Inhoud:
Hoofdstuk 2: taalonderwijs en taal
Hoofdstuk 3: mondelinge taalvaardigheid
Hoofdstuk 6: voortgezet technisch lezen
Hoofdstuk 7: begrijpend lezen
Hoofdstuk 9: jeugdliteratuur
Hoofdstuk 11: spelling
Hoofdstuk 2: taalonderwijs en taal
2.1 Taalonderwijs
Belang van taalonderwijs:
1. Schriftelijke taalvaardigheid leren kinderen niet spontaan
2. Niet alle kinderen kunnen zich zelfstandig een bepaald niveau van
taalvaardigheid eigen maken
3. Op school leer je een ander soort taalgebruik dan in het dagelijks leven
4. Bepaalde taalvormen leer je alleen met behulp van het taalonderwijs
5. Als je kinderen plezier in het lezen van boeken wilt bijbrengen, dan moet je
daar apart aandacht aan besteden. Niet alle kinderen groeien immers thuis
op in een omgeving met boeken
Onderverdeling van taalonderwijs:
Mondeling onderwijs
Schriftelijk onderwijs
Taalbeschouwing, waaronder strategieën
Geletterdheid: het vermogen om schriftelijke taal te begrijpen en te gebruiken
Ontluikende geletterdheid: voorschoolse periode van 0-4 jaar
Beginnende geletterdheid: periode van groep 1 t/m 3
Gevorderde geletterdheid: periode na groep 3
Aanvankelijk lezen: kinderen leren de beginselen van leren lezen. Ze moeten de
letters weten en eenvoudige woorden hardop kunnen voorlezen meestal in de
eerste helft van groep 3
Voortgezet lezen: het leesonderwijs dat na het aanvankelijk lezen komt.
Eventueel technisch
Doel: vaardigheid van het decoderen van teksten te vergroten
Taalbeschouwing: kinderen leren reflecteren op de taalvorm, de manier waarop
iets is verwoord en het gebruik van taal. (wordt ook wel taalstructuur of kijken
naar taal genoemd)
Traditionele grammatica: kinderen moeten zinnen kunnen ontleden in
zinsdelen en de verschillende soorten woorden kunnen benoemen
,2.2 Het taalsysteem
Functies van taal:
Communicatieve of sociale taalfunctie: het gebruiken van taal als
communicatiemiddel. Het is sociaal, omdat het gaat over de interactie
tussen mensen
o Zelfhandhaving: beschermen van jezelf en verdedigen wat je hebt
o Zelfsturing: met behulp van woorden je handelen ordenen en je
plannen aankondigen
o Sturing van anderen: taal gebruiken om gedrag van andere te
beïnvloeden
o Structurering van het gesprek: taal gebruiken om het
gespreksverloop te beïnvloeden
Conceptualiserende of cognitieve functie: het gebruik van taal als
hulpmiddel om je gedachten te ordenen en greep te krijgen op de
werkelijkheid
o Rapporteren: verslag doen van iets wat in de werkelijkheid voorkomt
o Redeneren: stap verder dan beschrijven, want je bouwt een extra
denkstap in
Denk aan: chronologisch ordenen, oorzaak-gevolg, conclusie
trekken
o Projecteren: je probeert je te verplaatsen in de gedachten en
gevoelens van iemand anders
Expressieve taalfunctie: taal gebruiken om te experimenteren, gevoelens
te uiten, iets te zeggen wat andere nog niet eerder zo gezegd hebben
onderscheiden van anderen.
Communicatieve competentie: het vermogen om de communicatieve functie van
taal te gebruiken denk aan formeel/informeel, woordvolgorde, etc.
Grammaticale competentie: kennen van de grammaticale regels,
woordenschat, correct vervoegen en correcte uitspraak van woorden
Tekstuele competentie: kennis van gesproken en geschreven teksten
(regels, structuur)
Strategische competentie: vermogen van de taalgebruiker om strategieën
te hanteren om zo bepaalde doelen te bereiken
Functionele competentie: vermogen van taalgebruiker om zijn taalgebruik
aan te passen aan een specifieke situatie
o Strategische en functionele competentie worden samen ook wel
pragmatische competentie genoemd, omdat ze betrekking hebben
op de praktijk en het concrete gebruik van taal
Niveaus van taal:
1. Fonologisch niveau: regels voor uitspraak
2. Morfologisch niveau: regels voor opbouw van woorden
3. Syntactisch niveau: regels voor volgorde van woorden
4. Semantisch niveau: regels voor betekenis
5. Pragmatisch niveau: regels voor gebruik
6. Orthografisch niveau: regels voor spelling
, Recursief systeem: een element van taal kan eenzelfde element van de taal
bevatten
Vb) De zin: “ik vermoed dat hij liegt” bevat de zin “hij liegt”