De kandidaat kan de definitie, eigenschappen en de functie van organische stof en humus noemen....................................................................4
De kandidaat kan van de hoofdgrondsoorten (zeeklei, zand, veen, rivierklei, löss) de eigenschappen noemen en waar ze te vinden zijn in
Nederland..............................................................................................................................................................................................................5
De kandidaat kan het begrip watervasthoudend vermogen in relatie tot de hoofdgrondsoorten uitleggen. ............................................................8
De kandidaat kan bij een afbeelding van een bodemprofiel het bodemtype (veen-, podzol, brik-eerd en ..............................................................9
De kandidaat kan soorten bodemwater (hangwater, kwelwater, grondwater, capillair water) van een afbeelding herkennen en de eigenschappen
noemen. ..............................................................................................................................................................................................................10
De kandidaat kan de onderdelen van de waterketen noemen (drinkwater, afvalwater, etc.). ...............................................................................11
De kandidaat kan de successiestadia in de juiste volgorde noemen....................................................................................................................12
De kandidaat kan bij een foto of beschrijving het successiestadium herkennen aan de hand van de aanwezige begroeiing ...............................13
De kandidaat kan de relatie tussen de begroeiing en het (macro en micro) klimaat uitleggen. ............................................................................14
De kandidaat kan de werking van de voedselkringloop en de verschillende rollen (producenten, consumenten en reducenten) uitleggen en kan
een gevolg noemen als een onderdeel wordt weggenomen. ...............................................................................................................................14
De kandidaat kan uitleggen wat symbiose is en voorbeelden hiervan uit de ecologie herkennen. .......................................................................15
De kandidaat kan de effecten van klimaatsverandering op flora en fauna noemen. .............................................................................................16
De kandidaat kan de beheermogelijkheden van de verschillende successiestadia noemen: methodes, tijdstippen en periodes en aangeven wat
pioniergroei stimuleert en wat pioniergroei beperkt (zoals onderhoudsmaatregelen). ..........................................................................................17
De kandidaat kan het doel en voor- en nadelen van verschillende ecologische verbindingszones noemen.........................................................19
De kandidaat kan de fasen van de waterkringloop uitleggen ...............................................................................................................................20
De kandidaat kan de aandachtspunten bij het beheer van beken, sloten, poelen en vennen noemen en de begrippen NAP en KRW uitleggen. 21
De kandidaat kan de waterkwaliteit beoordelen aan de hand van pH, EC en aan- of afwezigheid van macrofauna. ...........................................22
De kandidaat kan de kenmerken van oligotrofe, mesotrofe en eutrofe ecosystemen noemen .............................................................................23
De kandidaat kan het effect van waterberging op het natuurgebied noemen .......................................................................................................23
,De kandidaat kan uitleggen wat retentiegebieden zijn, kent het doel van retentiegebieden en kan een retentiegebied herkennen. .....................24
De kandidaat kan maatregelen noemen om (effecten van) droogte/hittestress of wateroverlast te beperken of te voorkomen ............................25
De kandidaat kan noemen waarvoor de afkortingen N, P, K, Ca, Mg, Na, S staan en kan de functie van de hoofdelementen N, P en K noemen.
............................................................................................................................................................................................................................30
De kandidaat kan de verschillen tussen organische meststoffen en anorganische meststoffen noemen. ............................................................31
De kandidaat kan het effect van de pH-waarde, storende lagen en organische stof op de bodemkwaliteit en de begroeiing noemen .................31
De kandidaat kan voor een omschreven situatie uitleggen wat geschikte maatregelen zijn voor verbetering van de bodemkwaliteit...................32
De kandidaat kan voor een omschreven situatie de voor- en nadelen van het materieel dat ingezet kan worden noemen, zoals berijdbaarheid
bodem, bodemverdichting ...................................................................................................................................................................................33
De kandidaat kan de gevolgen van bodemverdichting op de korte en op de lange termijn noemen.....................................................................33
De kandidaat kan de gedragscodes op grond van de geldende wet- en regelgeving toepassen op voorkomende werkzaamheden. ..................34
Overzicht werkzaamheden ..................................................................................................................................................................................37
De kandidaat kan bij een foto van een dier van de soortenlijst de Nederlandse naam noemen ...........................................................................40
De kandidaat kan de vaste rust- en verblijfplaatsen (dieren) noemen van de beschermde soorten op de soortenlijst aangegeven met * ............57
De kandidaat kan de belangrijkste aantastingen en gebreken herkennen (zie soortenlijst) en kan maatregelen noemen om gevaarlijke situaties
voor mens en dier in de omgeving te voorkomen ................................................................................................................................................62
De kandidaat kan de invasieve planten- en dierensoorten op de soortenlijst herkennen en het effect van de invasieve soort op de gezondheid
en de inheemse flora en fauna uitleggen. ............................................................................................................................................................65
De kandidaat kan de groeiplaatsen (planten) noemen van de beschermde soorten op de soortenlijst aangegeven met * ...................................69
De kandidaat kan de aandachtspunten met betrekking tot onderhoud en beheer bij de bomen en struiken van de soorten op de soortenlijst
noemen. ..............................................................................................................................................................................................................70
De kandidaat kan bij een foto van een kruidachtige in bloei de Nederlandse naam noemen en bij de andere soorten van de floralijst vanuit
verschillende jaargetijden de wetenschappelijke naam en kan benoemen waarom bepaalde flora op specifieke plaatsen groeit (indicatoren
PNV) ...................................................................................................................................................................................................................86
, De kandidaat kan de definitie, eigenschappen en de functie van organische stof en humus noemen
Organische stof (OS) is al het organisch materiaal in de bodem dat afkomstig is van planten, dieren en micro-organismen, in verschillende
stadia van afbraak. Voorbeelden: wortelresten, bladresten, mest, microbieel biomassa.
Humus is het stabiele, verregaand afgebroken deel van organische stof dat niet verder snel mineraliseert.
Organische stof = totaal aan organisch materiaal
Humus = stabiele fractie van organische stof
Begrip Eigenschappen Functies
Organische stof • Donkere kleur Structuurverbetering
• Verhoogt kationenuitwisselingscapaciteit Nutriëntenbuffer
(CEC) Waterbuffer
• Verhoogt waterbergend vermogen Stimuleren bodemleven
• Bevordert aggregaatvorming Verhogen weerbaarheid tegen droogte
• Veel voedingsstoffen opgeslagen,
verbetert de structuur
• Energiebron voor bodemleven
• voedingsstoffen klaarleggen die omgezet
kunnen worden tot humus
Humus • Zeer stabiel Langdurige bodemvruchtbaarheid
• Donker van kleur Buffer tegen pH-schommelingen
• Hoge CEC Structuurstabiliteit
• Houdt water en nutriënten vast
• Stimuleert bodemleven
• Breekt langzaam af zodat
voedingsstoffen vrijkomen voor planten
(Mineralisatie)
Kennisexamen Pagina 4 van 113
Ecologie & Wildlife