Hoofdstuk 1: What is White-Collar Crime?
Gericht op de complexiteit van de definitie van witteboordencriminaliteit
en de historische ontwikkeling van het concept.
Inleiding en Historisch Perspectief
De term witteboordencriminaliteit (white-collar crime) werd in 1939
geïntroduceerd door de socioloog Edwin H. Sutherland. Vóór die tijd
richtte de criminologie zich bijna uitsluitend op "street crime" gepleegd
door armere bevolkingsgroepen. Sutherland bekritiseerde dit en wees op
de enorme hoeveelheid wetsovertredingen door mensen in
machtsposities.
Hoofdzaken:
Geen juridische categorie: Witteboordencriminaliteit is geen officiële
juridische term, maar een sociologisch concept dat is overgegaan in het
publieke debat.
Historische wortels: Hoewel de term nieuw was, bestond het
fenomeen al eeuwen. Voorbeelden zijn verduistering door ambtenaren
in het oude Griekenland en middeleeuwse wetten tegen het opkopen
van voorraden om prijzen op te drijven (‘engrossing’)
o Lijkt op de huidige ‘antitrust offences’: Antitrustdelicten zijn
illegale handelspraktijken die de concurrentie op een markt
beperken, verminderen of uitschakelen, wat uiteindelijk ten
koste gaat van de consument door hogere prijzen, lagere
kwaliteit of minder keuze.
De "Criminaloid": Aan het begin van de 20e eeuw beschreef E.A. Ross
de "criminaloid": gerespecteerde zakenlieden die uit winstbejag
anderen uitbuiten, maar zich voordoen als vroom en integer.
Historische anekdotes en voorbeelden laten zien dat morele
verontwaardiging over zakelijke misdragingen van alle tijden is.
Definiëring van Witteboordencriminaliteit
Er is binnen de criminologie een groot debat over hoe
witteboordencriminaliteit gedefinieerd moet worden. Er zijn 2
hoofdbenaderingen:
1. Dadergerichte benadering (Offender-based approach) NL:
wittenboordencrimi
Deze benadering volgt de definitie van Sutherland: "een misdaad
gepleegd door een persoon van respectabiliteit en hoge sociale
status in het kader van zijn beroep".
Kenmerk: De status van de dader en de beroepsmatige locatie van de
daad bepaalt of iets witteboordencriminaliteit is.
Kritiek: Als status een onderdeel van de definitie is, kun je status niet
meer gebruiken als een onafhankelijke variabele om het voorkomen
, van criminaliteit te verklaren of te voorspellen. Sociale status kan dan
niet worden gebruikt als verklarende variabele, omdat het niet
onafhankelijk van criminaliteit mag variëren.
o Ook sluit het vergelijkbare misdaden door mensen met een
lagere status (zoals een typist die aan handel met voorkennis)
uit.
o Én: de kansen op witteboordencriminaliteit zijn ongelijk
verdeeld naar geslacht, etniciteit, etniciteit en status
(patriarchy en white racial privilege). Vrouwen en
minderheden hebben minder vaak een hogere status in grote
bedrijven.
2. Delictgerichte benadering (Offense-based approach) NL: FEC
Deze benadering kijkt naar de aard van de illegale handeling zelf,
ongeacht wie de dader is. Een invloedrijke definitie is die van Edelhertz:
illegale handelingen gepleegd met niet-fysieke middelen en door
middel van verhulling of bedrog om geld, bezit of voordeel te
verkrijgen.
Kenmerk: Focus op de modus operandi (misleiding en bedrog) → op
basis van de wijze waarop het misdrijf wordt gepleegd.
Kritiek: Deze benadering kan leiden tot het bestuderen van kleine
vergrijpen door gewone mensen (zoals uitkeringsfraude), waardoor de
"misdaad van de machtigen" (waar Sutherland de aandacht op wilde
vestigen) buiten beeld raakt. Dingen als milieu-criminaliteit en andere
vormen van criminaliteit die mensen fysiek letsel toebrengen.
o Dus, deze definitie gaat in de praktijk voorbij aan de misdaden
van de machtige mensen, die het strafbaarstellingsproces
eenvoudigweg omzeilen.
Omdat deze benadering zich baseert op wetten om
witteboordencriminelen te identificeren, maakt deze
aanpak het simpelweg gemakkelijker om bepaalde
soorten overtredingen op te sporen en andere te missen.
Het "Opportunity Perspective" (Gelegenheidsperspectief)
Het centrale thema van het boek is dat witteboordencriminaliteit
afhankelijk is van gelegenheidsstructuren.
Toegang: Sociale status en beroepsposities zijn cruciaal omdat ze
toegang bieden tot specifieke technieken (zoals misleiding en misbruik
van vertrouwen) die voor gewone criminelen niet beschikbaar zijn.
o De kenmerken van de personen die deze misdrijven plegen
(hoge sociale status, respectabiliteit, elite beroepsposities.)
zijn belangrijk voor zover ze van invloed zijn op de toegang tot
de mogelijkheden om deze technieken (de modus-operandi) te
gebruiken. Hoge status → toegang tot betere bronnen en
mogelijkheden (bv makkelijker weg komen met een misdaad).
De sociale en beroepsmatige kenmerken houden
verband met de ernst van de misdrijven die daders
plegen. Wat strafbare feiten betreft, heeft ernst twee
, primaire dimensies: de schadelijkheid van het
misdrijf en de verwijtbaarheid van de dader.
Technieken: Sutherland stelde dat de meeste witteboordendelicten
voortkomen uit:
o 1. Misleidende weergave van de waarde van activa
(misrepresentation);
o 2. Dubbelspel/dubbelhartigheid in de manipulatie van macht
(duplicity)
Waarbij men zich beter of anders voordoet dan men
werkelijk is, onoprecht, achterbaks, hypocriet.
Meten en Controle
Het kwantificeren van witteboordencriminaliteit is lastig door:
1. Conceptuele verschillen: wat wordt gezien als
wittenboordencriminaliteit hangt af van de definitie die wordt
gehanteerd, de offender-based of offence-based definitie. Bij offender-
based alleen hoge status en beroepsgerelateerd (en dus minder
gevallen), bij offence-based juist heel veel getallen, niet allemaal van
hoge status en dus minder representatief.
2. Verspreide data: Er is geen centrale instantie die alles bijhoudt; data
zit verspreid over verschillende instanties zoals de SEC
(beurswaardepapieren) of de EPA (milieu).
3. Verschillende rechtssystemen: Overtredingen kunnen worden
afgehandeld via het strafrecht, het burgerlijk recht (civiel) of het
bestuursrecht (regulatory). Zo wordt vergelijken en verdelen van
overtredingen tussen straatcriminaliteit en wittenboordencriminaliteit
moeilijk en ongepast in dit opzicht.
4. Organisaties als daders: Zowel individuen als hele bedrijven kunnen
vervolgd worden, wat het tellen van "delicten" en “overtreders”
bemoeilijkt.
Hoofdstuk 2: Who Is the White-Collar Offender?
Gericht op wie de witteboordencrimineel is en gericht op de
demografische kenmerken en criminele carrières van daders op basis van
empirisch onderzoek.
Benaderingen van de Witteboordendader
Er zijn twee manieren om naar de dader te kijken:
Dadergerichte benadering (Offender-based) (Sutherland): De
dader is een persoon met een hoge sociale status en respectabiliteit die
de misdaad pleegt tijdens zijn beroepsuitoefening. Volgens Sutherland
waren dit destijds voornamelijk witte mannen van middelbare leeftijd in
managementposities (business managers and executives).
Delictgerichte benadering (Offence-based) (Edelhertz): De focus
ligt op de aard van het delict: vermogensdelicten gepleegd via niet-
fysieke middelen, verhulling en misleiding. Deze benadering laat toe
, dat daders uit alle sociale klassen bestudeerd worden, zolang de modus
operandi overeenkomt.
Het Gelegenheidsperspectief (Opportunity Perspective):
toegang tot specifieke beroepsposities is de cruciale variabele.
Kenmerken zoals etniciteit, geslacht en leeftijd bepalen wie toegang
krijgt tot deze posities en daarmee tot de gelegenheid om specifieke
witteboordendelicten te plegen
De Yale-studies: het empirisch profiel van de dader
Uitgevoerd door Wheeler et. al. in de jaren '70 voerde Stanton Wheeler
naar daders van acht federale delicten (de ‘criterion offences’) uit 7
federale districten:
1. Overtredingen van effectenwetgeving (handelen met voorkennis)
2. Overtredingen van antitrustwetgeving (misbruik
machtspositie/prijsafspraken)
3. Omkoping
4. Verduistering door banken
5. Post- en telegraaffraude (phishing scam)
6. Belastingfraude
7. Valse claims en verklaringen
8. Fraude door krediet- en kredietinstellingen (vals verkrijgen lening of
krediet)
Er is vergelijkend onderzoek uitgevoerd onder iets andere districten en
net iets andere federale delicten door Forst & Rhodes, met
vergelijkbare bevindingen over het profiel van de
wittenboordencriminelen.
Profiel wittenboordencriminelen
Demografische kenmerken
Status: In tegenstelling tot het stereotype van de "elite", blijken de
meeste veroordeelde daders middenklasse te zijn.
o Meer dan 70% is geen universitair afgestudeerde, dus niet altijd
‘highly educated’. Niet in lijn met Sutherland, want high
education is een indicator van hoge sociale status → belangrijk
verschil met het stereotype beeld wat mensen hebben.
Geslacht en etniciteit: Witteboordendaders zijn vaker man (ca.
90%) en wit (ca. 82%) vergeleken met de algemene bevolking en
straatcriminelen.
Leeftijd: De gemiddelde leeftijd is ongeveer 40 jaar, wat aanzienlijk
ouder is dan de gemiddelde straatcrimineel (30 jaar).
Sociaal-economisch: Ze zijn vaker getrouwd, bezitten vaker een
eigen huis en zijn vaker werkzaam op het moment van het delict dan
de gemiddelde burger of straatcrimineel. 40% had vóór hun
veroordeling geen vaste baan.
Variatie per delict