, 13 open vragen
Hoofdstuk 1 Organisatiegedrag en leiderschap in zorgorganisaties
1. Leg uit hoe het model van individuele verschillen uit de organisatiepsychologie kan worden
toegepast bij het aansturen van een multidisciplinair zorgteam. Betrek in je antwoord
persoonlijkheid, waarden en perceptie en beschrijf hoe deze factoren de samenwerking
tussen zorgprofessionals kunnen beïnvloeden.
2. Analyseer hoe motivatieprocessen volgens de verwachtingstheorie van motivatie van invloed
zijn op de inzet van zorgprofessionals binnen een zorginstelling. Geef een concreet voorbeeld
uit de praktijk van een zorgcoördinator.
3. Beschrijf hoe perceptieprocessen kunnen leiden tot misverstanden of conflicten tussen
zorgverleners en cliënten. Leg uit welke rol een zorgcoördinator heeft in het herkennen en
corrigeren van perceptiefouten.
4. Leg uit op welke manier emotionele intelligentie van belang is voor leiderschap binnen een
zorgteam. Beschrijf minimaal drie componenten van emotionele intelligentie en koppel deze
aan praktijksituaties in de zorgcoördinatie.
Hoofdstuk 2 Groepsdynamica en samenwerking in zorgteams
5. Analyseer de fasen van groepsontwikkeling volgens een bekend groepsontwikkelingsmodel
en leg uit hoe een zorgcoördinator effectief kan interveniëren in elke fase van
teamontwikkeling binnen een zorgorganisatie.
6. Beschrijf hoe rolconflicten binnen een multidisciplinair team kunnen ontstaan. Leg uit welke
organisatorische factoren deze conflicten versterken en welke interventies een
zorgcoördinator kan inzetten om het probleem te verminderen.
7. Leg uit hoe informele groepsnormen het functioneren van een zorgteam kunnen beïnvloeden.
Geef twee voorbeelden waarin groepsnormen zowel positieve als negatieve effecten kunnen
hebben op de kwaliteit van zorg.
8. Analyseer de relatie tussen teamdiversiteit en teamprestatie in zorgorganisaties. Bespreek
zowel de voordelen als de mogelijke risico’s van diversiteit binnen een zorgteam.
9. Beschrijf hoe besluitvorming in teams kan worden beïnvloed door groepsdruk en
groepsdenken. Leg uit hoe een zorgcoördinator deze processen kan herkennen en
voorkomen.
Hoofdstuk 3 Leidinggeven en verandermanagement in de zorg
10. Leg uit welke leiderschapsstijlen het meest effectief zijn in een dynamische zorgomgeving.
Vergelijk minimaal twee leiderschapsbenaderingen en bespreek de gevolgen voor motivatie
en prestaties van zorgprofessionals.
11. Analyseer de belangrijkste oorzaken van weerstand tegen verandering binnen
zorgorganisaties. Beschrijf hoe een zorgcoördinator deze weerstand kan verminderen met
behulp van veranderstrategieën.
12. Beschrijf het verschil tussen management en leiderschap binnen een zorgorganisatie. Leg uit
waarom beide rollen belangrijk zijn voor een zorgcoördinator die verantwoordelijk is voor het
coördineren van zorgprocessen.