel, die niet voor andere inwisselbaar zijn. Er dient dan
ook een afdoende rechtvaardiging ten grondslag te liggen.
Bijv. het gebruik van schone auto’s wordt via de belastingheffing
gestimuleerd, dan profiteert niet alleen de gebruiker van de auto, maar
ook de overige inwoners van Nederland, omdat het gebruik van schone
auto’s leidt tot een schoner milieu voor iedereen.
2. De praktische grens ligt ten eerste gelegen in het feit dat de maatschappij
lastig te sturen is. Ten tweede laten de effectiviteit (wordt het effect
bereikt?) en de doelmatigheid (gaat het middel niet verder dan nodig?) van
instrumentele maatregelen zich moeilijk toetsen.
Draagkrachtbeginsel = gaat uit van het principe dat belastingheffing afhangt van
iemand mogelijkheid om belasting te betalen.
Adam Smith ability to pay
Wet IB 2001 boxensysteem
Box 1 (inkomen uit werk en woning)
Winst uit onderneming
, Loon
Resultaat uit overige werkzaamheden
Periodieke uitkeringen en verstrekkingen
Inkomsten uit eigen woning
Negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen
Negatieve persoonsgebonden aftrekposten
Verminderd met het saldo van de uitgaven voor:
- Inkomensvoorzieningen
- Verminderd met de persoonsgebonden aftrek voor zover mogelijk en
Met eventuele te verrekenen verliezen uit werk en woning uit voorgaande
en volgende jaren
Box 2 (inkomen uit aanmerkelijk belang)
Voordelen uit aanmerkelijk belang
Verminderd met de persoonsgebonden aftrek voor zover mogelijk en
Met eventuele te verrekenen verliezen uit aanmerkelijk belang uit
voorgaande en volgende jaren
Box 3 (inkomen uit sparen en beleggen)
Inkomen uit sparen en beleggen
Verminderd met de persoonsgebonden aftrek voor zover mogelijk
Rangorderegeling art. 2.14 Wet IB 2001
Het eerstgenoemde wetsartikel gaat voor.
Verschillen in heffingsgrondslag, tarief en genietingsmoment
Box 1 Box 2 Box 3
Heffingsgrondsl Reëel inkomen, Reëel inkomen, Fictief inkomen
ag verliezen verliezen over de
aftrekbaar, maar aftrekbaar, maar rendementsgrondsl
in de tijd beperkt in de tijd beperkt ag, geen verlies
mogelijk
Tarief Progressief tarief Tarief 26,9% Tarief 32%
tot maximaal
49,50%
Moment van Moment van Moment van Begin van het jaar
belastbaarheid ontvangst ontvangst of van de peildatum
vervreemding (1 januari)
Schotten tussen de boxen = een negatief inkomen, een verlies, in bijv. box 1 is
niet te verrekenen met een positief inkomen in box 2 of 3. Dit is in strijd met het
draagkrachtbeginsel.
2 uitzonderingen op de regel:
1. De persoonsgebonden aftrek wordt over de boxen verrekend art. 6.2
Wet IB 2001
Voor zover inkomen in box 1 onvoldoende ruimte biedt, komt het restant van de
persoonsgebonden aftrek in mindering op het box 3 inkomen, echter ook nu niet
verder dan nihil. Een restant is tot slot verrekenbaar met het inkomen van box 2,
ook weer tot nihil. Als er dan nog overblijft is dit persoonsgebonden aftrek voor
volgend jaar.
2. Een verlies uit aanmerkelijk belang in box 2. In 2023 is 26,9% van dit
verlies onder omstandigheden toch verrekenbaar met de verschuldigde
belasting het box 1 inkomen art. 4.53 Wet IB 2001.
, Onderscheid tarieven in de inkomstenbelasting
1. Inkomen uit werk en woning is belast met een progressief tarief tarief
stijgt naarmate dat het inkomen stijgt (art. 2.10 Wet IB 2001).
2. Inkomen uit aanmerkelijk belang is belast tegen 26,9%. Een vast tarief
noemen we een proportioneel tarief.
3. Het fictieve inkomen uit sparen en beleggen is steeds belast tegen 32%.
Op papier proportioneel maar in werkelijkheid degressief tarief.
Voorbeeld:
Bij een fictief wettelijk rendement van 6% over effecten met een waarde van
1.057.000 en een heffingsvrij vermogen van 57.000 bedraagt het fictieve
rendement 60.000. De verschuldigde belasting in box 3 zou dan 32% x 60.000 =
19.200 bedragen. Bij een opbrengst van 105.700 (10%) bedraagt het effectieve
tarief 18,16% (19.200/105.700 x 100%).
Bedraagt de wettelijke opbrengst echter slechts 21.140 (2%), dan is het
effectieve tarief 19.200/21.400 x 100% = 91%.
Persoonsgebonden aftrek (H6 Wet IB 2001)
Een inkomensaftrek voor uitgaven die zijn gedaan in verband met de persoonlijke
situatie van een belastingplichtige.
Heffingskortingen (H8 Wet IB 2001)
Nadat het inkomen is vastgesteld, worden over dit bedrag de inkomstenbelasting
en de premies volksverzekeringen berekend. Op dit gezamenlijke bedrag van
belasting en premies ontvangt de belastingplichtige een korting
heffingskorting.
Loonbelasting mag op de verschuldigde inkomstenbelasting in mindering worden
gebracht. We noemen de loonbelasting ook wel een voorheffing op de
inkomstenbelasting art. 9.2 lid 1 Wet IB 2001.
De werkgever houdt iedere maand een bedrag aan loonbelasting, premies
volksverzekeringen en premies werknemersverzekeringen in op het salaris. De
werkgever is dan ook inhoudingsplichtige art. 6 t/m 8a Wet LB 1964.
In veel gevallen is de loonheffing gelijk aan de verschuldigde inkomstenbelasting
en is daarmee dan tevens de eindheffing. Het kan echter ook te laag of te hoog
zijn. In die gevallen dient de werknemer aangifte te doen.
Autokostenforfait
Voordeel valt onder loon en hierover wordt dus loonbelasting betaalt op grond
van art. 10 Wet LB 1964. Loonbegrip voor inkomstenbelasting is gelijk dus valt
ook onder IB.
Regels m.b.t. bijtelling van auto staan in art. 13bis Wet LB 1964. Een auto die
CO2 uitstoot, bedraagt 22% van de catalogusprijs van de auto. Voor volledige
elektrische auto’s bedraagt dit 16%.
Eigen woning
Het fiscale inkomen uit eigen woning wordt gevormd door het eigenwoningforfait
minus de renten op de schuld van de eigen woning art. 3.110 en 3.120 Wet IB
2001. Dit saldo is in de praktijk vrijwel altijd negatief. Negatief saldo behoort in
box 1 en kan in mindering worden gebracht.
Eigenwoningforfait art. 3.112 Wet IB 2001
Begrip eigen woning = het hoofdverblijf van de belastingplichtige op grond van
eigendomsrecht
Schulden ter verwerving van de eigen woning zijn aftrekbaar art. 3.119 en
3.123 Wet IB 2001
Bijeenkomst 18.1 (H2 m.u.v. 2.9 en 6.3)
Hoofdstuk 2
Soorten belastingen: inkomstenbelasting, loonbelasting, vennootschapsbelasting,
omzetbelasting, onroerendezaakbelasting, erfbelasting, schenkbelasting,
kansspelbelasting, motorrijtuigenbelasting en overdrachtsbelasting.
Verbanden: de loonbelasting is een voorheffing op de te betalen
inkomstenbelasting.
Soort belasting Subject en object van heffing
Inkomstenbelasting Mensen over hun inkomen
Loonbelasting Mensen over hun loon
Vennootschapsbelasting Lichamen over hun winst
Omzetbelasting Ondernemers over de toegevoegde waarde
in hun omzet
Onroerendezaakbelasting Mensen en lichamen over een eigen pand
Erfbelasting Mensen en lichamen over een ontvangen
erfenis
Schenkbelasting Mensen en lichamen over een ontvangen
schenking
Kansspelbelasting Mensen en lichamen over een gewonnen
prijs uit een kansspel
Motorrijtuigenbelasting Mensen en lichamen over auto- of
motorbezit
Overdrachtsbelasting Mensen en lichamen over de verkrijging
van een onroerende zaak
Functies van belastingen
Budgettaire functie = Nederland moet over voldoende middelen
beschikken om collectieve uitgaven te kunnen doen.
Instrumentele functie = sociaal of economische doelen bereiken
Belastingen kunnen gebruikt worden als stuurmechanisme, hier zitten echter
zowel principiële als praktische grenzen aan
1. De principiële grens aan de inzet van instrumentele maatregelen is
gelegen in het gegeven dat het recht intrinsieke waarden behelst, zoals
het gelijkheidsbeginsel, die niet voor andere inwisselbaar zijn. Er dient dan
ook een afdoende rechtvaardiging ten grondslag te liggen.
Bijv. het gebruik van schone auto’s wordt via de belastingheffing
gestimuleerd, dan profiteert niet alleen de gebruiker van de auto, maar
ook de overige inwoners van Nederland, omdat het gebruik van schone
auto’s leidt tot een schoner milieu voor iedereen.
2. De praktische grens ligt ten eerste gelegen in het feit dat de maatschappij
lastig te sturen is. Ten tweede laten de effectiviteit (wordt het effect
bereikt?) en de doelmatigheid (gaat het middel niet verder dan nodig?) van
instrumentele maatregelen zich moeilijk toetsen.
Draagkrachtbeginsel = gaat uit van het principe dat belastingheffing afhangt van
iemand mogelijkheid om belasting te betalen.
Adam Smith ability to pay
Wet IB 2001 boxensysteem
Box 1 (inkomen uit werk en woning)
Winst uit onderneming
, Loon
Resultaat uit overige werkzaamheden
Periodieke uitkeringen en verstrekkingen
Inkomsten uit eigen woning
Negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen
Negatieve persoonsgebonden aftrekposten
Verminderd met het saldo van de uitgaven voor:
- Inkomensvoorzieningen
- Verminderd met de persoonsgebonden aftrek voor zover mogelijk en
Met eventuele te verrekenen verliezen uit werk en woning uit voorgaande
en volgende jaren
Box 2 (inkomen uit aanmerkelijk belang)
Voordelen uit aanmerkelijk belang
Verminderd met de persoonsgebonden aftrek voor zover mogelijk en
Met eventuele te verrekenen verliezen uit aanmerkelijk belang uit
voorgaande en volgende jaren
Box 3 (inkomen uit sparen en beleggen)
Inkomen uit sparen en beleggen
Verminderd met de persoonsgebonden aftrek voor zover mogelijk
Rangorderegeling art. 2.14 Wet IB 2001
Het eerstgenoemde wetsartikel gaat voor.
Verschillen in heffingsgrondslag, tarief en genietingsmoment
Box 1 Box 2 Box 3
Heffingsgrondsl Reëel inkomen, Reëel inkomen, Fictief inkomen
ag verliezen verliezen over de
aftrekbaar, maar aftrekbaar, maar rendementsgrondsl
in de tijd beperkt in de tijd beperkt ag, geen verlies
mogelijk
Tarief Progressief tarief Tarief 26,9% Tarief 32%
tot maximaal
49,50%
Moment van Moment van Moment van Begin van het jaar
belastbaarheid ontvangst ontvangst of van de peildatum
vervreemding (1 januari)
Schotten tussen de boxen = een negatief inkomen, een verlies, in bijv. box 1 is
niet te verrekenen met een positief inkomen in box 2 of 3. Dit is in strijd met het
draagkrachtbeginsel.
2 uitzonderingen op de regel:
1. De persoonsgebonden aftrek wordt over de boxen verrekend art. 6.2
Wet IB 2001
Voor zover inkomen in box 1 onvoldoende ruimte biedt, komt het restant van de
persoonsgebonden aftrek in mindering op het box 3 inkomen, echter ook nu niet
verder dan nihil. Een restant is tot slot verrekenbaar met het inkomen van box 2,
ook weer tot nihil. Als er dan nog overblijft is dit persoonsgebonden aftrek voor
volgend jaar.
2. Een verlies uit aanmerkelijk belang in box 2. In 2023 is 26,9% van dit
verlies onder omstandigheden toch verrekenbaar met de verschuldigde
belasting het box 1 inkomen art. 4.53 Wet IB 2001.
, Onderscheid tarieven in de inkomstenbelasting
1. Inkomen uit werk en woning is belast met een progressief tarief tarief
stijgt naarmate dat het inkomen stijgt (art. 2.10 Wet IB 2001).
2. Inkomen uit aanmerkelijk belang is belast tegen 26,9%. Een vast tarief
noemen we een proportioneel tarief.
3. Het fictieve inkomen uit sparen en beleggen is steeds belast tegen 32%.
Op papier proportioneel maar in werkelijkheid degressief tarief.
Voorbeeld:
Bij een fictief wettelijk rendement van 6% over effecten met een waarde van
1.057.000 en een heffingsvrij vermogen van 57.000 bedraagt het fictieve
rendement 60.000. De verschuldigde belasting in box 3 zou dan 32% x 60.000 =
19.200 bedragen. Bij een opbrengst van 105.700 (10%) bedraagt het effectieve
tarief 18,16% (19.200/105.700 x 100%).
Bedraagt de wettelijke opbrengst echter slechts 21.140 (2%), dan is het
effectieve tarief 19.200/21.400 x 100% = 91%.
Persoonsgebonden aftrek (H6 Wet IB 2001)
Een inkomensaftrek voor uitgaven die zijn gedaan in verband met de persoonlijke
situatie van een belastingplichtige.
Heffingskortingen (H8 Wet IB 2001)
Nadat het inkomen is vastgesteld, worden over dit bedrag de inkomstenbelasting
en de premies volksverzekeringen berekend. Op dit gezamenlijke bedrag van
belasting en premies ontvangt de belastingplichtige een korting
heffingskorting.
Loonbelasting mag op de verschuldigde inkomstenbelasting in mindering worden
gebracht. We noemen de loonbelasting ook wel een voorheffing op de
inkomstenbelasting art. 9.2 lid 1 Wet IB 2001.
De werkgever houdt iedere maand een bedrag aan loonbelasting, premies
volksverzekeringen en premies werknemersverzekeringen in op het salaris. De
werkgever is dan ook inhoudingsplichtige art. 6 t/m 8a Wet LB 1964.
In veel gevallen is de loonheffing gelijk aan de verschuldigde inkomstenbelasting
en is daarmee dan tevens de eindheffing. Het kan echter ook te laag of te hoog
zijn. In die gevallen dient de werknemer aangifte te doen.
Autokostenforfait
Voordeel valt onder loon en hierover wordt dus loonbelasting betaalt op grond
van art. 10 Wet LB 1964. Loonbegrip voor inkomstenbelasting is gelijk dus valt
ook onder IB.
Regels m.b.t. bijtelling van auto staan in art. 13bis Wet LB 1964. Een auto die
CO2 uitstoot, bedraagt 22% van de catalogusprijs van de auto. Voor volledige
elektrische auto’s bedraagt dit 16%.
Eigen woning
Het fiscale inkomen uit eigen woning wordt gevormd door het eigenwoningforfait
minus de renten op de schuld van de eigen woning art. 3.110 en 3.120 Wet IB
2001. Dit saldo is in de praktijk vrijwel altijd negatief. Negatief saldo behoort in
box 1 en kan in mindering worden gebracht.
Eigenwoningforfait art. 3.112 Wet IB 2001
Begrip eigen woning = het hoofdverblijf van de belastingplichtige op grond van
eigendomsrecht
Schulden ter verwerving van de eigen woning zijn aftrekbaar art. 3.119 en
3.123 Wet IB 2001