verpleegkundigen
Hoofdstuk 1 Het verpleegkundig onderzoek
2.3 Neurologische verschijnselen
Verschijnselen kun je door observatie, exploratie en testen vaststellen.
Neurologisch onderzoek vindt plaats in een vaste volgorde. Begint met de hogere
cerebrale functies. Daarna gedrag en de persoonlijkheid. Daarna hersenzenuwen
en tot slot motoriek en gevoel.
2.3.1 Hogere cerebrale functies
Met hogere cerebrale functies ook wel cognitieve functies genoemd worden
functies aangeduid die een rol spelen in gewaarwording, waarnemen en
overdenken van buitenwereld. Verschillende cerebrale functies zijn lang niet altijd
los van elkaar te beschouwen.
Klinische neuropsychologie is een wetenschapsgebied waarin verbanden worden
gelegd en relaties worden onderzocht tussen hersenstoornissen en gedrag.
daarvoor een uitgebreid testinstrumentatrium. Heeft ook taken in
veranderbaarheid van gedragsmogelijkheden en in toepassen en ontwikkelen van
begeleiding en behandeling.
Aantal hogere cerebrale functies:
Bewustzijn: wordt omschreven als een toestand van besef van jezelf en van je
omgeving. Kan onderscheid maken tussen helderheid en inhoud van bewustzijn.
Helderheid is mate van alertheid of waakzaamheid. Inhoud heeft betrekking op
waarneming, gedachten, gevoelens en dergelijke waarvan je je bewust bent.
Verandering in helderheid heet ook bewustzijnsdaling. Belangrijk hoelang dit al
bezig is. Onderzoekt de duur van daling. Diepte van bewustzijnsdaling is
belangrijk. Kan het volgende onderscheiden:
- Somna: patiënt slaapt maar is wekbaar en geeft dan min of meer adequate
antwoorden
- Sopor: kan geen gesprek gevoerd worden, maar reageert wel op
toegediende prikkels
- Coma: patiënt reageert niet op pijnprikkels
Met Glasgow comaschaal wordt bewustzijnsdaling vastgelegd. Bestaat uit 3
verschillende reactiepatronen:
E (eyes, ogen): het openen van de ogen
M (motoriek): de beste motorische reactie
V (verbaal): de beste verbale reactie
, Reactiepatroon bestaat uit aantal onderdelen en de bewustzijnsgraad wordt
bepaald door som van beste prestaties op elk van de drie onderdelen. De EMV-
score.
Oriëntatie wordt gedefinieerd als op de hoogte zijn van situatie en van jezelf in
termen van tijd, plaats en eigen persoon.
Minder duidelijke stoornissen in oriëntatie worden duidelijk als je exploreert.
Vraag aan de patiënt hoe laat het is, welke dag van de week het is, welke maand
het is, welk jaar enz.
Aandacht is het vermogen om je te richten of om gericht te blijven op een
ervaring of op de activiteit waarmee je bezig bent. Als aandacht verstoord is, kan
de patiënt zich niet goed concentreren. Die is snel afgeleid. Opdrachten worden
niet afgemaakt en bestaat neiging om in herhaling te vallen.
Verminderde aandacht wordt duidelijk bij observatie. Patiënt reageert niet of
traag en geeft korte antwoorden. Kan vragen waar de patiënt moeite mee heeft.
Kan patiënt een aantal opdrachten laten doen om zijn aandacht en concentratie
te testen. Kan bijvoorbeeld cijfers opnoemen.
Oordeels- en kritiekvermogen zijn vermogens om betekenis van de eigen situatie
te vatten, maar ook het vermogen om passende doelstellingen te kiezen met
geschikte en sociaal aanvaardbare middelen om deze doelstellingen te bereiken.
Uit anamnese blijkt welke opvattingen een patiënt heeft over zijn mogelijkheden
en grenzen en over sociale wenselijkheid van plannen en handelingen.
Oordeels- en kritiekstoornissen kunnen blijken uit uiterlijk van patiënt, houding of
gebrek aan ziektebesef. Kan worden afgelezen aan de reactie van de patiënt op
problemen met familie, werk of geld. Kan testen door vragen te stellen.
De taal. Spreken en begrijpen van gesprokene zijn typisch menselijke vermogens
die wij samenvatten als taal. Stoornissen in taal heet afasie, kan niet spreken van
taal en niet kunnen begrijpen van gesproken taal.
Spraak is dikwijls abnormaal omdat motoriek van tong, mond en keel gestoord is.
Hierdoor ontstaat dysartrie. Onderscheid maken tussen stoornis in taal (afasie)
en stoornis in spraak (dysartrie).
Er bestaat motorische of expressieve afasie, sensorische of receptieve afasie,
amnestische afasie en gemengde afasie.
Bij motorische of expressieve afasie begrijpt patiënt wat je bedoelt. Hij kan het
alleen niet of slechts in een paar eenvoudige woorden terugzeggen. Van
spontaan spreken is geen sprake. Ook niet van normale formulering van zinnen.
Moet met de patiënt blijven praten, ook al zegt de patiënt niets.
Bij sensorische of receptieve afasie begrijpt de patiënt in geheel niet wat er
gezegd wordt, wel normaal gehoorvermogen. Woorden hebben geen betekenis.
Patiënt kan spreken, maar haspelt woorden en delen aan elkaar.
Bij amnestische afasie kan patiënt juiste woorden niet vinden. Alle woorden zijn
opgeslagen in een woordenmagazijn, die functie heet hoekwindingen. Bij
amnestische afasie werkt de hoekwinding niet goed. Patiënten proberen woorden
te omschrijven.