E-MODULES HUID EN HUIDDERIVATEN
INHOUD
Module huid ...........................................................................................................................2
Hoofdstuk 1: De normale huid ...............................................................................................2
Hoofdstuk 2: bijzondere aanpassingen van de huid...............................................................8
Voetzolen .................................................................................................................. 8
Hoeven ...................................................................................................................... 8
Huidklieren .............................................................................................................. 10
Hoofdstuk 3: bijzondere diersoorten ................................................................................... 11
Vogels .............................................................................................................................. 11
Reptielen .......................................................................................................................... 14
Amfibieën ......................................................................................................................... 15
1
,MODULE HUID
HOOFDSTUK 1: DE NORMALE HUID
Huid bestaat uit twee delen: epidermis (opperhuid) en dermis (lederhuid).
Epidermis = meerlagig verhoornd plaveiselepitheel (meerdere lagen)
Dermis = bindweefsel waar de adnexa (haren, zweet- en talgklieren), bloedvaten en zenuwen zitten.
Hypodermis = subcutis → laag losmazig elastisch bindweefsel die voor een elastische verbinding met
het onderliggende (spier)weefsel zorgt → wordt NIET bij de huid gerekend.
Cutane plexus = in de hypodermis gevormd door kleine bloedvaten die betrokken is bij bloedvoorziening
en thermoregulatie.
Subcutane plexus = dieper
Lichaampje van pacini = zintuigreceptoren die druk,
ruwe aanraking, trilling en spanning waarnemen; ze
hebben een groot waarnemingsbereik.
Merkel cel = cellen in de bovenste laag van de huid tegen
de zenuwuiteinden aan
Lichaampje van meissner = liggen in de dermispapillen
en bestaan uit een opstapeling van gemodificeerde
Schwann-cellen die een centrale dendriet omhullen. Ze
registreren langzame vibraties en bewegingen over de
huid. De cellen van Merkel liggen in de epidermis en zijn
verantwoordelijk voor het fijne tastgevoel.
Embryonale oorsprong Epidermis = ectoderm
Embryonale oorsprong Dermis = mesoderm
2
, Epidermis
Cellen die voorkomen: melanocyten, Merkelcellen en cellen van Langerhans
Dikte van epidermis is afhankelijk per diersoort of plek op het lichaam, maar soms ontbreken bepaalde
lagen in zijn geheel.
Stratum disjunctum = stratum corneum → als iets veel gebruikt wordt dan schuurt het af.
Stratum spinosum = aanhechten van naburige cellen, stevigheid van het weefsel
Gap junctions = uitwisseling van cytosl en daarom opgeloste stoffen tussen naburige cellen mogelijk
Tight junctions = barrière functie → voorkomen van lekkage van stoffen tussen cellen door
Hemidesomosomen = aanhechting van de cellen aan de basaalmembraan.
Dermis
Bindweefsel is rijk aan collageen bundels die vooral aan het oppervlak lopen en elkaar kruizen. Tussen
deze vezelbundels ligt bindweefsel met veel cellen, bloedvaten en zenuwen.
Goed ontwikkelde dermale papillen (huidpapillen) → stevigheid → gaan van dermis naar epidermis.
Subpapilliaire plexus = belangrijk bij de thermoregulatie via de huis (in samenwerking met zweetklieren).
Verhoogde doorbloeding subpapilliaire plexus zorgt voor rood hoofd.
Typisch kenmerk van
zoogdierenhuid: haar.
3
INHOUD
Module huid ...........................................................................................................................2
Hoofdstuk 1: De normale huid ...............................................................................................2
Hoofdstuk 2: bijzondere aanpassingen van de huid...............................................................8
Voetzolen .................................................................................................................. 8
Hoeven ...................................................................................................................... 8
Huidklieren .............................................................................................................. 10
Hoofdstuk 3: bijzondere diersoorten ................................................................................... 11
Vogels .............................................................................................................................. 11
Reptielen .......................................................................................................................... 14
Amfibieën ......................................................................................................................... 15
1
,MODULE HUID
HOOFDSTUK 1: DE NORMALE HUID
Huid bestaat uit twee delen: epidermis (opperhuid) en dermis (lederhuid).
Epidermis = meerlagig verhoornd plaveiselepitheel (meerdere lagen)
Dermis = bindweefsel waar de adnexa (haren, zweet- en talgklieren), bloedvaten en zenuwen zitten.
Hypodermis = subcutis → laag losmazig elastisch bindweefsel die voor een elastische verbinding met
het onderliggende (spier)weefsel zorgt → wordt NIET bij de huid gerekend.
Cutane plexus = in de hypodermis gevormd door kleine bloedvaten die betrokken is bij bloedvoorziening
en thermoregulatie.
Subcutane plexus = dieper
Lichaampje van pacini = zintuigreceptoren die druk,
ruwe aanraking, trilling en spanning waarnemen; ze
hebben een groot waarnemingsbereik.
Merkel cel = cellen in de bovenste laag van de huid tegen
de zenuwuiteinden aan
Lichaampje van meissner = liggen in de dermispapillen
en bestaan uit een opstapeling van gemodificeerde
Schwann-cellen die een centrale dendriet omhullen. Ze
registreren langzame vibraties en bewegingen over de
huid. De cellen van Merkel liggen in de epidermis en zijn
verantwoordelijk voor het fijne tastgevoel.
Embryonale oorsprong Epidermis = ectoderm
Embryonale oorsprong Dermis = mesoderm
2
, Epidermis
Cellen die voorkomen: melanocyten, Merkelcellen en cellen van Langerhans
Dikte van epidermis is afhankelijk per diersoort of plek op het lichaam, maar soms ontbreken bepaalde
lagen in zijn geheel.
Stratum disjunctum = stratum corneum → als iets veel gebruikt wordt dan schuurt het af.
Stratum spinosum = aanhechten van naburige cellen, stevigheid van het weefsel
Gap junctions = uitwisseling van cytosl en daarom opgeloste stoffen tussen naburige cellen mogelijk
Tight junctions = barrière functie → voorkomen van lekkage van stoffen tussen cellen door
Hemidesomosomen = aanhechting van de cellen aan de basaalmembraan.
Dermis
Bindweefsel is rijk aan collageen bundels die vooral aan het oppervlak lopen en elkaar kruizen. Tussen
deze vezelbundels ligt bindweefsel met veel cellen, bloedvaten en zenuwen.
Goed ontwikkelde dermale papillen (huidpapillen) → stevigheid → gaan van dermis naar epidermis.
Subpapilliaire plexus = belangrijk bij de thermoregulatie via de huis (in samenwerking met zweetklieren).
Verhoogde doorbloeding subpapilliaire plexus zorgt voor rood hoofd.
Typisch kenmerk van
zoogdierenhuid: haar.
3