Inleiding Recht H1
1.2 Vier functies van recht:
1. Normatieve functie ( de
gedragsregels waar elke
NL’er zich aan moet houden)
+ Deze wetten kunnen
door de jaren veranderen
door trend veranderingen
2. Geschiloplossende
functie ( de gerechtelijke
macht die besluit of iemand
moet worden gestraft en zo
ja op welke manier.
Procederen: wanneer je als
burger zelf naar de rechter
stapt.
3. Additionele functie/ aanvullende functie (bij een geschil kijken naar wie de wetgeving
gelijk heeft)
+. Staat er in het contract andere afspraken dan worden deze gehanteerd in deze functie
+. Belangrijk! Art. 7:10 lid 1 WB : De zaak is voor risico koper van de aflevering af, zelfs
al is de eigendom nog niet overgedragen. Derhalve blijft hij de koopprijs verschuldigd,
ongeacht tenietgaan of achteruitgang van de zaak door oorzaak die niet door de verkoper
kan worden toegerekend.
4. Instrumentele functie ( de functie hakt de knoop door in bepaalde onderwerpen)
Bijv. de verkeersregels op de weg
1.3 rechtsbronnen ( wanneer recht en het
maatschappelijk leven met elkaar te maken hebben)
- De wet - www.wetten.nl
1.4 Onderscheidingen binnen recht
In het materieel recht wordt bepaald hoe (rechts)personen zich naar elkaar toe
moeten gedragen in hun onderlinge verkeer. Tegenover het materieel recht staat
het formeel recht, ofwel procesrecht. Formeel recht betreft de wijze
waarop materieel recht wordt gehandhaafd.
, Inleiding Recht H1
Formeel recht: de manier waarop het
materieel recht kan worden
‘afgedwongen’; procesrecht (vorm).
Materieel: geboden en verboden, rechten
en plichten; inhoud
Zij hebben geen macht om formele wetten
te vormen en hanteren dus materiele
wetgeving naast de formele wetgeving.
Privaat recht/ civiel-burgerlijk recht (Burgers/bedrijven onderling)
1. personen of familierecht: Alles van geboorte, huwelijk tot adoptie en scheiding ect.
2. vermogensrecht: Alles wat met een geldkwestie tussen burgers onderling te maken heeft.
Bijv. het tegen een auto aan rijden
3. Ondernemersrecht: Het recht dat alles voor ondernemers en bedrijven regelt. Het kiezen
van vennootschap, eenmanszaak ect.
Publieksrecht (de overheid/ burgers )
1. Strafrecht: Het OM bepaald of een burger
aangeklaagd word voor een strafbaar feit. Dit is
dus de overheid tegen de burger. Dit kan met
boetes, gevangenisstraf ect. Het OM bezit hierin
een monopoliepositie (alleen het OM kan tot
vervolging van straf overgaan)
2. Staatsrecht: De organisatie van de overheid.
Verhouding tussen overheidsinstanties onderling.
Nieuwe wetten. Hierbij word de grondwet (de
basisregels voor NL) altijd als basis genomen.
- Horizontale spreiding/ centrale
(v.d. staatsmacht)
- l’Esprit des Lois, 1748 (!), wederzijdse control
- NL Thorbecke, grondwet 1848
1. Wetgevend (1e+2e kamer, regering)
2. Uitvoerend (regering, lagere overheid, OM)
3. Rechtsprekend (rechter)
- Verticale spreiding/ decentralisatie
1.2 Vier functies van recht:
1. Normatieve functie ( de
gedragsregels waar elke
NL’er zich aan moet houden)
+ Deze wetten kunnen
door de jaren veranderen
door trend veranderingen
2. Geschiloplossende
functie ( de gerechtelijke
macht die besluit of iemand
moet worden gestraft en zo
ja op welke manier.
Procederen: wanneer je als
burger zelf naar de rechter
stapt.
3. Additionele functie/ aanvullende functie (bij een geschil kijken naar wie de wetgeving
gelijk heeft)
+. Staat er in het contract andere afspraken dan worden deze gehanteerd in deze functie
+. Belangrijk! Art. 7:10 lid 1 WB : De zaak is voor risico koper van de aflevering af, zelfs
al is de eigendom nog niet overgedragen. Derhalve blijft hij de koopprijs verschuldigd,
ongeacht tenietgaan of achteruitgang van de zaak door oorzaak die niet door de verkoper
kan worden toegerekend.
4. Instrumentele functie ( de functie hakt de knoop door in bepaalde onderwerpen)
Bijv. de verkeersregels op de weg
1.3 rechtsbronnen ( wanneer recht en het
maatschappelijk leven met elkaar te maken hebben)
- De wet - www.wetten.nl
1.4 Onderscheidingen binnen recht
In het materieel recht wordt bepaald hoe (rechts)personen zich naar elkaar toe
moeten gedragen in hun onderlinge verkeer. Tegenover het materieel recht staat
het formeel recht, ofwel procesrecht. Formeel recht betreft de wijze
waarop materieel recht wordt gehandhaafd.
, Inleiding Recht H1
Formeel recht: de manier waarop het
materieel recht kan worden
‘afgedwongen’; procesrecht (vorm).
Materieel: geboden en verboden, rechten
en plichten; inhoud
Zij hebben geen macht om formele wetten
te vormen en hanteren dus materiele
wetgeving naast de formele wetgeving.
Privaat recht/ civiel-burgerlijk recht (Burgers/bedrijven onderling)
1. personen of familierecht: Alles van geboorte, huwelijk tot adoptie en scheiding ect.
2. vermogensrecht: Alles wat met een geldkwestie tussen burgers onderling te maken heeft.
Bijv. het tegen een auto aan rijden
3. Ondernemersrecht: Het recht dat alles voor ondernemers en bedrijven regelt. Het kiezen
van vennootschap, eenmanszaak ect.
Publieksrecht (de overheid/ burgers )
1. Strafrecht: Het OM bepaald of een burger
aangeklaagd word voor een strafbaar feit. Dit is
dus de overheid tegen de burger. Dit kan met
boetes, gevangenisstraf ect. Het OM bezit hierin
een monopoliepositie (alleen het OM kan tot
vervolging van straf overgaan)
2. Staatsrecht: De organisatie van de overheid.
Verhouding tussen overheidsinstanties onderling.
Nieuwe wetten. Hierbij word de grondwet (de
basisregels voor NL) altijd als basis genomen.
- Horizontale spreiding/ centrale
(v.d. staatsmacht)
- l’Esprit des Lois, 1748 (!), wederzijdse control
- NL Thorbecke, grondwet 1848
1. Wetgevend (1e+2e kamer, regering)
2. Uitvoerend (regering, lagere overheid, OM)
3. Rechtsprekend (rechter)
- Verticale spreiding/ decentralisatie