,Inhoud
Hoofdstuk 1: Een begrippenkader voor de organisatiekunde......................3
1.1 Wat is een organisatie?......................................................................3
1.2 Organisatie, bedrijf en onderneming.................................................4
1.5 Waarom organisatietheorieën bestuderen?........................................4
Hoofdstuk 2: De belangrijkste stromingen in de organisatiekunde..............5
2.1 uitgangssituatie..................................................................................5
2.2 Klassieke organisatiekunde.................................................................6
2.3 Gedragskundige benadering...............................................................8
2.4 Revisionisme.....................................................................................10
2.6 Contingentiebenadering (Paul Lawrence en Jay Lorsch)...................11
2.7 TQM-storing......................................................................................11
2.8 De lerende organisatie......................................................................11
Hoofdstuk 3: Management.........................................................................12
3.1 Soorten managers............................................................................12
3.2 Managementvaardigheden en basisfuncties van management.......13
3.3 Tien rollen van de manager.............................................................15
3.4 Internationaal management............................................................16
3.5 Duurzaamheid en MVO....................................................................18
Hoofdstuk 8: Organisatie............................................................................18
8.1 organiseren.......................................................................................18
8.2 arbeidsverdeling...............................................................................19
8.3 organisatiestelsels............................................................................21
8.4 coördinatie........................................................................................25
8.5 Organisatiemodellen.........................................................................26
Hoofdstuk 9: Organisatie (een verdere invulling).......................................28
9.3 Organisatiecultuur............................................................................28
9.4 Ethiek in organisaties........................................................................30
9.5 Personeel en humanresourcesmanagement.....................................32
Hoofdstuk 10: Leidinggeven.......................................................................35
10.1 Leiders............................................................................................35
10.2 Leiderschapsstijlen.........................................................................36
10.3 leiders en volgelingen.....................................................................38
, 10.4 Psychologie en leiderschap: Motivatie............................................39
10.5 andere psychologische aspecten bij leidinggeven..........................44
Hoofdstuk 11: beheersing..........................................................................46
11.1 enkele beheersingsthema’s............................................................46
Hoofdstuk 1: Een begrippenkader voor de
organisatiekunde
1.1 Wat is een organisatie?
Organisatie: een menselijke samenwerking die doelgericht en blijvend is. Een
organisatie bevat vier kenmerken:
1. De menselijke factor;
2. Een samenwerkingsvorm;
De menselijke factor is een belangrijke begripsomschrijving van een organisatie,
zonder de mens bestaat een organisatie namelijk niet. Het is de mens die de
samenwerking tot stand heeft gebracht. In organisatie proberen ze zo goed en
handig mogelijk met elkaar samen te werken, hier komt het synergie-effect
naar voren. Dit wil zeggen dat het resultaat van het totale
samenwerkingsverband groter is dan een optelling van de resultaten ven de
individuele prestaties.
3. Doelgerichtheid;
Een organisatie is altijd opgericht met een bepaald doel. Organisatiedoelen
kunnen wijzigen, maar om de eenheid binnen de organisatie te bewaren, zullen
er meerdere gezamenlijke doelen aanwezig zijn. Een belangrijkdoel van bedrijven
is hun winstdoelstelling.
4. Continuïteit.
Een organisatie heeft een blijvend karakter, een onderneming blijft investeren om
in de toekomst te blijven bestaan. Verenigen blijven voor hun continuïteit leden
werven. Bij continuïteit gaat het erom dat je bedrijf komende jaren kan
voortbestaan.
De organisatiekunde en haar sub disciplines gaan er meestal uit van de
zogenoemde going-concerngedachte, men gaat bij het nemen van
management beslissingen uit van de continuïteit van een organisatie. Als de
continuïteit stopt door faillissement , dan kan het zin hebben om machines te
verkopen en mensen te ontslaan. Dit zal bij een organisatie die blijft voortbestaan
geen voordelige optie zijn. Het overgrote deel van organisatiekunde gaat dus
over het organiseren van organisaties die blijven bestaan. Bij organisatiekunde is
de interne hoofddoelstelling: het voortbestaan van de organisatie. De
externe hoofddoelstelling: voorzien in een maatschappelijke behoefte.
Gemeenschappelijke kenmerken van een organisatie:
, - Machtsverdeling in lagen;
- Geschoold personeel;
- Formele communicatie, regelgeving en methoden;
- Werkverdeling naar functie;
- Omschreven doelstellingen.
Verschillende betekenissen van het begrip ‘organisatie’
1. Het functionele organisatiebegrip: hierbij zien we het woord
‘organisatie’ in de betekenis van het werkwoord organiseren, dat
gelijkstaat met het effectief op elkaar afstemmen van activiteiten.
2. Het institutionele organisatiebegrip: hiervan is sprake als men duidt
op een organisatie als object, met een naam en vestiging. (Philips in
Eindhoven)
3. Het instrumentele organisatiebegrip: het woord ‘organisatie’ wordt
gebruikt als we een organisatie refereren als middel waarmee we bepaalde
doelstellingen van de organisatie kunnen wezenlijke. Het organiseren
binnen de organisatie. (wijze waarop onderneming is onderverdeeld in
afdelingen, divisies enz.)
1.2 Organisatie, bedrijf en onderneming
Een organisatie is een menselijke samenwerking die doelgericht en blijvend is. De
begrippen ‘organisatie’, ‘bedrijf’ en ‘onderneming’ zijn verwant, maar hebben een
andere betekenis:
- Bedrijf: een organisatie die goederen en/of diensten voortbrengt met het
doel deze op de afzetmarkt te verkopen.
- Bedrijven zonder winstoogmerk: deze bedrijven streven naar levering
van goederen en/of diensten voor algemeen nut tegen de laagst mogelijke
offers. Hier kijkt men naar maatschappelijke behoefte. Het bedrijf kan wel
winst maken, maar dit is niet het doel.
- Bedrijven met winstoogmerk: Bedrijven die naar winst streven. Ze
realiseren hier een opbrengst voor hun producten en/of diensten die hoger
is dan de kosten voor het produceren ervan.
- Onderneming: een bedrijf dat altijd gericht is op het maken van winst.
Hetzelfde als een bedrijf met winstoogmerk.
1.5 Waarom organisatietheorieën bestuderen?
Stoner en Freeman geven aan dat het om de volgende redenen zinvol is
organisatie- en managementtheorieën te bestuderen:
1. Theorieën zijn een leidraad bij beslissingen in de managementpraktijk.
2. Theorieën vormen onze visies op organisaties.
3. Theorieën maken ons bewust van de omgeving van het bedrijf.
4. Theorieën zijn een bron van nieuwe ideeën.
Hoofdstuk 1: Een begrippenkader voor de organisatiekunde......................3
1.1 Wat is een organisatie?......................................................................3
1.2 Organisatie, bedrijf en onderneming.................................................4
1.5 Waarom organisatietheorieën bestuderen?........................................4
Hoofdstuk 2: De belangrijkste stromingen in de organisatiekunde..............5
2.1 uitgangssituatie..................................................................................5
2.2 Klassieke organisatiekunde.................................................................6
2.3 Gedragskundige benadering...............................................................8
2.4 Revisionisme.....................................................................................10
2.6 Contingentiebenadering (Paul Lawrence en Jay Lorsch)...................11
2.7 TQM-storing......................................................................................11
2.8 De lerende organisatie......................................................................11
Hoofdstuk 3: Management.........................................................................12
3.1 Soorten managers............................................................................12
3.2 Managementvaardigheden en basisfuncties van management.......13
3.3 Tien rollen van de manager.............................................................15
3.4 Internationaal management............................................................16
3.5 Duurzaamheid en MVO....................................................................18
Hoofdstuk 8: Organisatie............................................................................18
8.1 organiseren.......................................................................................18
8.2 arbeidsverdeling...............................................................................19
8.3 organisatiestelsels............................................................................21
8.4 coördinatie........................................................................................25
8.5 Organisatiemodellen.........................................................................26
Hoofdstuk 9: Organisatie (een verdere invulling).......................................28
9.3 Organisatiecultuur............................................................................28
9.4 Ethiek in organisaties........................................................................30
9.5 Personeel en humanresourcesmanagement.....................................32
Hoofdstuk 10: Leidinggeven.......................................................................35
10.1 Leiders............................................................................................35
10.2 Leiderschapsstijlen.........................................................................36
10.3 leiders en volgelingen.....................................................................38
, 10.4 Psychologie en leiderschap: Motivatie............................................39
10.5 andere psychologische aspecten bij leidinggeven..........................44
Hoofdstuk 11: beheersing..........................................................................46
11.1 enkele beheersingsthema’s............................................................46
Hoofdstuk 1: Een begrippenkader voor de
organisatiekunde
1.1 Wat is een organisatie?
Organisatie: een menselijke samenwerking die doelgericht en blijvend is. Een
organisatie bevat vier kenmerken:
1. De menselijke factor;
2. Een samenwerkingsvorm;
De menselijke factor is een belangrijke begripsomschrijving van een organisatie,
zonder de mens bestaat een organisatie namelijk niet. Het is de mens die de
samenwerking tot stand heeft gebracht. In organisatie proberen ze zo goed en
handig mogelijk met elkaar samen te werken, hier komt het synergie-effect
naar voren. Dit wil zeggen dat het resultaat van het totale
samenwerkingsverband groter is dan een optelling van de resultaten ven de
individuele prestaties.
3. Doelgerichtheid;
Een organisatie is altijd opgericht met een bepaald doel. Organisatiedoelen
kunnen wijzigen, maar om de eenheid binnen de organisatie te bewaren, zullen
er meerdere gezamenlijke doelen aanwezig zijn. Een belangrijkdoel van bedrijven
is hun winstdoelstelling.
4. Continuïteit.
Een organisatie heeft een blijvend karakter, een onderneming blijft investeren om
in de toekomst te blijven bestaan. Verenigen blijven voor hun continuïteit leden
werven. Bij continuïteit gaat het erom dat je bedrijf komende jaren kan
voortbestaan.
De organisatiekunde en haar sub disciplines gaan er meestal uit van de
zogenoemde going-concerngedachte, men gaat bij het nemen van
management beslissingen uit van de continuïteit van een organisatie. Als de
continuïteit stopt door faillissement , dan kan het zin hebben om machines te
verkopen en mensen te ontslaan. Dit zal bij een organisatie die blijft voortbestaan
geen voordelige optie zijn. Het overgrote deel van organisatiekunde gaat dus
over het organiseren van organisaties die blijven bestaan. Bij organisatiekunde is
de interne hoofddoelstelling: het voortbestaan van de organisatie. De
externe hoofddoelstelling: voorzien in een maatschappelijke behoefte.
Gemeenschappelijke kenmerken van een organisatie:
, - Machtsverdeling in lagen;
- Geschoold personeel;
- Formele communicatie, regelgeving en methoden;
- Werkverdeling naar functie;
- Omschreven doelstellingen.
Verschillende betekenissen van het begrip ‘organisatie’
1. Het functionele organisatiebegrip: hierbij zien we het woord
‘organisatie’ in de betekenis van het werkwoord organiseren, dat
gelijkstaat met het effectief op elkaar afstemmen van activiteiten.
2. Het institutionele organisatiebegrip: hiervan is sprake als men duidt
op een organisatie als object, met een naam en vestiging. (Philips in
Eindhoven)
3. Het instrumentele organisatiebegrip: het woord ‘organisatie’ wordt
gebruikt als we een organisatie refereren als middel waarmee we bepaalde
doelstellingen van de organisatie kunnen wezenlijke. Het organiseren
binnen de organisatie. (wijze waarop onderneming is onderverdeeld in
afdelingen, divisies enz.)
1.2 Organisatie, bedrijf en onderneming
Een organisatie is een menselijke samenwerking die doelgericht en blijvend is. De
begrippen ‘organisatie’, ‘bedrijf’ en ‘onderneming’ zijn verwant, maar hebben een
andere betekenis:
- Bedrijf: een organisatie die goederen en/of diensten voortbrengt met het
doel deze op de afzetmarkt te verkopen.
- Bedrijven zonder winstoogmerk: deze bedrijven streven naar levering
van goederen en/of diensten voor algemeen nut tegen de laagst mogelijke
offers. Hier kijkt men naar maatschappelijke behoefte. Het bedrijf kan wel
winst maken, maar dit is niet het doel.
- Bedrijven met winstoogmerk: Bedrijven die naar winst streven. Ze
realiseren hier een opbrengst voor hun producten en/of diensten die hoger
is dan de kosten voor het produceren ervan.
- Onderneming: een bedrijf dat altijd gericht is op het maken van winst.
Hetzelfde als een bedrijf met winstoogmerk.
1.5 Waarom organisatietheorieën bestuderen?
Stoner en Freeman geven aan dat het om de volgende redenen zinvol is
organisatie- en managementtheorieën te bestuderen:
1. Theorieën zijn een leidraad bij beslissingen in de managementpraktijk.
2. Theorieën vormen onze visies op organisaties.
3. Theorieën maken ons bewust van de omgeving van het bedrijf.
4. Theorieën zijn een bron van nieuwe ideeën.