KA: de industriële revolutie in de westerse wereld legde basis voor een industriële
samenleving.
Oorzaak Industriële revolutie die in Engeland begon → ondernemers die winst wilden
maken, staken geld in machines. Het kapitalisme breidde zich uit van handel naar
industrie. Vanaf de 18e eeuw verbeterden de landbouwmethodes → meer monden
kunnen voeden → bevolkingsgroei → minder arbeid nodig op het land → meer
arbeiders beschikbaar voor industrie.
Door technologische vooruitgang werden vervoersmogelijkheden verbeterd
(transportrevolutie). Zo ontstonden er verbindingen met het buitenland.
Vanaf 1850 verspreidde de revolutie zich naar de VS, Europa en Japan. Dit wordt
ook wel de tweede revolutie genoemd, omdat er vooral aan het eind van de eeuw
veel veranderde → er ging staal, chemie en elektrotechniek gebruikt worden.
James Watt → uitvinder stoommachine.
De Industriële revolutie betekende grote veranderingen voor de maatschappij.
Steden groeiden hard en rond fabrieken ontstonden nieuwe steden.
KA: de opkomst van politiek-maatschappelijke stromingen: liberalisme, socialisme,
nationalisme, confessionalisme en feminisme.
Rond 1815 ontstond het liberalisme, liberalisten willen:
Een constitutionele monarchie
Burgerrechten
Iedereen gelijk voor de wet
Regering ondergeschikt aan volksvertegenwoordiging
Individuele vrijheden/economische vrijheid
Het liberalisme was sterk verbonden met het nationalisme. Nationalisten geloofden
dat alle volken recht hebben op een eigen natiestaat. Nationalisten verlangden naar
eenheid en onafhankelijkheid van naties.
Rond dezelfde tijd kwam het socialisme op:
Gelijkheid
Opkomen voor onderdrukten
Strijd tegen machts- en inkomensverschillen
Het liberalisme, nationalisme en socialisme kwamen voor uit de verlichting.
Tegenover deze drie stromingen staat het conservatisme → vrijheid en gelijkheid
zijn gevaarlijk. Het is voor iedereen het beste als het kerk, adel, monarchie en leger
de leiding hebben.
Volksopstanden van mensen die democratische ideeën aanhingen, namen toe en
konden op een gegeven moment niet meer worden genegeerd door leiders.
Vanaf 1871 groeide een agressief nationalisme in Europese landen. Historische
gebeurtenissen en overwinningen van de eigen natie werden herdacht.
Vanaf 1870 groeide het socialisme door de grote industriële arbeidersklasse die
ontevreden was over de leefomstandigheden. Aanhangers van Karl Marx wilden een