,verpleegkundige vaardigheden samenvatting koning 2025 editie 9789043042086
, verpleegkundige vaardigheden samenvatting koning 2025 editie 9789043042086
Hoofdstuk 1 – Infectiepreventie
1.1 Micro-organismen en besmettingswegen
Micro-organismen zijn kleine, meestal niet met het blote oog zichtbare organismen. In de zorg zijn met name
relevant:
Bacteriën
Virussen
Schimmels (gisten en dermatofyten)
Parasieten
Niet alle micro-organismen zijn schadelijk. De normale flora van huid, mond en darm speelt juist een
beschermende rol. Problemen ontstaan wanneer ziekteverwekkers (pathogenen) binnendringen in het lichaam en
zich vermenigvuldigen.
Besmettingswegen
Een infectie ontstaat via een schakelketen: bron → overdrachtsweg → ontvankelijke gastheer. Belangrijke
besmettingsroutes zijn:
Direct contact: huid-op-huidcontact.
Indirect contact: via materialen of oppervlakken.
Druppelinfectie: via hoesten, niezen of praten.
Aërogene transmissie: via kleine druppelkernen die in de lucht blijven zweven.
Fecaal-orale route: via handen, voedsel of water.
Bloed-bloedcontact: bijvoorbeeld via prikaccidenten.
Door inzicht in deze routes kan de verpleegkundige gerichte preventieve maatregelen nemen.
1.2 Ziekenhuisinfecties en resistentieproblematiek
Zorggerelateerde infecties (ook wel nosocomiale infecties genoemd) ontstaan tijdens of kort na een zorgcontact.
Veelvoorkomende voorbeelden zijn:
Urineweginfecties bij kathetergebruik
Postoperatieve wondinfecties
Luchtweginfecties bij beademing
Bloedbaaninfecties via intraveneuze lijnen
Risicofactoren zijn onder andere verminderde weerstand, invasieve handelingen, langdurige opname en
antibioticagebruik.
, verpleegkundige vaardigheden samenvatting koning 2025 editie 9789043042086
Resistentieproblematiek
Door onjuist of overmatig gebruik van antibiotica kunnen bacteriën ongevoelig worden voor behandeling.
Bekende resistente micro-organismen zijn:
Meticilline-resistente Staphylococcus aureus (MRSA)
ESBL-producerende bacteriën
VRE (vancomycine-resistente enterokokken)
Resistentie leidt tot complexere behandelingen, langere opnameduur en hogere zorgkosten. Preventie richt zich
op verantwoord antibioticabeleid, strikte hygiënemaatregelen en vroegtijdige signalering.
1.3 Handhygiëne
Handhygiëne is de meest effectieve maatregel om transmissie van micro-organismen te voorkomen. De
verpleegkundige past handhygiëne toe volgens vaste indicatiemomenten, zoals vóór en na patiëntcontact en na
contact met lichaamsvloeistoffen.
Er zijn twee methoden:
Handdesinfectie met alcoholhoudend middel
o Voorkeur in de meeste situaties
o Snelle werking
o Doodt de meeste bacteriën en virussen
Handen wassen met water en zeep
o Bij zichtbare verontreiniging
o Na contact met sporen (bijvoorbeeld bij diarree)
Correcte uitvoering vereist:
Korte, schone nagels
Geen sieraden of kunstnagels
Volledige wrijving van handpalmen, handruggen, vingertoppen en duimen
Consistentie is essentieel; incidentele naleving is onvoldoende effectief.
1.4 Persoonlijke beschermingsmiddelen
Persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM) beschermen zowel zorgverlener als patiënt tegen overdracht van
micro-organismen. De keuze hangt af van het risico op blootstelling.
Belangrijke middelen zijn:
Handschoenen
Chirurgisch mondneusmasker
FFP2-masker bij aërogene risico’s
Beschermende bril of faceshield
Schort of isolatiejas