College 1
- Neuronen ontvangen informatie, verwerken deze en geven signalen door aan andere
cellen.
- Gliacellen hebben een ondersteunende rol.
- Camillo Gogli bedacht de zilverkleuringsmethode om individuele cellen zichtbaar te
maken. Cajal gebruikte dit vervolgens bij hersencellen en bewees zo dat zenuwcellen
aparte eenheden zijn die elkaar niet raken of samensmelten. Dit vormde de basis voor
de moderne neurondoctrine besef dat de hersenen bestaan uit individuele cellen die
samenwerken.
- Neuronen hebben een celmembraan, dat de binnenkant van de cel scheidt van de
buitenwereld. Dit membraan laat bepaalde stoffen door (water en zouten) maar houdt
de meeste tegen. Binnenin de cel bevinden zich belangrijke structuren zoals de
mitochondriën, die energie produceren, en de ribosomen, die eiwitten aanmaken. Ze
zijn speciaal omdat ze een specifieke taak hebben die andere lichaamscellen niet
hebben, namelijk de communicatie tussen de hersenen en het lichaam.
- Neuronen hebben unieke vormen die zeer kunnen verschillen. Wel hebben ze allemaal
een cellichaam (soma), en axon dat signalen doorstuurt en meerdere dendrieten die
signalen ontvangen.
- Dendrieten:
- zijn vertakte uitlopers van een zenuwcel die eruitzien als takken van een boom.
- ontvangen signalen van andere zenuwcellen via synaptische receptoren.
- hoe groter het oppervlak, hoe meer informatie ze kunnen ontvangen.
- vaak zitten er dendritische spines, dit zijn kleine uitsteeksels die het oppervlak nog
groter maken zodat de cel meer signalen kan opvangen.
- Cellichaam (soma):
- bevat de celkern (nucleus), ribosomen en mitochondriën.
- hier gebeuren de meeste stofwisselingsprocessen van de zenuwcel, zoals
energieproductie en eiwitaanmaak.
- ontvangt signalen van de dendrieten en beslist of die signalen sterk genoeg zijn om
verder te sturen via het axon.
- Axon:
- is een lange, dunne vezel die signalen wegvoert van het cellichaam naar andere
cellen (neuronen en spieren).
- sommigen kunnen meer dan een meter lang zijn (van ruggenmerg tot voet).
- kan bedekt zijn met een myelineschede, dit is een isolerende laag die helpt om
signalen sneller te geleiden.
- aan het uiteinde zitten presynaptische uiteinden die de boodschap doorgeven aan de
volgende cel via synapsen.
- Een motorneuron stuurt signalen van het ruggenmerg naar de spieren, dit is ook wel
een efferent neuron.
- Een sensorisch neuron vangt prikkelt op uit de huis, ogen of oren en stuurt die
informatie naar het ruggenmerg en de hersenen, dit is ook wel een afferent neuron.
- Intrinsieke neuronen liggen binnen dezelfde structuur, bijvoorbeeld binnen het
ruggenmerg en sturen binnen diezelfde structuur signalen naar elkaar.
- Neuronen kunnen sterk verschillen in vorm, grootte en functie:
- in het cerebellum (kleine hersenen) vind je de Purkinje-cellen, met extreem vertakte
- Neuronen ontvangen informatie, verwerken deze en geven signalen door aan andere
cellen.
- Gliacellen hebben een ondersteunende rol.
- Camillo Gogli bedacht de zilverkleuringsmethode om individuele cellen zichtbaar te
maken. Cajal gebruikte dit vervolgens bij hersencellen en bewees zo dat zenuwcellen
aparte eenheden zijn die elkaar niet raken of samensmelten. Dit vormde de basis voor
de moderne neurondoctrine besef dat de hersenen bestaan uit individuele cellen die
samenwerken.
- Neuronen hebben een celmembraan, dat de binnenkant van de cel scheidt van de
buitenwereld. Dit membraan laat bepaalde stoffen door (water en zouten) maar houdt
de meeste tegen. Binnenin de cel bevinden zich belangrijke structuren zoals de
mitochondriën, die energie produceren, en de ribosomen, die eiwitten aanmaken. Ze
zijn speciaal omdat ze een specifieke taak hebben die andere lichaamscellen niet
hebben, namelijk de communicatie tussen de hersenen en het lichaam.
- Neuronen hebben unieke vormen die zeer kunnen verschillen. Wel hebben ze allemaal
een cellichaam (soma), en axon dat signalen doorstuurt en meerdere dendrieten die
signalen ontvangen.
- Dendrieten:
- zijn vertakte uitlopers van een zenuwcel die eruitzien als takken van een boom.
- ontvangen signalen van andere zenuwcellen via synaptische receptoren.
- hoe groter het oppervlak, hoe meer informatie ze kunnen ontvangen.
- vaak zitten er dendritische spines, dit zijn kleine uitsteeksels die het oppervlak nog
groter maken zodat de cel meer signalen kan opvangen.
- Cellichaam (soma):
- bevat de celkern (nucleus), ribosomen en mitochondriën.
- hier gebeuren de meeste stofwisselingsprocessen van de zenuwcel, zoals
energieproductie en eiwitaanmaak.
- ontvangt signalen van de dendrieten en beslist of die signalen sterk genoeg zijn om
verder te sturen via het axon.
- Axon:
- is een lange, dunne vezel die signalen wegvoert van het cellichaam naar andere
cellen (neuronen en spieren).
- sommigen kunnen meer dan een meter lang zijn (van ruggenmerg tot voet).
- kan bedekt zijn met een myelineschede, dit is een isolerende laag die helpt om
signalen sneller te geleiden.
- aan het uiteinde zitten presynaptische uiteinden die de boodschap doorgeven aan de
volgende cel via synapsen.
- Een motorneuron stuurt signalen van het ruggenmerg naar de spieren, dit is ook wel
een efferent neuron.
- Een sensorisch neuron vangt prikkelt op uit de huis, ogen of oren en stuurt die
informatie naar het ruggenmerg en de hersenen, dit is ook wel een afferent neuron.
- Intrinsieke neuronen liggen binnen dezelfde structuur, bijvoorbeeld binnen het
ruggenmerg en sturen binnen diezelfde structuur signalen naar elkaar.
- Neuronen kunnen sterk verschillen in vorm, grootte en functie:
- in het cerebellum (kleine hersenen) vind je de Purkinje-cellen, met extreem vertakte