Week 11
1. De student kan de functies en kwaliteitskenmerken van externe verslaggeving onderkennen en
relaties aangeven met andere vakgebieden.
Functies:
Verantwoording (t.b.v. de kapitaalverschaffers)
Informatieverstrekking (t.b.v. alle belanghebbenden)
Kwaliteitskenmerken:
Begrijpelijkheid
Relevantie
Betrouwbaarheid
Vergelijkbaarheid
Binnen landen van de EU zijn twee sets regelgeving voor externe verslaggeving, namelijk:
Niet-beursgenoteerde ondernemingen vallen onder de nationale wetgeving van de lidstaten
Boek 2 Titel 9 BW
o RJ (Richtlijnen voor Jaarverslaggeving), heeft geen juridische status, maar vullen
de door de wet opengelaten zaken
o Dutch-GAAP (Dutch Generally Accepted Accounting Principles) Boek 2 Titel 9 BW +
de RJ’s: de Nederlandse verslaggevingsvoorschriften
Beursgenoteerde ondernemingen (geconsolideerde jaarrekening), hiervoor gelden de
International Financial Reporting Standards (IFRS)
2. De student kan onderscheid maken tussen interne en externe informatieverschaffing, zodanig
dat hij het doel van de informatieverschaffing voor belanghebbenden kan aangeven.
Intern Extern
Stakeholders Directeur Accountant
Management Belastingdienst
Informatiebehoefte Omzetaantallen Jaarrekening
Ziekteverzuim Te betalen vpb/IB/LB
3. De student kan het onderscheid tussen het economisch- en het boekhoudkundig waardebegrip
aangeven, zodanig dat hij het vermogen en de winst volgens deze twee benaderingswijzen kan
vaststellen.
Economisch waardebegrip
Gaat uit van de indirecte opbrengstwaarde. Bedrijfswaarde = indirecte opbrengstwaarde: de
contante waarde van de toekomstige netto-ontvangsten/netto kasstromen uit hoofde van de te
produceren goederen en/of diensten. De netto-ontvangsten dienen contant te worden gemaakt
tegen de voor de onderneming geldende vermogenskostenvoet.
Op het moment van aanschaf van de productiemiddelen ontstaat een aanvangswinst die gelijk is
aan het verschil tussen de bedrijfswaarde en het investeringsbedrag. Latere winsten ontstaan
alleen door het verstrijken van de tijd.
, Boekhoudkundig waardebegrip
Gaat uit van waardering van individuele activa, uitgaande van in eerst instantie inkoopprijzen.
Saldo van opbrengsten – kosten door vermogensvergelijking. Gericht op de toekomst dus niet
geschikt voor verantwoording t.a.v. het verleden.
4. De student kan een oordeel geven over de relevantie en betrouwbaarheid van het economisch-
en het boekhoudkundig waardebegrip, zodanig dat hij de waarde van deze twee begrippen voor de
externe verslaggeving kan aangeven.
Economisch waardebegrip: de cijfers die het economisch waardebegrip oplevert, zijn zeer relevant.
De betrouwbaarheid is minder omdat het is gebaseerd op toekomstverwachtingen.
Boekhoudkundig waardebegrip: de relevantie is veel geringer. De betrouwbaarheid is echter groter,
doordat wordt uitgegaan van werkelijke afzetcijfers en gehanteerde en betaalde prijzen, is de
waardering en winstbepaling objectiever en daardoor veel beter controleerbaar.
5. De student kan de ontwikkelingen binnen het boekhoudkundig waardebegrip aangeven, zodanig
dat een rapportage tot stand komt met relevante informatie.
Relevantie versus betrouwbaarheid
Verkleinen kloof tussen waardebegrippen (value gap)
Meer activa on-balance
Toepassen van fair value bij waardering
Strenge eisen ten aanzien van voorzieningen
1. De student kan de functies en kwaliteitskenmerken van externe verslaggeving onderkennen en
relaties aangeven met andere vakgebieden.
Functies:
Verantwoording (t.b.v. de kapitaalverschaffers)
Informatieverstrekking (t.b.v. alle belanghebbenden)
Kwaliteitskenmerken:
Begrijpelijkheid
Relevantie
Betrouwbaarheid
Vergelijkbaarheid
Binnen landen van de EU zijn twee sets regelgeving voor externe verslaggeving, namelijk:
Niet-beursgenoteerde ondernemingen vallen onder de nationale wetgeving van de lidstaten
Boek 2 Titel 9 BW
o RJ (Richtlijnen voor Jaarverslaggeving), heeft geen juridische status, maar vullen
de door de wet opengelaten zaken
o Dutch-GAAP (Dutch Generally Accepted Accounting Principles) Boek 2 Titel 9 BW +
de RJ’s: de Nederlandse verslaggevingsvoorschriften
Beursgenoteerde ondernemingen (geconsolideerde jaarrekening), hiervoor gelden de
International Financial Reporting Standards (IFRS)
2. De student kan onderscheid maken tussen interne en externe informatieverschaffing, zodanig
dat hij het doel van de informatieverschaffing voor belanghebbenden kan aangeven.
Intern Extern
Stakeholders Directeur Accountant
Management Belastingdienst
Informatiebehoefte Omzetaantallen Jaarrekening
Ziekteverzuim Te betalen vpb/IB/LB
3. De student kan het onderscheid tussen het economisch- en het boekhoudkundig waardebegrip
aangeven, zodanig dat hij het vermogen en de winst volgens deze twee benaderingswijzen kan
vaststellen.
Economisch waardebegrip
Gaat uit van de indirecte opbrengstwaarde. Bedrijfswaarde = indirecte opbrengstwaarde: de
contante waarde van de toekomstige netto-ontvangsten/netto kasstromen uit hoofde van de te
produceren goederen en/of diensten. De netto-ontvangsten dienen contant te worden gemaakt
tegen de voor de onderneming geldende vermogenskostenvoet.
Op het moment van aanschaf van de productiemiddelen ontstaat een aanvangswinst die gelijk is
aan het verschil tussen de bedrijfswaarde en het investeringsbedrag. Latere winsten ontstaan
alleen door het verstrijken van de tijd.
, Boekhoudkundig waardebegrip
Gaat uit van waardering van individuele activa, uitgaande van in eerst instantie inkoopprijzen.
Saldo van opbrengsten – kosten door vermogensvergelijking. Gericht op de toekomst dus niet
geschikt voor verantwoording t.a.v. het verleden.
4. De student kan een oordeel geven over de relevantie en betrouwbaarheid van het economisch-
en het boekhoudkundig waardebegrip, zodanig dat hij de waarde van deze twee begrippen voor de
externe verslaggeving kan aangeven.
Economisch waardebegrip: de cijfers die het economisch waardebegrip oplevert, zijn zeer relevant.
De betrouwbaarheid is minder omdat het is gebaseerd op toekomstverwachtingen.
Boekhoudkundig waardebegrip: de relevantie is veel geringer. De betrouwbaarheid is echter groter,
doordat wordt uitgegaan van werkelijke afzetcijfers en gehanteerde en betaalde prijzen, is de
waardering en winstbepaling objectiever en daardoor veel beter controleerbaar.
5. De student kan de ontwikkelingen binnen het boekhoudkundig waardebegrip aangeven, zodanig
dat een rapportage tot stand komt met relevante informatie.
Relevantie versus betrouwbaarheid
Verkleinen kloof tussen waardebegrippen (value gap)
Meer activa on-balance
Toepassen van fair value bij waardering
Strenge eisen ten aanzien van voorzieningen