Oefenvragen
J. Drost en E.Hoogterp. (2015). Van boefje tot crimineel. Dossieronderzoek
naar minderjarige veelplegers in Friesland.
1. Wat was het primaire doel van het onderzoek van Drost en Hoogterp naar
minderjarige veelplegers in Friesland?
a. Het evalueren van de effectiviteit van bestaande interventies voor
jeugdige delinquenten.
b. Het opstellen van een kenmerkenlijst om Friese veelplegers in kaart te
brengen.
c. Het vergelijken van criminele activiteiten tussen stedelijke en landelijke
gebieden.
d. Het analyseren van de juridische procedures rondom jeugdcriminaliteit.
2. Welke van de volgende kenmerken werd NIET geïdentificeerd als typerend
voor minderjarige veelplegers in Friesland volgens het onderzoek?
a. Mannelijk geslacht.
b. Nederlandse afkomst.
c. Hoog IQ.
d. Eerste politiecontact tussen 10-15 jaar.
3. Volgens het onderzoek van Drost en Hoogterp, welke percentage van de
Friese veelplegers had een lvb?
a. 20%
b. 33%
c. 40%
d. 50%
4. Welke gezinsfactor werd vaak geassocieerd met minderjarige veelplegers in
Friesland?
a. Opgroeien in een eenoudergezin.
b. Gebrek aan broers of zussen.
c. Hoge sociaaleconomische status.
d. Strikte opvoedingsstijl.
5. Wat was een belangrijke aanbeveling van het onderzoek voor het verminderen
van recidive onder jeugdige veelplegers?
a. Verhogen van straffen voor jeugdige delinquenten.
b. Implementeren van financiële bewind voering voor jongeren.
c. Aanpassen en ontwikkelen van interventies afgestemd op de specifieke
problematiek van veelplegers.
d. Verplaatsen van jongeren naar andere regio’s om negatieve invloeden
te verminderen.
6. Welke methodologische aanpak werd gebruikt in het onderzoek van Drost en
Hoogterp naar minderjarige veelplegers in Friesland?
a. Longitudinaal veldonderzoek met interviews en observaties.
b. Analyse van politiedossiers en strafrechtelijke gegevens.