Wat is sociale psychologie?
Psychologie is de wetenschappelijke studie naar het gedrag en het innerlijke leven (gedachten en gevoelens)
van mensen.
Sociale psychologie is de wetenschappelijke studie naar de manier waarop de gedachten, gevoelens en het
gedrag van mensen worden beïnvloed door de aanwezigheid van anderen. Deze invloed kan zijn:
▪ Werkelijk (expliciet): anderen zijn fysiek aanwezig.
▪ Ingebeeld (impliciet): anderen worden mentaal voorgesteld.
Sociale invloed: het effect dat de woorden, daden of alleen al de aanwezigheid van andere mensen hebben op
onze gedachten, gevoelens, houdingen of gedrag.
Construct: de manier waarop mensen de sociale wereld waarnemen, begrijpen en interpreteren.
Perspectieven in de sociale psychologie
Evolutionair perspectief
Het evolutionair perspectief verklaart sociaal gedrag door te kijken hoe genetische factoren over de eeuwen
heen zijn aangepast om de overlevings- en voortplantingskansen te vergroten. Dit gebeurt via natuurlijke
selectie: het proces waarbij belangrijke eigenschappen die gunstig zijn voor de overleving worden
doorgegeven aan het nageslacht.
Hoe helpt evolutie om menselijk gedrag te verklaren?
▪ Mensen vertonen overeenkomsten met andere dieren.
▪ Sommige gedragingen en gewoonten zijn universeel.
Socio-cultureel perspectief
Het socio-cultureel perspectief verklaart sociaal gedrag door te kijken naar de invloed van grotere sociale
groepen. Cross-cultureel onderzoek: vergelijkt culturen om te onderzoeken of gedrag en variabelen universeel
zijn of juist cultuurspecifiek.
Hoe helpt cultuur om menselijk gedrag te verklaren?
▪ Gedrag, gewoonten en tradities verschillen per culturele context.
Sociaal leren perspectief
Het sociaal leren perspectief verklaart sociaal gedrag door te kijken hoe leerervaringen in het verleden
toekomstig gedrag voorspellen.
Hoe helpt sociaal leren om menselijk gedrag te verklaren?
▪ Mensen zijn geneigd om gedrag te imiteren van rolmodellen.
,Persoon X Situatie
Wat bepaalt ons gedrag?
Kurt Lewin stelde dat je het gedrag van een mens nooit alleen B (Behavior) = gedrag
kan wijten aan die persoon; je moet altijd rekening houden met f (function) = wordt bepaald door
de situatie waarin de persoon zich bevindt. P (Person) = persoon
E (Environment) = omgeving / situatie
B = f (P X E)
Interacties tussen persoon en situatie:
▪ Persoon X Omgeving – Waar je bent opgegroeid en je achtergrond vormen wie je bent.
▪ Persoon X Situatie – Aanwezigheid van anderen, sociale normen en context beïnvloeden je gedrag.
▪ Situatie X Persoon – Personen kunnen ook de situatie beïnvloeden.
Gestalt psychologie
Gestalt psychologie bestudeert de subjectieve manier waarop mensen objecten en gebeurtenissen
waarnemen. Wat we zien, is niet alleen een optelsom van losse elementen, maar een geheel dat door de geest
wordt gevormd.
Naïef Realisme
Naïef realisme is de overtuiging dat de werkelijkheid precies is zoals wij die zelf waarnemen, waardoor
mensen hun eigen interpretatie als objectief beschouwen en verschillen in waarneming tot conflicten kunnen
leiden.
Basale Menselijke Motieven
Mensen worden gestuurd door twee basale motieven:
▪ Zelf-verbeteringsmotief: de behoefte om een positief zelfbeeld en zelfvertrouwen te behouden.
▪ Accuraatheidsmotief: de behoefte om een concreet en realistisch beeld van onszelf te hebben.
Deze twee motieven zijn vaak in strijd met elkaar. Om een positief zelfbeeld te beschermen, gebruikt het brein
verschillende cognitieve illusies:
▪ Beter-dan-gemiddeld effect: de neiging om eigen capaciteiten te overschatten.
▪ Onrealistisch optimisme: het onderschatten van negatieve gebeurtenissen en het overschatten van
positieve gebeurtenissen.
▪ Vals consensus effect: eigen tekortkomingen als normaal en algemeen beschouwen.
▪ Vals uniciteitseffect: eigen sterke punten als uniek zien.
Deze illusies helpen ons een goed gevoel te behouden, maar kunnen ook leiden tot misverstanden en
problemen in sociale interacties.
,HC2 – METHODOLOGIE
Sociale psychologie in crisis
Methodologie is relevant in de sociale psychologie omdat het vakgebied kampt met drie grote problemen:
1. Imago – ‘Gezond verstand’
▪ Sociale psychologie wordt vaak gezien als voor de hand liggend.
▪ Dit komt door hindsight bias: achteraf lijkt een resultaat logisch en voorspelbaar.
▪ In de werkelijkheid zijn veel bevindingen niet vanzelfsprekend vooraf.
2. Slechte onderzoekspraktijken – Replicatiecrisis
▪ Voorbeeld Diederik Stapel (wetenschapsfraude, data manipulatie).
▪ Replicatiecrisis: veel studies konden niet worden gerepliceerd.
▪ Oorzaken → fraude, slechte methodologie, p-hacking.
▪ Oplossingen → replicaties, meta-analyses, Open Science.
3. Onethisch onderzoek – Jaren 60/70
▪ Voorbeeld Stanley Milgram en Philip Zimbardo
▪ Deelnemers liepen psychische schade op.
▪ Tegenwoordig zijn er ethische regels:
▪ Informed consent
▪ Beperken van misleiding
▪ Bescherming van deelnemers
▪ Vertrouwelijkheid
▪ Debriefing
▪ Ethische commissie → Institutional Review Board
Theorieën testen
Stappen in wetenschappelijk onderzoek
1. Onderzoeksvraag: een vraag die je met wetenschappelijk onderzoek wilt beantwoorden.
2. Theorie: een verzameling gerelateerde aannames en voorspellingen om gebeurtenissen te verklaren.
3. Hypothese: een concrete, toetsbare voorspelling gebaseerd op een theorie.
4. Studie: onderzoek waarin de hypothese wordt getest.
Onderzoeksuitkomsten meten
Manieren om data te verzamelen:
▪ Archiefanalyse – gebruik van bestaande data (bijvoorbeeld CBS, kranten, apps).
▪ Observaties – natuurlijk gedrag in een natuurlijke omgeving observeren (veldonderzoek).
▪ Surveys – vragenlijsten.
,Onderzoeksmethoden
Correlationele Methode
De correlationele methode onderzoekt de natuurlijke samenhang tussen variabelen, zonder één van die
variabelen te beïnvloeden.
Correlatiecoëfficiënt: loopt van -1 tot +1 en geeft de sterkte en richting van het verband aan.
+1 Perfecte positieve correlatie
(komt in de praktijk niet voor)
-1 Perfecte negatieve correlatie
(komt in de praktijk niet voor)
0 Geen correlatie
Geen uitspraken over oorzaak-gevolg, alleen
over samenhang.
Experimentele Methode
Bij de experimentele methode worden deelnemers willekeurig toegewezen aan condities. De onderzoeker
manipuleert één variabele en meet een andere. Groot voordeel → uitspraken over causaliteit.
▪ Onafhankelijke variabele (OV): gemanipuleerd, veronderstelde oorzaak.
▪ Afhankelijke variabele (AV): gemeten, veronderstelde gevolg.
▪ Controle conditie: geen manipulatie, laat natuurlijk gedrag zien.
Onderzoekers kijken of gevonden verschillen statistisch significant zijn, waarbij de p-waarde aangeeft hoe
groot de kans is dat het resultaat op toeval berust; deze waarde is idealiter kleiner dan 0.05 (maar nooit 0).
HC3 – SOCIALE COGNITIE
De structuur van kennis
Sociale cognitie
Sociale cognitie verwijst naar de manier waarop mensen over zichzelf en over de sociale wereld denken. Het
gaat erom hoe mensen sociale informatie selecteren, interpreteren, onthouden en gebruiken om oordelen en
sociale beslissingen te maken.
Onze hersenen zijn zeer complex en bevatten enorme hoeveelheden kennis over allerlei onderwerpen. Om
hiermee om te gaan, gebruiken we slimme systemen die ons helpen bij het nemen van sociale beslissingen.
Eén van die systemen bestaat uit schema’s.
, Schema’s
Een schema is een georganiseerde bundel van kennis over een bepaald onderwerp (personen, objecten of
gebeurtenissen). Alle kennis in ons brein is georganiseerd in dit soort ‘hokjes’. We hebben er veel, maar ze zijn
niet allemaal tegelijk actief, dit zou te vermoeiend zijn voor het brein.
▪ Chronisch toegankelijke schema’s:
Schema’s die altijd actief zijn, zoals het zelfconcept en kennis over belangrijke personen of interesses.
Soms onbedoeld actief, bijvoorbeeld bij gedachteonderdrukking (white bear effect).
▪ Tijdelijke geactiveerde schema’s (priming):
Schema’s die kort actief worden door een ervaring of relevantie en zo perceptie sturen. Veel priming-
effecten zijn echter slecht repliceerbaar (voorbeeld product placement).
Gevolgen van schema’s
▪ Perseveratie effect: overtuigingen blijven bestaan, zelfs wanneer we nieuwe informatie krijgen die
deze overtuigingen tegenspreekt.
▪ Confirmation bias: mensen zoeken vooral naar informatie die hun bestaande overtuigingen bevestigt.
Informatie die het tegendeel bewijst krijgt weinig aandacht. Op deze manier blijven onze oordelen en
ideeën in stand, en is het moeilijk om ervan af te komen.
▪ Self-fulfilling prophecy: ontstaat wanneer verwachtingen over iemand (of over jezelf) gedrag
oproepen dat deze verwachtingen bevestigt. De voorspelling komt uit, niet omdat ze waar was, maar
omdat het eigen gedrag dit resultaat veroorzaakt.
Schema’s kunnen ook leiden tot simplistische kijk op de wereld, vooral in intergroepcontexten. Dit kan
bijdragen aan stereotypering en discriminatie.
Automatisch denken
Twee systemen van denken
1. Gecontroleerd denken:
Hierbij probeer je bewust een goede en weloverwogen beslissing te nemen. Dit systeem
is langzaam, zorgvuldig en bewust. Nadeel is dat het veel moeite en mentale capaciteit
kost en dat mensen er niet altijd de motivatie of energie voor hebben.
2. Automatisch denken:
Daarom maken mensen vaker gebruik van automatisch denken. Dit verloopt snel, intuïtief,
onbewust en gedachteloos, alsof je op de automatische piloot zit. Het is efficiënt, maar dit
systeem leidt tot minder goede beslissingen.
Wanneer welk systeem? Hangt af van:
▪ Motivatie om goed na te denken.
▪ Cognitieve capaciteit (tijd, energie, aandacht)
Als beide aanwezig zijn, gebruiken we vaker gecontroleerd denken. Voor alledaagse beslissingen gebruiken we
meestal het automatische systeem.