Pagina 38 - 52. 2
Pagina 79 - 102 4
Pagina 140 - 147 6
Pagina 125 - 130 7
Pagina 147 - 159 8
Pagina 166 - 170 10
Pagina 177 - 188 11
Pagina 192 - 202 12
Pagina 212 - 226 13
Pagina 237 - 267 (met uitzondering van pagina 253 - 255) 15
Namen: 17
1
,De revolutie die in haar eigen staart beet
Pagina 38 - 52.
Het ontstaan van de traditionele economische geschiedenis
• Definitie geschiedenis: het menselijk verleden weergeven door bepaalde aspecten uit het verleden te
beschrijven en in een samenhangend perspectief te plaatsen
• Economische geschiedenis pas aan het einde van de 19e eeuw officieel erkend als een zelfstandige
wetenschappelijke discipline
• In de 19e eeuw domineerde binnen de menswetenschappen het positivisme
• Positivisme = een filosofische opvatting dat alleen de empirische wetenschappen geldige
wetenschappen oplevert. Kennis moest op ervaringsfeiten berusten en vrij te zijn van metafysische
speculatie
• Natuurwetenschappen hadden tijdens de renaissance al een ontwikkeling doorgemaakt, de
menswetenschappen volgden tijdens de verlichting
• Sociologie, economie, psychologie en geschiedenis ontwikkelden zich tot zelfstandige wetenschappelijke
disciplines. Deze wetenschappen ontleenden veel methodes van de natuurwetenschappen
• Binnen de geschiedenis ging historicisme een belangrijke rol spelen
• Historicisme is het tegenovergestelde van positivisme
• Historicisme heeft het idee dat het individuele en maatschappelijke leven een uniek proces zijn
• Er zijn geen vaste wetten te vinden binnen historicisme
• Geschiedenis is in tegenstelling tot de natuurwetenschappen niet nomothetisch (natuurwetenschappen
hebben de taak om wetten te ontdekken die beschrijven hoe natuurverschijnselen met elkaar
samenhangen)
• Geschiedenis zal nooit een wet of theorie zijn maar een beschrijving van een uniek proces dat zichzelf
nooit meer zal herhalen
• De meeste menswetenschappen kunnen niet altijd de methodologie van natuurwetenschappen overnemen,
binnen bijvoorbeeld de sociologie en economie kunnen geen gecontroleerde experimenten gedaan worden
om hypotheses te testen.
• Methodenstreit:
• Controverse over de methodologie waarop academisch onderzoek binnen de menswetenschappen
wordt ingekaderd/uitgevoerd
• Klassieke school: empirische, descriptieve methode. Ontstond in de 2e helft van de 18e eeuw.
Belangrijke figuren zijn: Adam Smith, David Ricardo en Jean Baptiste Say
• Neoklassieke school: ontwikkelde zich in de 2e helft van de 19e eeuw. Meer een formele deductief
georiënteerde analyse van economische verschijnselen. Belangrijke figuren: Alfred Marshall, William
Stanley Jevons en Leon Walras.
• De neoklassieke economische kijk zorgde voor een nieuw economisch specialisme > wiskundige
economie
• De neoklassieke school werd gedomineerd door Angelsaksische en Franse economen, dit zorgde voor
een botsing met landen op het Europese vaste land, zoals Duitse en Oostenrijkse economen.
• Duitsland en Oostenrijk probeerden in de 19e eeuw hun eigen industrie te versterken om zo niet meer
afhankelijk te zijn van Engeland. Hierdoor ontstond in Duitsland/Oostenrijk Zollverein, dit is een
samenwerkingsverband van Duitstalige staten om handel en industrie te bevorderen
• Het idee van infant industry protection staat haaks tegenover het gedachtegoed van neoklassieke
economen, invoertarieven (om eigen economie te beschermen) zijn een inbreuk op de vrije
marktwerking en hoorde daarom niet binnen het gedachtegoed van de neoklassieke economie.
• Carl Menger stelt dat het gebruik van historicisme als fundament voor sociale wetenschappen niet
deugde, elke economische theorie is historisch gebonden en kan daarom alleen nuttig zijn voor de
specifieke historische omstandigheden van het tijdvak waar de theorie is in geformuleerd
• Engelse theorie/neoklassieke economie ontleende haar methode aan de natuurwetenschappen en was
daardoor volgens Duitstalige economen niet geschikt voor het doorgronden van een economisch
systeem
• Volgens de Duitse school kan economie als wetenschappelijke discipline niet bouwen op universele
methoden en deductie. Economische wetenschappen moet zoveel mogelijk empirische gegevens
verzamelen om zo tot een zekere mate van generalisatie te komen.
• De Methodenstreit zorgde voor een schisma binnen de economische wetenschap
• Theoretische economie koos voornamelijk voor deductie
2
, • Historische economische school koos voor inductie
• Een valkuil van de historische school is het verzamelen van empirische gegevens, dit kan eindeloos
doorgaan. Hierdoor heeft de historische school ook relatief weinig invloed gehad op de theoretische
economie
• Binnen de theoretische economie werd de logische analyse in d vorm van wiskundige modellen steeds
belangrijker, dit kon binnen de historische economie niet.
• In de loop van de 20ste eeuw werd het idee van een universele economische ontwikkelingstheorie
door de historische economen los gelaten.
• Traditionele economische geschiedenis is voornamelijk belangrijk geweest voor onze kennis van de
manier waarop economische systemen zich in de loop van de tijd hebben ontwikkeld, het bestuderen van
de economie van menselijke samenlevingen in het verleden hebben veel inzichten gegeven in het
verleden
• Kritiek op de traditionele economische geschiedenis:
• Geen aandacht voor de analyse en verklaring van het economisch proces maar volledig focuste op de
beschrijving van de maatschappelijke omgeving waarin dat proces zich afspeelde
• Amper gebruik maken van concepten of inzichten die afkomstig zijn uit de economische theorie en als
er al gebruik gemaakt werd van die concepten konden ze niet de toets der kritiek doorstaan. ‘Analysis
in economic theory is more often than not haunted by either a total lack of economic theory, or, even
worse, by bad theory.’
• In de eerste helft van de 20ste eeuw ontstond er een specialisme binnen de economische wetenschap die
wel empirisch gericht was > econometrie
• Econometrie is een vorm van economisch onderzoek waarin hypothesen afgeleid uit de in wiskundige
vorm gegoten economische theorie op hun empirische houdbaarheid getoetst worden aan kwantitatieve
gegeven met behulp van statische methoden en technieken
• New Economic History
• Binnen de economische geschiedenis werd gebruik gemaakt van methoden en technieken die uit de
wiskundige economie en econometrie kwamen. Er ontstond een scheiding tussen economisch-historici
met een economische achtergrond en diegenen met een historische achtergrond.
• Het werd mogelijk om met methoden/technieken wel een verklaring te geven voor de ontwikkeling
van economische groei in de loop van de tijd en dat economische groei in de westerse wereld een zelf
versterkend proces is geworden
• New Economic History bood een antwoord op de vraag waarom sommige landen wel rijk zijn
geworden en sommige landen niet
• Gingen uit van inzichten ontleed aan de neoklassieke economische theorie
• Markteconomie bevorderde kennelijk technologische ontwikkeling, technologische ontwikkeling
wordt gekenmerkt door een proces van arbeidsindeling en specialisatie om zo een andere
marktdifferentiatie mogelijke te maken
• Neoklassieke economie is geschikt om historische processen van economische ontwikkeling te verklaren
die het dichtst bij het veronderstelde ideaal komen, als het historische proces afwijkt van het ideaal hoe
slechter de neoklassieke theorie toegepast kan worden
• Bepaalde specifieke historische omstandigheden zijn dus bevordelijk voor geweest voor het ontstaan van
een markteconomie, terwijl in andere gevallen de maatschappelijke context de ontwikkeling van een
markteconomie heeft belemmerd
3