GESCHIEDENIS Middeleeuwen
, OPKOMST ISLAM
Mohammed was een Arabische handelaar die door Allah (Arabische
voor God) werd uitgekozen als profeet. Vanaf 610 zou de engel
Gabriel verzen van God aan hebben doorgegeven, die na zijn dood
werden opgeschreven in de Koran.
Net zoals de christenen hadden de moslims een boodschap voor alle
mensen. De christenen wilden de wereld bekeren, en de moslims
wilden de heilige strijd (jihad) winnen. De innerlijke strijd ging erom
een goede moslim te zijn, en de uiterlijke strijd was om de islam te
verdedigen.
Na Mohammeds dood kwam er ook nog de verplichting bij voor
moslims om hun godsdienst te verspreiden, en als het moest, met
geweld.
Mohammed was niet alleen een geestelijke leider, maar ook een
wereldlijk machthebber. Hij werd geboren in Mekka, maar werd
daar verdreven en vluchtte naar Medina. Daar kreeg hij politieke en
godsdienstige macht.
Na Mohammeds dood, in 632 na Christus, kozen de Arabische leiders
een nieuwe politieke en geestelijke leider: de kalief. De kalief
betekent “opvolger”.
De kaliefen breidden de islamitische staat in korte tijd uit tot een
groot Arabisch rijk. Ze veroverden onder andere Syrië, Palestina en
Egypte. Rond 650 viel de expansie stil door burgeroorlogen binnen
het kalifaat. In 661 werd de kalief Ali vermoord, en daardoor kwamen
de Omajjaden aan de macht. Zij stichtten in de hoofdstad in
Damascus, een erfelijke dynastie. Dit leidde tot opstanden van
sjiieten (volgelingen van Ali) die bloedig werden onderdrukt. De
Sjiieten bleven een grote minderheid in de Islam: de meeste moslims
zijn soennieten.