HOORCOLLEGES AW
2025
Zelfstudies
Hoorcolleges
Geen eindtoets, maar deeltoets
WCO = eindopdracht
Casus uitwerken met literatuur, diagnose stellen, behandelplan/advies (mondeling)
Per casus: 5 hoofdvragen
IC3 = verplicht individuele opdracht
(opdracht = voorbereiden en vervolgens reflecteren)
IC3: panelcollege: kalf bij koe
Zelfstudie
Domesticatie
Gedrag en welzijn rund
Gedragsdiagnostiek GD
ook studiestof
,HOORCOLLEGES 1 - MOTIVATIONELE SYSTEMEN
Belang van gedrag voor de veterinair: ziekte en pijngedrag herkennen!
Reproductie fases: tocht herkennen bij de rund
- Bespringen
- Onrustig
- Verminderde eetlust
- Likken
- Schuren
Signalen van aan- of afwezigheid van aanpassingsproblemen herkennen
Gedrag is een bepaald patroon of ordening en is objectief en systemisch
observeerbaar en onderzoekbaar. Vaak is gedrag onbewust, maar toch is er een
patroon. (geen specifieke beschrijving van gedrag). Gedrag is ook doelmatig, en is
vaak te leiden tot een oplossing van een probleem (jagen om vogel te vangen).
stroom van gedragselementen van de tijd
Vier ethologische hoofdvragen voor gedrag (Tinbergen)
- Waarom vraag opgesplitst in:
o Waardoor (oorzaken)
o Waartoe (functie van gedrag)
o Ontwikkeling (tijdens leven)
o Ontstaat (evolutie)
Proximate veroorzaking: vraagstukken onder de classificatie: waardoor?
Ultimate veroorzaking: vraagstukken onder de classificatie: waartoe?
Evolutionaire processen ten grondslag. Gedrag heeft een functie.
Skinner: waardoor vragen. Bestudeerde leerprocessen in laboratoria.
Konrad Lorenz en Nico Tinbergen: waartoe vragen. Ontwikkeling van gedrag en
ontstaan van gedrag tijdens het leven en evolutie.
Gedragselement = duidelijk herkenbare afzonderlijke handeling (patroonmatige
activiteit).
HOORCOLLEGE 2 – WAT IS GEDRAG?
Gedrag = systeem waarmee dieren veranderingen in de omgeving detecteren,
filteren en hier vervolgens gepast op reageren. Reactie van koud zijn is
klappertanden, dus adaptatie).
Gedrag = actie die ontstaat als reactie op een bepaalde prikkel uit de omgeving.
Perifere filtering = zintuigen beperken instroom van informatie.
Sleutelprikkel/deblokkerende prikkel (zelfde) = stimulus die het gedrag kan
doen optreden.
Heel specifiek een reactie uitlokken (wegrennen van een roofvogel silhouet een
kant op, maar als het silhouet anders is, dan niet (specifiek)).
,Sleutelprikkels voorbeelden: trilling van landen van moeder in nest geeft prikkeling
voor kuikens om hun bek open te doen.
Innate releasing mechanism (IRM)
Zintuigfiltering : als alle prikkels tot je komen, dan zou je gek worden
Enkele waardoor je bepaald gedrag gaat vertonen
Dat komt uiteindelijk in een coördinatie centrum gedrag beslissingscentrum. Hier
hangen ook weer de motivationele factoren boven, want soms ben je minder reactie
bereid dan het andere moment.
Gedrag en instinct zitten heel nauw aan elkaar verbonden.
Instinct: gedragingen die geïnitieerd worden door een sleutelstimulus dan lijken ze
bijna een automatisch gedrag te ontwikkelen.
Kenmerken van instinct gedrag
- Alle individuen vertonen ongeveer dezelfde reactie op eenzelfde
sleutelstimulus
- Vormvast (redelijk)
- Indien in gang gezet dan wordt het vaak ook voltooid
- Aangeleerde aspecten zijn gering van invloed
Gedragselementen niet willekeurig gedragsketens
Bepaalde stimuli roepen soms een keten van gedragingen op met min of meer
vaste volgorde (=gedragsketen). Gedragsketen kan min of meer automatisch
afwikkelen, maar wel in wisselwerking met de omgeving (bijvoorbeeld reactie van
het vrouwelijke dier: zigzaggen balts volgen sidderen inkruipen ei
leggen etc (zelfs als het vrouwtje niet meer wilt gaat het mannetje door).)
Deblokkerende, inhiberende en sturende stimuli/prikkels
Deblokkeren: Interactie tussen mannetjes met rode buiken deblokkeren van het
gedrag van agressie.
Inhiberen: klokken van kalkoen kuikens, omdat agressieve gedrag van de
volwassen (ouder) kalkoenen inhibeert. Hierdoor gaan ze de kuikens niet aanvallen.
, Sturende stimuli/prikkels: ganzen reageren als ze in een nest zitten en er rolt
een ei weg dan gaan ze de hals strekken om het ei tegen te houden (en terug naar
binnen te loodsen, ei rol gedrag).
Verschil tussen deblokkerende en sturende stimuli
Deblokkeren: opheffen van remmende invloed
Sturende: actief aanzetten of richting geven aan een proces (zetten proces in
gang)
Supernormale stimuli
= een overdreven versie van een normale stimulus die een sterkere reactie uitlokt
van de natuurlijke prikkel. Dieren kunnen instinctief sterker reageren op deze
overdreven prikkels (ookal zijn ze onnatuurlijk).
Vogels hebben voorkeur aan grotere en fellere eieren en meeuwen en vogels
reageren sterker op kunstmatige, felgekleurde voedselbronnen dan hun natuurlijke
voedsel.
(wat voorkeur heeft hoeft niet per se functioneel te zijn)
Motivationele factoren en het coördinatie centrum
Motivatie = wisselende gedragsbereidheid
Deblokkering door een sleutelprikkel gebeurt niet zomaar en niet altijd.
Decision making: afwegingsmoment waarin belang van diverse in- en uitwendige
prikkels worden afgewogen (kosten en baten analyse (dier zal altijd leven kiezen
voor andere gedragingen)).
Limbische systeem: hypothalamus,
hypocampus, amygdala en neocortex.
Hier wordt alles geregeld.
Hypothalamus en hypocampus zijn
geheugensystemen die informatie systemen bij
elkaar brengen om de amygdala te dienen.
Amygdala: belangrijk voor emoties (positief en
negatief).
Hier wordt vanuit de emotie een gedrag
gegenereerd. Neocortex is het hogere
gedragscentrum, maar niet alle dieren hebben
die. Op basis van de ervaringen die in de
neocortex zijn opgeslagen kunnen ze een beslissing maken.
2025
Zelfstudies
Hoorcolleges
Geen eindtoets, maar deeltoets
WCO = eindopdracht
Casus uitwerken met literatuur, diagnose stellen, behandelplan/advies (mondeling)
Per casus: 5 hoofdvragen
IC3 = verplicht individuele opdracht
(opdracht = voorbereiden en vervolgens reflecteren)
IC3: panelcollege: kalf bij koe
Zelfstudie
Domesticatie
Gedrag en welzijn rund
Gedragsdiagnostiek GD
ook studiestof
,HOORCOLLEGES 1 - MOTIVATIONELE SYSTEMEN
Belang van gedrag voor de veterinair: ziekte en pijngedrag herkennen!
Reproductie fases: tocht herkennen bij de rund
- Bespringen
- Onrustig
- Verminderde eetlust
- Likken
- Schuren
Signalen van aan- of afwezigheid van aanpassingsproblemen herkennen
Gedrag is een bepaald patroon of ordening en is objectief en systemisch
observeerbaar en onderzoekbaar. Vaak is gedrag onbewust, maar toch is er een
patroon. (geen specifieke beschrijving van gedrag). Gedrag is ook doelmatig, en is
vaak te leiden tot een oplossing van een probleem (jagen om vogel te vangen).
stroom van gedragselementen van de tijd
Vier ethologische hoofdvragen voor gedrag (Tinbergen)
- Waarom vraag opgesplitst in:
o Waardoor (oorzaken)
o Waartoe (functie van gedrag)
o Ontwikkeling (tijdens leven)
o Ontstaat (evolutie)
Proximate veroorzaking: vraagstukken onder de classificatie: waardoor?
Ultimate veroorzaking: vraagstukken onder de classificatie: waartoe?
Evolutionaire processen ten grondslag. Gedrag heeft een functie.
Skinner: waardoor vragen. Bestudeerde leerprocessen in laboratoria.
Konrad Lorenz en Nico Tinbergen: waartoe vragen. Ontwikkeling van gedrag en
ontstaan van gedrag tijdens het leven en evolutie.
Gedragselement = duidelijk herkenbare afzonderlijke handeling (patroonmatige
activiteit).
HOORCOLLEGE 2 – WAT IS GEDRAG?
Gedrag = systeem waarmee dieren veranderingen in de omgeving detecteren,
filteren en hier vervolgens gepast op reageren. Reactie van koud zijn is
klappertanden, dus adaptatie).
Gedrag = actie die ontstaat als reactie op een bepaalde prikkel uit de omgeving.
Perifere filtering = zintuigen beperken instroom van informatie.
Sleutelprikkel/deblokkerende prikkel (zelfde) = stimulus die het gedrag kan
doen optreden.
Heel specifiek een reactie uitlokken (wegrennen van een roofvogel silhouet een
kant op, maar als het silhouet anders is, dan niet (specifiek)).
,Sleutelprikkels voorbeelden: trilling van landen van moeder in nest geeft prikkeling
voor kuikens om hun bek open te doen.
Innate releasing mechanism (IRM)
Zintuigfiltering : als alle prikkels tot je komen, dan zou je gek worden
Enkele waardoor je bepaald gedrag gaat vertonen
Dat komt uiteindelijk in een coördinatie centrum gedrag beslissingscentrum. Hier
hangen ook weer de motivationele factoren boven, want soms ben je minder reactie
bereid dan het andere moment.
Gedrag en instinct zitten heel nauw aan elkaar verbonden.
Instinct: gedragingen die geïnitieerd worden door een sleutelstimulus dan lijken ze
bijna een automatisch gedrag te ontwikkelen.
Kenmerken van instinct gedrag
- Alle individuen vertonen ongeveer dezelfde reactie op eenzelfde
sleutelstimulus
- Vormvast (redelijk)
- Indien in gang gezet dan wordt het vaak ook voltooid
- Aangeleerde aspecten zijn gering van invloed
Gedragselementen niet willekeurig gedragsketens
Bepaalde stimuli roepen soms een keten van gedragingen op met min of meer
vaste volgorde (=gedragsketen). Gedragsketen kan min of meer automatisch
afwikkelen, maar wel in wisselwerking met de omgeving (bijvoorbeeld reactie van
het vrouwelijke dier: zigzaggen balts volgen sidderen inkruipen ei
leggen etc (zelfs als het vrouwtje niet meer wilt gaat het mannetje door).)
Deblokkerende, inhiberende en sturende stimuli/prikkels
Deblokkeren: Interactie tussen mannetjes met rode buiken deblokkeren van het
gedrag van agressie.
Inhiberen: klokken van kalkoen kuikens, omdat agressieve gedrag van de
volwassen (ouder) kalkoenen inhibeert. Hierdoor gaan ze de kuikens niet aanvallen.
, Sturende stimuli/prikkels: ganzen reageren als ze in een nest zitten en er rolt
een ei weg dan gaan ze de hals strekken om het ei tegen te houden (en terug naar
binnen te loodsen, ei rol gedrag).
Verschil tussen deblokkerende en sturende stimuli
Deblokkeren: opheffen van remmende invloed
Sturende: actief aanzetten of richting geven aan een proces (zetten proces in
gang)
Supernormale stimuli
= een overdreven versie van een normale stimulus die een sterkere reactie uitlokt
van de natuurlijke prikkel. Dieren kunnen instinctief sterker reageren op deze
overdreven prikkels (ookal zijn ze onnatuurlijk).
Vogels hebben voorkeur aan grotere en fellere eieren en meeuwen en vogels
reageren sterker op kunstmatige, felgekleurde voedselbronnen dan hun natuurlijke
voedsel.
(wat voorkeur heeft hoeft niet per se functioneel te zijn)
Motivationele factoren en het coördinatie centrum
Motivatie = wisselende gedragsbereidheid
Deblokkering door een sleutelprikkel gebeurt niet zomaar en niet altijd.
Decision making: afwegingsmoment waarin belang van diverse in- en uitwendige
prikkels worden afgewogen (kosten en baten analyse (dier zal altijd leven kiezen
voor andere gedragingen)).
Limbische systeem: hypothalamus,
hypocampus, amygdala en neocortex.
Hier wordt alles geregeld.
Hypothalamus en hypocampus zijn
geheugensystemen die informatie systemen bij
elkaar brengen om de amygdala te dienen.
Amygdala: belangrijk voor emoties (positief en
negatief).
Hier wordt vanuit de emotie een gedrag
gegenereerd. Neocortex is het hogere
gedragscentrum, maar niet alle dieren hebben
die. Op basis van de ervaringen die in de
neocortex zijn opgeslagen kunnen ze een beslissing maken.