Samenvatting
Week 1
Hoorcollege: De bijzondere positie van jeugdigen in het strafrecht
Verdiepingscollege: Grondslagen en doelstellingen van jeugdstrafrecht
Literatuur:
Handboek Bruning, Van den Brink & Punselie 2024, hoofdstuk 8 + paragrafen 9.1, 9.2 en
9.4 + paragrafen 10.1 en 10.2
Y.N. van den Brink, M.R. Bruning & T. Liefaard, ‘Kinderrechten en het strafrecht: Over
'kindbeelden', functies van strafrecht en de rechten van minderjarige verdachten en
slachtoffers’, in: J. Altena et al. (red.), In onderlinge samenhang: Liber Amicorum Tineke
Cleiren, Den Haag: Boom juridisch, p. 155-170. Zie hier
Y.N. van den Brink & E.M. Mijnarends, ‘General Comment No. 24 – nieuw elan voor het
jeugdstrafrecht: Over leeftijdsgrenzen, ‘diversion’ en de bredere implicaties voor het
jeugdstrafrecht’, Boom Strafblad 2020, afl. 1, p. 7-15. Zie hier
I. Weijers, ‘Geschiedenis van het jeugdstrafrecht’, in: Jeugdstrafrecht in internationaal
perspectief, Den Haag: Boom Criminologie 2021, p. 83-102. Te raadplegen via Canvas
Aanvullende regelgeving:
VN-Kinderrechtencomité, General Comment no. 24: Children’s rights in the child justice
system, CRC/C/GC/24, 18 september 2019. Zie hier (onder version, de Engelstalige versie)
Handboek, Jeugdrecht & jeugdhulp 2024
Hoofdstuk 8 + paragrafen 9.1, 9.2 en 9.4 + paragrafen 10.1 en 10.2
Hoofdstuk 8 – De ontwikkeling van het jeugdstraf(proces)recht in vogelvlucht
8.1 Inleiding
Jeugdcriminaliteit bestaat al eeuwen, maar de manier waarop overheid en rechtsstelsel reageren is de
afgelopen ±150 jaar sterk veranderd en blijft in beweging. Dit hoofdstuk schetst in grote lijnen:
1. de grondslagen en doelen van het huidige jeugdstrafrecht (8.2),
2. de wetshistorische ontwikkeling (8.3),
3. belangrijke beleidsontwikkelingen rond aanpak en afdoening (8.4),
4. het internationale en Europese kinderrechtenkader dat het jeugdstrafrecht mede vormt (8.5).
Het vormt daarmee de basis om het huidige jeugdstrafprocesrecht (hfst. 9) en
jeugdsanctierecht (hfst. 10) goed te begrijpen.
8.2 Grondslagen van het Nederlandse jeugdstrafrecht
1) Apart jeugdstrafrecht (sinds 1905) met flexibele leeftijdsgrenzen
1. Nederland kent sinds 1905 een afzonderlijk jeugdstrafrecht met bijzondere regels voor vervolging,
berechting en sanctionering van minderjarigen.
2. Hoofdregel: van toepassing op jeugdigen die ten tijde van het delict 12 t/m 17 jaar zijn.
3. Flexibele bovengrens:
o 16- en 17-jarigen kunnen onder voorwaarden volgens volwassenenstrafrecht worden
gesanctioneerd (art. 77b Sr).
o Jongvolwassenen 18 t/m 23 jaar kunnen jeugdsancties krijgen (art. 77c Sr, sinds 2014
verruimd tot 23).
2) Jeugdstrafrecht is óók “gewoon” strafrecht: schuldstrafrecht + waarborgen
1
,Het jeugdstrafrecht is strafrecht (dus niet hetzelfde als civiel jeugdbeschermingsrecht). Kern:
“Geen straf zonder schuld” geldt onverkort: ingrijpen wordt gerechtvaardigd door individuele
schuld aan een strafbaar feit.
Dezelfde algemene leerstukken en waarborgen gelden in beginsel als bij volwassenen:
o materieel: opzet, schuld, wederrechtelijkheid;
o formeel: opportuniteitsbeginsel, onschuldpresumptie, zwijgrecht;
o en kernbeginselen proportionaliteit en subsidiariteit.
De nauwe band blijkt ook wetstechnisch: veel bepalingen uit Sr en Sv die voor volwassenen
gelden, gelden ook voor minderjarigen.
3) Tegelijk: een eigen, pedagogisch karakter (jeugdspecifiek maatwerk)
Het bijzondere karakter zit in de pedagogische benadering:
Procesrechtelijk o.a.: berechting door kinderrechter en zittingen in beginsel achter gesloten
deuren.
Sanctiestelsel: lagere maxima en sterkere focus op resocialisatie, heropvoeding en
gedragsbeïnvloeding.
Achterliggende gedachte: minderjarigen zijn nog in ontwikkeling, kwetsbaarder in het
strafproces, en vaak verminderd verantwoordelijk.
Kenmerkend is een persoonsgerichte aanpak: interventies moeten aansluiten bij ontwikkeling
en omstandigheden (maatwerk).
Daarom zijn gespecialiseerde instanties structureel betrokken, zoals RvdK, (gecertificeerde)
jeugdreclassering en justitiële jeugdinrichtingen.
8.3 Wetshistorische ontwikkeling
PERIODE TOT 1901: NAUWELIJKS APART JEUGD(STRAF)RECHT
Centraal stond vooral de vraag: kan een jeugdige strafrechtelijk verantwoordelijk zijn?
In veel systemen bestond een minimumleeftijdsgrens:
o Romeins recht: 7 jaar (infantes).
o Oud-vaderlands recht: variabel 10–14 jaar.
Had je die grens bereikt, dan kreeg je vaak dezelfde (harde) straffen als volwassenen;
speciale jeugdstraffen bestonden nauwelijks.
Amsterdam (16e–17e eeuw): rasphuizen (jongens) en spinhuizen (meisjes) met discipline/arbeid als
“vorming”. Dit raakte later in verval (overbezetting, ook volwassenen).
1810–1886: Code Pénal
Geen minimumleeftijdsgrens.
Wel onderscheid: jeugdigen (0–16) mét of zonder “oordeel des onderscheids”.
o Zonder oordeel: terug naar ouders of opvoedingsgesticht.
o Met oordeel: gewone straffen, maar max. 1/3 lager.
Wetboek van Strafrecht 1886
Minimumleeftijd terug: 10 jaar.
Voor 10–16 bleef “oordeel des onderscheids” beslissend; strafmax. 1/3 lager.
STRAFRECHTELIJKE KINDERWET 1901 (FUNDAMENT; IN WERKING 1905): REVOLUTIE
De Kinderwet 1901 verving “volwassenenstraf met korting” door een eigen sanctiepakket voor <18:
teruggave aan ouders zonder straf,
berisping,
2
, geldboete (max. f 90),
plaatsing tuchtschool (max. 3/6/12 maanden),
jeugd-tbr (terbeschikkingstelling regering),
verbeurdverklaring.
Opvallend: men liet de minimumleeftijd los (0–18 viel eronder), vanuit het vertrouwen in pedagogisch
maatwerk—waardoor in de praktijk zelfs heel jonge kinderen gestraft konden worden. Het
schuldbeginsel zou blijven gelden, maar raakte in de praktijk soms op de achtergrond.
Ook procesrechtelijk vernieuwend:
zitting achter gesloten deuren,
recht op advocaat voor iedere jeugdige verdachte,
onderzoek naar persoon/levensomstandigheden,
betrokkenheid ouders/voogd.
WIJZIGINGEN SINDS 1901
a) Eerste decennia 20e eeuw: kinderrechter + OTS (1922)
Per 1 november 1922: introductie kinderrechter en ondertoezichtstelling (OTS).
Kinderrechter kreeg een centrale rol (ook invloed op tenuitvoerlegging).
OTS kon destijds óók als strafrechtelijke maatregel worden gebruikt (pas 1995 afgeschaft).
Probleem: door ontbreken van benedengrens werden soms kinderen van 8–9 jaar veroordeeld →
discussie over grenzen van het schuldbeginsel. Dit leidde uiteindelijk tot invoering van een
vervolgingsgrens in 1965.
b) Wetswijziging 1965 (na Commissie-Overwater)
Inwerkingtreding 1 juli 1965 (wetten nov. 1961).
Minimumleeftijd strafrechtelijke vervolging: 12 jaar (art. 486 Sv).
o Ratio: jonge kinderen categorisch uitsluiten; toerekeningsvatbaarheid vaak (nog) niet
aanwezig; strafvervolging te zwaar en onbegrijpelijk.
o Herwaardering van het schuldbeginsel.
Andere belangrijke wijzigingen:
RvdK krijgt duidelijke adviserende/toezichthoudende taak.
Introductie arrest (4 uur–14 dagen) en maatregel p.i.b.b. (plaatsing in inrichting voor
buitengewone behandeling).
Tuchtschool max. 6 maanden; “teruggave aan ouders” vervalt als maatregel.
Mogelijkheid tot schuldigverklaring zonder straf/maatregel (art. 9a Sr).
OTS kon zelfstandig worden opgelegd.
Jeugdsanctie onder voorwaarden ook toepasbaar bij 18–21-jarigen.
c) Herziening per 1 september 1995 (Commissie-Anneveldt → wet 1994, Stb. 1994, 528)
Uitgangspunten:
Jeugdigen als rechtssubject (mondiger) → versterking rechtspositie; schrappen
bevoogdende regels.
Vereenvoudiging/modernisering, o.a. wettelijke basis voor Halt en alternatieve sancties.
Belangrijkste wijzigingen:
Materieel (sanctiepakket)
Berisping vervalt.
3
, Geldboete max ƒ 5.000 (nu € 5.150) + vervangende jeugddetentie bij niet-betaling (art. 77l Sr
zoals in tekst genoteerd).
Arrest en tuchtschool verdwijnen → één vrijheidsstraf: jeugddetentie (art. 77i Sr; max 12 mnd
<16 en 24 mnd voor 16–17).
Alternatieve sancties: werk-/leerproject (art. 77m en 77n Sr).
Bijkomende straffen: verbeurdverklaring, plus nieuw: ontzegging rijbevoegdheid (art. 77r Sr).
Jeugd-tbr en p.i.b.b. → PIJ-maatregel (art. 77s Sr).
OTS verdwijnt als strafrechtelijke maatregel.
Ook volwassenmaatregelen kunnen bij jeugd: onttrekking (art. 36b–36d Sr), ontneming
voordeel (art. 36e Sr), schadevergoeding (art. 36f Sr).
Buitengerechtelijke afdoening
Halt in de voorfase via opsporingsambtenaar (max 20 uur) (art. 77e Sr).
Transactievoorwaarde werk-/leerproject door OvJ (art. 77f (oud) Sr).
Procesrecht
Kinderrechter kan in voorfase als RC optreden m.b.t. inbewaringstelling (als hij later ook
zittingsrechter wil zijn).
Over gevangenhouding beslist raadkamer; kinderrechter die inbewaringstelling gelastte mag
niet in raadkamer zitten (art. 21 lid 4 Sv).
“Driehoeksoverleg” (OvJ–kinderrechter) verdwijnt (art. 493 (oud) en 499 (oud) Sv vervallen).
Jeugdige vanaf 12 kan rechten zelfstandig uitoefenen (o.a. hoger beroep); <16 kan ook
raadsman (art. 502 Sv).
WETSWIJZIGINGEN NA 1995 (HOOFDLIJNEN)
a) Wet taakstraffen (1 feb 2001)
Taakstraf wordt hoofdstraf: werkstraf en leerstraf
(art. 77h lid 1–2 jo. art. 77m e.v. Sr).
Instemming jeugdige niet meer vereist (vroeger wel bij omzetting jeugddetentie).
Taakstraf is sindsdien de meest toegepaste hoofdstraf.
b) Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen (Bjj) (1 sept 2001)
Verbetert rechtspositie jeugdigen in JJI’s; bundelt regels + voegt o.a. toe:
o selectie/plaatsing,
o klachten/bemiddeling,
o Scholings- en Trainingsprogramma (STP),
o organisatorische regels (bestemming/beheer).
c) Wet op de jeugdzorg (2005) → Jeugdwet (2015)
Jeugdhulp kan onderdeel zijn van strafrechtelijke maatregel.
Regelt taak jeugdreclassering: vanaf 2015 via gemeenten (gecertificeerde instelling).
d) Wet gedragsbeïnvloeding jeugdigen (1 feb 2008)
Nieuwe sanctie: GBM (gedragsbeïnvloedende maatregel) (art. 77w e.v. Sr).
Verruimde combinatiemogelijkheden van sancties (art. 77g Sr).
Bij schorsing voorlopige hechtenis wettelijk: bijzondere voorwaarden (art. 493 Sv).
Expliciet: geen levenslang bij toepassing volwassenenstrafrecht op jeugdige (art. 77b lid 2
Sr).
e) Wet OM-afdoening (1 feb 2008; jeugd beperkt vanaf 2011; beleid 2022)
4