1
HC Week 1: Emancipatie en juridische kaders
Slachtofferemancipatie: een korte geschiedenis
Verschillende factoren (Groenhuijsen, 2008):
1. Toegenomen mondigheid burgers
2. Terroristische acties in jaren ’70 vorige eeuw
3. Vrouwenbeweging
4. Toename criminaliteit
De meeste van deze verklaringen hebben een endogeen karakter. Dit betekent dat ze niet de
primaire oorzaak zijn van de slachtofferemancipatie. Dat burgers mondiger werden was bijvoorbeeld
ook het gevolg van de opkomst van radio en televisie. Hierdoor kregen mensen een podium om
ongenoegens te uiten en konden ze een groter publiek bereiken. Voorts is ook sprake van
endogeniteit wanneer verschillende verklaringen met elkaar samenhangen. Dat vrouwen voor hun
rechten opkwamen kan bijvoorbeeld te maken hebben met het feit dat ook andere groepen
mondiger werden. Ten slotte is ook sprake van endogeniteit wanneer een omgekeerd verband tussen
een verklarende factor en de uitkomst die men probeert te verklaren niet kan worden uitgesloten. Zo
kan niet worden uitgesloten dat de slachtofferemancipatie ervoor heeft gezorgd dat meer mensen
aangifte zijn gaan doen, met als gevolg dat de criminaliteitscijfers stegen. Tegenover endogene
factoren staan exogene factoren. Dit zijn factoren die niet door andere factoren worden verklaard.
Dit geldt bijvoorbeeld voor de opkomst van radio en televisie.
Kenmerken van een succesvolle slachtofferbeweging:
- Geschikte aanleiding
- Vertolker(s) met aanzien (‘law of the few’)
- Wetenschappelijke onderbouwing
- Juiste timing en politiek klimaat
- Media-aandacht
- (Deze kenmerken zijn niet limitatief; soms zijn 1 of 2 kenmerken voldoende om
veranderingen ten behoeve van een groep slachtoffers in gang te zetten)
Voorbeeld tentamenvraag: Welke van de tijdens het eerste hoorcollege genoemde kenmerken van
een succesvolle slachtofferbeweging hebben een endogeen karakter? Leg uit waarom.
Zes relevante cases zijn: WOII, Vietnam, de Molukse acties, seksueel geweld tegen vrouwen, fysieke
kindermishandeling, sekstoerisme en vrouwenhandel. Bij de emancipatie van deze verschillende
categorieën slachtoffers spelen telkens, in meerdere of mindere mate, één of meer kenmerken van
een succesvolle slachtofferbeweging een rol.
WOII
Vlak na de oorlog was er sprake van slachtoffermarginalisatie: tijdens de Neurenbergprocessen
waren geen slachtoffers (van de Holocaust) als toehoorders aanwezig. Wel werden enkele
overlevenden van de vernietigingskampen als getuigen ondervraagd tijdens de zittingsdagen. Verder
interessant was dat verzetsstrijders en -organisaties de eerste groep slachtoffers vormden waarvoor
de overheid compensatieregelingen in het leven riep.
Drie van Breda waren nazikopstukken ten tijde van de tweede wereldoorlog. Ze vervulden
belangrijke zaken voor de nazi’s namens Nederland. Ze zaten gevangen en na een bepaalde tijd werd
door de burgemeester voorgesteld om deze drie gratie te verlenen en dus vrij te laten. Dit leidde tot
, 2
veel opstand vanuit de slachtoffers, omdat het allerlei onverwerkte trauma’s bij slachtoffers naar
boven bracht. Slachtoffers kregen hierdoor media-aandacht en werden gerepresenteerd door Jas
Bastiaans (een psychiater en hoogleraar in Leiden), die bereid was voor hun belangen op te komen.
Hij was voorvechter van de erkenning van het KZ-syndroom (KZ=Konzentrationslager). De rol van
Bastiaans is een goed voorbeeld van ‘the law of the few’. Om zijn beweringen over het
slachtofferleed kracht bij te zetten, beriep hij zich bovendien op de resultaten van zijn eigen
wetenschappelijke onderzoek, waarover hij onder andere rapporteerde in zijn proefschrift.
De hulpverlening na de oorlog werd aanvankelijk gekenmerkt door een gigantische versplintering.
Dat kwam enerzijds door gebrekkige communicatiemiddelen; omdat veel telefoonlijnen en andere
middelen van communicatie niet (goed) functioneerden, konden hulpverleningsacties slecht
gecoördineerd worden. Anderzijds kwam dit door de manier waarop hulpverlening in die tijd
geregeld was; Nederland was na de oorlog nog geen verzorgingsstaat. Ondersteuning van
hulpbehoevende burgers vond vaak plaats via particuliere initiatieven (bijv. armenzorg) of de kerk.
Hulpverlening slachtoffers WOII:
- Tot jaren ’70: Hulpverlening gericht op praktische (huisvesting, kleding, voedsel) en medische
zorg
- Begin jaren ’70: Lobby Bastiaans: Opkomst psychosociale hulpverlening (bijv. oprichting
Stichting Centrum Post-concentratiekamp Syndroom (voorloper ARQ Centrum ’45))
Schadevergoeding slachtoffers WOII:
- Kort na WOII: 1947: Wet buitengewoon pensioen (uitsluitend verzetsslachtoffers)
Schadevergoeding actief slachtofferschap
- Eind jaren ’40 – eind jaren ’60: Rijksgroepsregelingen (als onderdeel Algemene Bijstandswet)
Zorgverlening passief slachtofferschap
- Begin jaren ’70 – helft jaren ’80:
o 1971: Omkering bewijslast Wet buitengewoon pensioen
o 1972: Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers
o 1984: Wet uitkering burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945
- 1994: Tijdelijke vergoedingsregeling psychotherapie na-oorlogse generatie
(transgenerationeel slachtofferschap)
Het is belangrijk om onderscheid te maken tussen actief en passief slachtofferschap. Bij actief
slachtofferschap gaat het om verzetsstrijders. Zij hadden zich, als quasi werknemers van de
Nederlandse staat, ingezet voor het vaderland en dienden daarom te worden gecompenseerd voor
hun diensten (een soort loonbetaling achteraf). Bij passief slachtofferschap gaat het om mensen die
zijn blootgesteld geweest aan de verschrikkingen van het Naziregime. Het zijn mensen die
slachtofferschap hebben ervaren simpelweg door wie en hoe zij zijn. Zij hadden aanvankelijk alleen
recht op zorg of een overheidsbijdrage die zorgverlening mogelijk maakte. Pas in de loop van de
jaren ’70 kwam hier verandering in en werden ook voor hen compensatieregelingen in het leven
geroepen.
Transgenerationeel slachtofferschap is slachtofferschap dat overgedragen wordt op een volgende
generatie. Het gaat hierbij niet om de ervaring zelf, maar om de doorwerking van de gevolgen van
slachtofferervaringen van (groot- of voor)ouders bij latere generaties.
Ziekte of gebrek gevolg van verzet in de oorlog:
- Tot 1971: Bewijslast causaal verband bij slachtoffer
, 3
- Vanaf 1971: Bewijslast ontbreken causaal verband bij Buitengewone Pensioenraad
Het thema ‘omkering bewijslast’ is een typisch forensisch victimologisch thema. Slachtoffers hoefden
vanaf 1971 niet langer te bewijzen dat hun lichamelijke of psychische klachten veroorzaakt waren
door blootstelling aan de oorlog. Vanaf dat moment werd een causaal verband voorondersteld; tenzij
de verantwoordelijke uitkeringsinstantie kon bewijzen dat de klachten door iets anders waren
veroorzaakt, werd de oorlog als oorzaak van het leed beschouwd. De causaliteitskwestie is een
belangrijk punt van politiek geschil geweest vanwege de financiële lasten die de
schadevergoedingsregelingen voor de overheid met zich mee brachten.
Het vooronderstellen van psychisch letsel zien we terug in de letsellijst van het Schadefonds
Geweldsmisdrijven: het fonds gaat ervan uit dat bij bepaalde delicten sowieso ook psychisch letsel
optreedt. Dat is in het licht van wetenschappelijk onderzoek een bedenkelijke aanname. Lang niet
alle slachtoffers, zelfs de slachtoffers van zeer ernstige delicten niet, kampen met psychisch letsel.
Vietnam
In de Verenigde Staten was weinig publieke steun voor de oorlog in Vietnam. De belangrijkste reden
daarvoor was de beeldvorming in de media. De media berichtten van moordpartijen op onschuldige
burgers en lieten gruwelijke beelden zien op de televisie. Teruggekeerde Vietnamveteranen konden
dan ook niet rekenen op een warm onthaal en werden gezien als bloeddorstige ‘baby killers’. Ook in
de filmwereld werden Vietnamveteranen neergezet als gevaarlijke gekken.
Begin jaren ’80 veranderde het beeld van de Vietnamveteraan als gevaarlijke gek in dat van
(oorlogs)held. Dit blijkt onder meer uit de manier waarop Vietnamveteranen in films en
televisieseries werden neergezet. Telkens werden Vietnamveteranen als helden in plaats van
gevaarlijke gekken neergezet en voor zover zij al gek waren, dan toch op een ongevaarlijke en leuke
manier. Ook in de muziek viel een omslag in het denken over Vietnamveteranen te bespeuren.
De verandering in beeldvorming was voor een groot deel het gevolg van acties van
belangenorganisaties tijdens de jaren ’70, zoals Vietnam Veterans against the War. Veteranen die
deel uitmaakten van deze beweging gingen samen met psychiaters de straat op om te pleiten voor
de erkenning van het leed dat zij door hun tijd in Vietnam hadden opgelopen (street corner
psychiatry). Een belangrijke rol in de succesvolle veteranenlobby werd gespeeld door psychiaters
Sarah Haley, Chaim Shatan en Robert J. Lifton. Zij pleitten voor de (her)introductie van PTSS als
erkende psychiatrische stoornis in DSM3 bij Robert Spitzer, die van de American Psychiatric
Association de opdracht had gekregen om de DSM te herschrijven. De opname van PTSS in de DSM
zou het mogelijk maken om een arbeidsongeschiktheidsuitkering te krijgen op grond van psychische
klachten die waren veroorzaakt door deelname/blootstelling aan gevechtshandelingen. In 1968 was
de ‘gross stress reaction’ (voorloper van PTSS) nog uit de DSM geschrapt om dit te voorkomen.
Spitzer zag aanvankelijk weinig in de plannen van Lifton en consorten, maar uiteindelijk ging hij
overstag en stelde hij de Committee on Reactive Disorders in en gaf hij deze de opdracht een
classificatie te ontwikkelen. Dit leidde uiteindelijk tot de introductie van PTSS in DSM3. Anders dan
aanvankelijk door Lifton en zijn collega’s bedoeld was, had de stoornis ook betrekking op
traumatische gebeurtenissen die niet het gevolg waren van combatervaringen. Dit verhinderde
echter niet dat Vietnamveteranen nu konden terugvallen op een officiële classificatie. Dit maakte een
beroep op uitkeringsregelingen een stuk makkelijker en leidde tot speciale behandelplaatsen voor
Vietnamveteranen. Wetenschappelijk onderzoek door hulpverleners van de Veterans Administration
werd gebruikt om deze ontwikkeling te rechtvaardigen. Volgens deze studie kampte meer dan 30%
van alle Vietnamveteranen bij terugkomst met PTSS, terwijl dat niet strookte met het percentage
, 4
uitgezonden soldaten dat daadwerkelijk voor gevechten was ingezet (15%) en sterk afweek van
andere onderzoeksresultaten.
Bij de PTSS-lobby zie je veel kenmerken van een succesvolle slachtofferbeweging terug, zoals ‘the
law of the few’, (dubieus) wetenschappelijk onderzoek dat de claims van (quasi) experts ondersteunt,
juiste timing, etc. Overigens duurde het enige tijd, alvorens de DSM (en dus PTSS) in Europa voet aan
de wereld kreeg. Dit had te maken met de scepsis ten aanzien van de DSM. Sinds de Eerste
Wereldoorlog werden traumagerelateerde klachten in Europa per definitie als nep gezien. Onder
invloed van psychoanalyse van Freud, veranderde dit beeld enigszins. Niet langer dacht men dat
getraumatiseerde veteranen de boel bewust trachtten te saboteren, maar dat dit vanuit het
onderbewuste geschiedde. Pas in de DSM werd de traumatische gebeurtenis zelf als oorzaak van de
klachten gezien.
Een belangrijk gevolg van de erkenning van PTSS als officiële stoornis was dat dit het gemakkelijker
maakte om een uitkering wegens combat-related injury te claimen. De DSM-definitie van PTSS gaat
namelijk uit van een causaal verband tussen de klachten die men ervaart en de traumatische
gebeurtenis die men heeft meegemaakt. Dit maakte het voor veel getraumatiseerde veteranen veel
eenvoudiger om het causale verband tussen klachten en gevechtshandelingen ook juridisch aan te
tonen. Daarnaast werd het door de erkenning van PTSS mogelijk om deze stoornis aan te voeren als
grondslag voor een NGRI-verweer (= beroep op volledige ontoerekeningsvatbaarheid) in
strafrechtelijke procedures. Dat was belangrijk, omdat veel getraumatiseerde veteranen met justitie
in aanraking kwamen. Een keerzijde van deze ontwikkeling was dat veteranen die gecompenseerd
wilden worden of straf wilden ontlopen PTSS-symptomen gingen faken. Dat was niet moeilijk, omdat
de meeste PTSS-symptomen subjectief van aard zijn en dus lastig verifieerbaar.
De Molukse acties
In de jaren ’70 werd Nederland geteisterd door een reeks (gewelddadige) gijzelingen door jonge
Molukkers. Zij streefden, net als hun ouders in het verleden hadden gedaan, naar een vrije republiek
der Zuid-Molukken, en waren van mening dat de Nederlandse regering hen en hun ouders in de
steek had gelaten met het realiseren van dit ideaal.
Naar aanleiding van de eerste twee gijzelingen is de Centrale Beleids- en Ondersteuningsgroep ten
behoeve van de Nazorg van ex-Gegijzelden (C.B.O.G.) ingesteld. Deze coördineerde de psychosociale
hulpverlening aan de slachtoffers van de gijzelingen en hun familieleden. De C.B.O.G. betrof één van
de eerste initiatieven op het gebied van (outreach) hulpverlening aan slachtoffers die door ‘gewone’
criminaliteit waren getroffen. Psychiater Bastiaans speelde ook in dit initiatief een belangrijke rol en
liet zich veelvuldig in de media uit over de zorg die de slachtoffers volgens hem nodig hadden. Later
is in de opdracht van de C.B.O.G. onderzoek naar de korte en lange termijngevolgen van de
gijzelingen verricht door de stressgroep van de Rijksuniversiteit Leiden. Ook hier was Bastiaans zeer
nauw bij betrokken. Ook hier zie je de law of the few aan het werk en wordt gebruikgemaakt van de
resultaten van wetenschappelijk onderzoek om te pleiten voor de uitbreiding van slachtofferzorg.
Outreach: slachtoffers worden actief benaderd voor hulpverlening.
Ook de Molukse acties maakten slachtoffers. Een aantal van hen probeerde via het Schadefonds
Geweldsmisdrijven een financiële tegemoetkoming te krijgen voor het psychisch leed dat zij aan de
acties over hadden gehouden, maar ontvingen een negatieve beslissing op hun aanvraag. Het fonds
keerde namelijk alleen een vergoeding voor immateriële schade als deze was veroorzaakt door fysiek
letsel. De meeste slachtoffers van de gijzelingen hadden echter geen fysiek letsel opgelopen. De
acties maakten duidelijk dat de wet op dit punt aangepast diende te worden.
HC Week 1: Emancipatie en juridische kaders
Slachtofferemancipatie: een korte geschiedenis
Verschillende factoren (Groenhuijsen, 2008):
1. Toegenomen mondigheid burgers
2. Terroristische acties in jaren ’70 vorige eeuw
3. Vrouwenbeweging
4. Toename criminaliteit
De meeste van deze verklaringen hebben een endogeen karakter. Dit betekent dat ze niet de
primaire oorzaak zijn van de slachtofferemancipatie. Dat burgers mondiger werden was bijvoorbeeld
ook het gevolg van de opkomst van radio en televisie. Hierdoor kregen mensen een podium om
ongenoegens te uiten en konden ze een groter publiek bereiken. Voorts is ook sprake van
endogeniteit wanneer verschillende verklaringen met elkaar samenhangen. Dat vrouwen voor hun
rechten opkwamen kan bijvoorbeeld te maken hebben met het feit dat ook andere groepen
mondiger werden. Ten slotte is ook sprake van endogeniteit wanneer een omgekeerd verband tussen
een verklarende factor en de uitkomst die men probeert te verklaren niet kan worden uitgesloten. Zo
kan niet worden uitgesloten dat de slachtofferemancipatie ervoor heeft gezorgd dat meer mensen
aangifte zijn gaan doen, met als gevolg dat de criminaliteitscijfers stegen. Tegenover endogene
factoren staan exogene factoren. Dit zijn factoren die niet door andere factoren worden verklaard.
Dit geldt bijvoorbeeld voor de opkomst van radio en televisie.
Kenmerken van een succesvolle slachtofferbeweging:
- Geschikte aanleiding
- Vertolker(s) met aanzien (‘law of the few’)
- Wetenschappelijke onderbouwing
- Juiste timing en politiek klimaat
- Media-aandacht
- (Deze kenmerken zijn niet limitatief; soms zijn 1 of 2 kenmerken voldoende om
veranderingen ten behoeve van een groep slachtoffers in gang te zetten)
Voorbeeld tentamenvraag: Welke van de tijdens het eerste hoorcollege genoemde kenmerken van
een succesvolle slachtofferbeweging hebben een endogeen karakter? Leg uit waarom.
Zes relevante cases zijn: WOII, Vietnam, de Molukse acties, seksueel geweld tegen vrouwen, fysieke
kindermishandeling, sekstoerisme en vrouwenhandel. Bij de emancipatie van deze verschillende
categorieën slachtoffers spelen telkens, in meerdere of mindere mate, één of meer kenmerken van
een succesvolle slachtofferbeweging een rol.
WOII
Vlak na de oorlog was er sprake van slachtoffermarginalisatie: tijdens de Neurenbergprocessen
waren geen slachtoffers (van de Holocaust) als toehoorders aanwezig. Wel werden enkele
overlevenden van de vernietigingskampen als getuigen ondervraagd tijdens de zittingsdagen. Verder
interessant was dat verzetsstrijders en -organisaties de eerste groep slachtoffers vormden waarvoor
de overheid compensatieregelingen in het leven riep.
Drie van Breda waren nazikopstukken ten tijde van de tweede wereldoorlog. Ze vervulden
belangrijke zaken voor de nazi’s namens Nederland. Ze zaten gevangen en na een bepaalde tijd werd
door de burgemeester voorgesteld om deze drie gratie te verlenen en dus vrij te laten. Dit leidde tot
, 2
veel opstand vanuit de slachtoffers, omdat het allerlei onverwerkte trauma’s bij slachtoffers naar
boven bracht. Slachtoffers kregen hierdoor media-aandacht en werden gerepresenteerd door Jas
Bastiaans (een psychiater en hoogleraar in Leiden), die bereid was voor hun belangen op te komen.
Hij was voorvechter van de erkenning van het KZ-syndroom (KZ=Konzentrationslager). De rol van
Bastiaans is een goed voorbeeld van ‘the law of the few’. Om zijn beweringen over het
slachtofferleed kracht bij te zetten, beriep hij zich bovendien op de resultaten van zijn eigen
wetenschappelijke onderzoek, waarover hij onder andere rapporteerde in zijn proefschrift.
De hulpverlening na de oorlog werd aanvankelijk gekenmerkt door een gigantische versplintering.
Dat kwam enerzijds door gebrekkige communicatiemiddelen; omdat veel telefoonlijnen en andere
middelen van communicatie niet (goed) functioneerden, konden hulpverleningsacties slecht
gecoördineerd worden. Anderzijds kwam dit door de manier waarop hulpverlening in die tijd
geregeld was; Nederland was na de oorlog nog geen verzorgingsstaat. Ondersteuning van
hulpbehoevende burgers vond vaak plaats via particuliere initiatieven (bijv. armenzorg) of de kerk.
Hulpverlening slachtoffers WOII:
- Tot jaren ’70: Hulpverlening gericht op praktische (huisvesting, kleding, voedsel) en medische
zorg
- Begin jaren ’70: Lobby Bastiaans: Opkomst psychosociale hulpverlening (bijv. oprichting
Stichting Centrum Post-concentratiekamp Syndroom (voorloper ARQ Centrum ’45))
Schadevergoeding slachtoffers WOII:
- Kort na WOII: 1947: Wet buitengewoon pensioen (uitsluitend verzetsslachtoffers)
Schadevergoeding actief slachtofferschap
- Eind jaren ’40 – eind jaren ’60: Rijksgroepsregelingen (als onderdeel Algemene Bijstandswet)
Zorgverlening passief slachtofferschap
- Begin jaren ’70 – helft jaren ’80:
o 1971: Omkering bewijslast Wet buitengewoon pensioen
o 1972: Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers
o 1984: Wet uitkering burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945
- 1994: Tijdelijke vergoedingsregeling psychotherapie na-oorlogse generatie
(transgenerationeel slachtofferschap)
Het is belangrijk om onderscheid te maken tussen actief en passief slachtofferschap. Bij actief
slachtofferschap gaat het om verzetsstrijders. Zij hadden zich, als quasi werknemers van de
Nederlandse staat, ingezet voor het vaderland en dienden daarom te worden gecompenseerd voor
hun diensten (een soort loonbetaling achteraf). Bij passief slachtofferschap gaat het om mensen die
zijn blootgesteld geweest aan de verschrikkingen van het Naziregime. Het zijn mensen die
slachtofferschap hebben ervaren simpelweg door wie en hoe zij zijn. Zij hadden aanvankelijk alleen
recht op zorg of een overheidsbijdrage die zorgverlening mogelijk maakte. Pas in de loop van de
jaren ’70 kwam hier verandering in en werden ook voor hen compensatieregelingen in het leven
geroepen.
Transgenerationeel slachtofferschap is slachtofferschap dat overgedragen wordt op een volgende
generatie. Het gaat hierbij niet om de ervaring zelf, maar om de doorwerking van de gevolgen van
slachtofferervaringen van (groot- of voor)ouders bij latere generaties.
Ziekte of gebrek gevolg van verzet in de oorlog:
- Tot 1971: Bewijslast causaal verband bij slachtoffer
, 3
- Vanaf 1971: Bewijslast ontbreken causaal verband bij Buitengewone Pensioenraad
Het thema ‘omkering bewijslast’ is een typisch forensisch victimologisch thema. Slachtoffers hoefden
vanaf 1971 niet langer te bewijzen dat hun lichamelijke of psychische klachten veroorzaakt waren
door blootstelling aan de oorlog. Vanaf dat moment werd een causaal verband voorondersteld; tenzij
de verantwoordelijke uitkeringsinstantie kon bewijzen dat de klachten door iets anders waren
veroorzaakt, werd de oorlog als oorzaak van het leed beschouwd. De causaliteitskwestie is een
belangrijk punt van politiek geschil geweest vanwege de financiële lasten die de
schadevergoedingsregelingen voor de overheid met zich mee brachten.
Het vooronderstellen van psychisch letsel zien we terug in de letsellijst van het Schadefonds
Geweldsmisdrijven: het fonds gaat ervan uit dat bij bepaalde delicten sowieso ook psychisch letsel
optreedt. Dat is in het licht van wetenschappelijk onderzoek een bedenkelijke aanname. Lang niet
alle slachtoffers, zelfs de slachtoffers van zeer ernstige delicten niet, kampen met psychisch letsel.
Vietnam
In de Verenigde Staten was weinig publieke steun voor de oorlog in Vietnam. De belangrijkste reden
daarvoor was de beeldvorming in de media. De media berichtten van moordpartijen op onschuldige
burgers en lieten gruwelijke beelden zien op de televisie. Teruggekeerde Vietnamveteranen konden
dan ook niet rekenen op een warm onthaal en werden gezien als bloeddorstige ‘baby killers’. Ook in
de filmwereld werden Vietnamveteranen neergezet als gevaarlijke gekken.
Begin jaren ’80 veranderde het beeld van de Vietnamveteraan als gevaarlijke gek in dat van
(oorlogs)held. Dit blijkt onder meer uit de manier waarop Vietnamveteranen in films en
televisieseries werden neergezet. Telkens werden Vietnamveteranen als helden in plaats van
gevaarlijke gekken neergezet en voor zover zij al gek waren, dan toch op een ongevaarlijke en leuke
manier. Ook in de muziek viel een omslag in het denken over Vietnamveteranen te bespeuren.
De verandering in beeldvorming was voor een groot deel het gevolg van acties van
belangenorganisaties tijdens de jaren ’70, zoals Vietnam Veterans against the War. Veteranen die
deel uitmaakten van deze beweging gingen samen met psychiaters de straat op om te pleiten voor
de erkenning van het leed dat zij door hun tijd in Vietnam hadden opgelopen (street corner
psychiatry). Een belangrijke rol in de succesvolle veteranenlobby werd gespeeld door psychiaters
Sarah Haley, Chaim Shatan en Robert J. Lifton. Zij pleitten voor de (her)introductie van PTSS als
erkende psychiatrische stoornis in DSM3 bij Robert Spitzer, die van de American Psychiatric
Association de opdracht had gekregen om de DSM te herschrijven. De opname van PTSS in de DSM
zou het mogelijk maken om een arbeidsongeschiktheidsuitkering te krijgen op grond van psychische
klachten die waren veroorzaakt door deelname/blootstelling aan gevechtshandelingen. In 1968 was
de ‘gross stress reaction’ (voorloper van PTSS) nog uit de DSM geschrapt om dit te voorkomen.
Spitzer zag aanvankelijk weinig in de plannen van Lifton en consorten, maar uiteindelijk ging hij
overstag en stelde hij de Committee on Reactive Disorders in en gaf hij deze de opdracht een
classificatie te ontwikkelen. Dit leidde uiteindelijk tot de introductie van PTSS in DSM3. Anders dan
aanvankelijk door Lifton en zijn collega’s bedoeld was, had de stoornis ook betrekking op
traumatische gebeurtenissen die niet het gevolg waren van combatervaringen. Dit verhinderde
echter niet dat Vietnamveteranen nu konden terugvallen op een officiële classificatie. Dit maakte een
beroep op uitkeringsregelingen een stuk makkelijker en leidde tot speciale behandelplaatsen voor
Vietnamveteranen. Wetenschappelijk onderzoek door hulpverleners van de Veterans Administration
werd gebruikt om deze ontwikkeling te rechtvaardigen. Volgens deze studie kampte meer dan 30%
van alle Vietnamveteranen bij terugkomst met PTSS, terwijl dat niet strookte met het percentage
, 4
uitgezonden soldaten dat daadwerkelijk voor gevechten was ingezet (15%) en sterk afweek van
andere onderzoeksresultaten.
Bij de PTSS-lobby zie je veel kenmerken van een succesvolle slachtofferbeweging terug, zoals ‘the
law of the few’, (dubieus) wetenschappelijk onderzoek dat de claims van (quasi) experts ondersteunt,
juiste timing, etc. Overigens duurde het enige tijd, alvorens de DSM (en dus PTSS) in Europa voet aan
de wereld kreeg. Dit had te maken met de scepsis ten aanzien van de DSM. Sinds de Eerste
Wereldoorlog werden traumagerelateerde klachten in Europa per definitie als nep gezien. Onder
invloed van psychoanalyse van Freud, veranderde dit beeld enigszins. Niet langer dacht men dat
getraumatiseerde veteranen de boel bewust trachtten te saboteren, maar dat dit vanuit het
onderbewuste geschiedde. Pas in de DSM werd de traumatische gebeurtenis zelf als oorzaak van de
klachten gezien.
Een belangrijk gevolg van de erkenning van PTSS als officiële stoornis was dat dit het gemakkelijker
maakte om een uitkering wegens combat-related injury te claimen. De DSM-definitie van PTSS gaat
namelijk uit van een causaal verband tussen de klachten die men ervaart en de traumatische
gebeurtenis die men heeft meegemaakt. Dit maakte het voor veel getraumatiseerde veteranen veel
eenvoudiger om het causale verband tussen klachten en gevechtshandelingen ook juridisch aan te
tonen. Daarnaast werd het door de erkenning van PTSS mogelijk om deze stoornis aan te voeren als
grondslag voor een NGRI-verweer (= beroep op volledige ontoerekeningsvatbaarheid) in
strafrechtelijke procedures. Dat was belangrijk, omdat veel getraumatiseerde veteranen met justitie
in aanraking kwamen. Een keerzijde van deze ontwikkeling was dat veteranen die gecompenseerd
wilden worden of straf wilden ontlopen PTSS-symptomen gingen faken. Dat was niet moeilijk, omdat
de meeste PTSS-symptomen subjectief van aard zijn en dus lastig verifieerbaar.
De Molukse acties
In de jaren ’70 werd Nederland geteisterd door een reeks (gewelddadige) gijzelingen door jonge
Molukkers. Zij streefden, net als hun ouders in het verleden hadden gedaan, naar een vrije republiek
der Zuid-Molukken, en waren van mening dat de Nederlandse regering hen en hun ouders in de
steek had gelaten met het realiseren van dit ideaal.
Naar aanleiding van de eerste twee gijzelingen is de Centrale Beleids- en Ondersteuningsgroep ten
behoeve van de Nazorg van ex-Gegijzelden (C.B.O.G.) ingesteld. Deze coördineerde de psychosociale
hulpverlening aan de slachtoffers van de gijzelingen en hun familieleden. De C.B.O.G. betrof één van
de eerste initiatieven op het gebied van (outreach) hulpverlening aan slachtoffers die door ‘gewone’
criminaliteit waren getroffen. Psychiater Bastiaans speelde ook in dit initiatief een belangrijke rol en
liet zich veelvuldig in de media uit over de zorg die de slachtoffers volgens hem nodig hadden. Later
is in de opdracht van de C.B.O.G. onderzoek naar de korte en lange termijngevolgen van de
gijzelingen verricht door de stressgroep van de Rijksuniversiteit Leiden. Ook hier was Bastiaans zeer
nauw bij betrokken. Ook hier zie je de law of the few aan het werk en wordt gebruikgemaakt van de
resultaten van wetenschappelijk onderzoek om te pleiten voor de uitbreiding van slachtofferzorg.
Outreach: slachtoffers worden actief benaderd voor hulpverlening.
Ook de Molukse acties maakten slachtoffers. Een aantal van hen probeerde via het Schadefonds
Geweldsmisdrijven een financiële tegemoetkoming te krijgen voor het psychisch leed dat zij aan de
acties over hadden gehouden, maar ontvingen een negatieve beslissing op hun aanvraag. Het fonds
keerde namelijk alleen een vergoeding voor immateriële schade als deze was veroorzaakt door fysiek
letsel. De meeste slachtoffers van de gijzelingen hadden echter geen fysiek letsel opgelopen. De
acties maakten duidelijk dat de wet op dit punt aangepast diende te worden.