Neurologie en zenuwstelsel
1. Cerebrum (grote hersenen): Deel van de hersenen verantwoordelijk
voor hogere functies zoals denken, geheugen, en beweging.
2. Truncus cerebri (Hersenstam): Reguleert basisfuncties zoals hartslag,
ademhaling en bloeddruk.
3. Cerebellum (kleine hersenen): Betrokken bij motorische controle en
evenwicht.
4. Ruggenmerg: Deel van het centrale zenuwstelsel dat signalen doorgeeft
tussen de hersenen en de rest van het lichaam.
5. Centrale zenuwstelsel (CZS): Bestaat uit de hersenen en het
ruggenmerg.
6. Perifere zenuwstelsel (PZS): Bestaat uit zenuwen buiten het CZS,
stuurt signalen van en naar het lichaam.
7. Autonoom zenuwstelsel: Reguleert onwillekeurige functies zoals
hartslag en spijsvertering; omvat het sympathische en parasympathische
systeem.
8. Animaal zenuwstelsel: Regelt willekeurige bewegingen en sensorische
waarneming.
9. Afferente banen: Zenuwbanen die sensorische informatie naar het CZS
sturen.
10.Efferente banen: Zenuwbanen die motorische signalen van het CZS naar
de spieren sturen.
11.Neuron: Zenuwcel die elektrische impulsen doorgeeft.
12.Dendrieten: Uitlopers van een neuron die signalen ontvangen van andere
neuronen.
13.Axonen: Lange uitlopers van neuronen die signalen doorgeven naar
andere cellen.
14.Myelineschede: Isolerende laag om axonen, zorgt voor snellere
signaaloverdracht.
15.Witte stof: Deel van het zenuwstelsel dat bestaat uit gemyeliniseerde
axonen.
16.Grijze stof: Bestaat uit neuronale cellichamen, dendrieten en on-
gemyeliniseerde axonen.
17.Basale ganglia: Groep neuronen in de hersenen betrokken bij motorische
controle.
18.Actiepotentiaal: Elektrische impuls die langs een neuron reist.
19.Synaps: Plaats waar signalen worden overgedragen van de ene neuron
naar de andere.