Filosofie van de bewegingswetenschappen
Samenvatting literatuur
Een bewogen fundament. De filosofische grondslagen van de
bewegingswetenschappen. (Rob Withagen (2013))
Hoofdstuk 1 Introductie
1.1 De motor-actie controverse
De motor-actiecontroverse gaat over de vraag hoe gecoördineerde bewegingen tot stand
komen, zoals lopen, grijpen of sporten. In dit debat staan twee hoofdtheorieën tegenover
elkaar: de motortheorie en de actietheorie.
De motortheorie ziet het lichaam als een passief instrument dat wordt aangestuurd door het
brein. Volgens deze visie ontstaan slimme en doelgerichte bewegingen doordat het brein
motorprogramma’s maakt op basis van waarnemingen, plannen opstelt en die vervolgens
uitvoert via het lichaam (het zogeheten sense–model–plan–action model, ook wel het
“hamburgermodel”). Gedrag wordt daarom vooral verklaard vanuit hersenprocessen. Deze
benadering is lange tijd dominant geweest in de wetenschap en in het westerse denken.
Vanaf de jaren zeventig kwam hier stevige kritiek op, vooral vanuit de ecologische
benadering van Gibson. Hij stelde dat mensen en dieren de omgeving direct waarnemen,
zonder interne representaties, en dat waarnemen en bewegen onlosmakelijk met elkaar
verbonden zijn. Beweging wordt niet gestuurd door het brein alleen, maar door informatie uit
de omgeving, zoals optische stroom tijdens het lopen.
Deze ideeën vormden de basis voor de actietheorie. Volgens deze theorie ontstaat
gecoördineerd en functioneel gedrag uit de wederkerige interactie tussen het
zenuwstelsel, het spier-skeletsysteem en de omgeving. Geen enkel systeem heeft
de volledige controle; bewegingen zijn het resultaat van hun onderlinge
samenwerking. Om gedrag te begrijpen, moet men daarom niet alleen het brein
bestuderen, maar vooral de interactie tussen lichaam, zenuwstelsel en omgeving.
Hoofdstuk 2 De mechanisering van de natuur
2.1 Aristoteles
Aristoteles werd geboren in 348 v.Chr. en studeerde vanaf ongeveer zijn achttiende zo’n
twintig jaar aan de Academie van Plato. Hoewel hij veel ideeën van Plato overnam,
ontwikkelde hij uiteindelijk een eigen filosofie die op belangrijke punten van Plato verschilde.
Aristoteles staat bekend om zijn brede en samenhangende manier van denken en had veel
invloed op zowel het westerse als het islamitische denken.
Plato, die beïnvloed was door Parmenides, vond dat echte verandering eigenlijk niet bestaat.
Volgens hem zijn onze zintuigen onbetrouwbaar en laten ze ons een verkeerde werkelijkheid
zien. De wereld die wij waarnemen is volgens Plato slechts een onvolmaakte afspiegeling
van een perfecte, eeuwige ideeënwereld. Echte kennis kan daarom alleen via het denken
worden verkregen en niet via de zintuigen. Als we iets echt willen begrijpen, moeten we ons
dus richten op die onveranderlijke ideeënwereld en niet op wat we om ons heen zien.
Aristoteles was het hier niet mee eens en koos voor een empirische benadering, waarbij
ervaring en waarneming juist belangrijk zijn. Volgens hem bestaan veranderingen in de
natuur echt. Hij beschreef verandering als een overgang van iets wat mogelijk is naar iets
,wat werkelijk wordt, bijvoorbeeld een zaadje dat uitgroeit tot een plant. Hij onderscheidde
vier soorten verandering:
het ontstaan en vergaan van dingen
verandering van eigenschappen
verandering in hoeveelheid
verandering van plaats
Om deze veranderingen te verklaren bedacht Aristoteles de leer van de vier oorzaken:
de materiële oorzaak
de formele oorzaak
de werkoorzaak
de doeloorzaak
Voor Aristoteles was vooral de doeloorzaak belangrijk. Hij ging ervan uit dat de natuur
doelgericht is en dat gebeurtenissen begrepen moeten worden vanuit hun doel. Dit noemt
men een teleologische verklaring. Dit verschilt van een mechanistische verklaring, waarbij
iets wordt verklaard door te kijken naar wat er eerder in de tijd is gebeurd.
Volgens Aristoteles kan beweging worden verklaard aan de hand van de vier oorzaken.
Beweging ontstaat door een combinatie van uitwendige en inwendige oorzaken:
uitwendige oorzaken, zoals de werkoorzaak en de doeloorzaak
inwendige oorzaken, zoals de materiële en formele oorzaak
Beweging kan ook worden gezien als het resultaat van een wisselwerking tussen de
omgeving en het individu:
bewegingen zijn mogelijk door afstemming op informatie uit de omgeving (uitwendig)
deze afstemming lukt door eerdere ervaringen en leerprocessen, oftewel leren door
te doen (inwendig)
2.2 De mechanisering van het wereldbeeld
In de zestiende en zeventiende eeuw ontstond een nieuw wetenschappelijk wereldbeeld: de
mechanisering van het wereldbeeld. Hierbij werd afstand genomen van de ideeën van
Aristoteles. Belangrijke denkers in deze periode waren Copernicus, Kepler, Galilei en
Newton. Zij hechtten veel waarde aan nauwkeurige waarnemingen en durfden duidelijke en
scherpe hypotheses te formuleren.
Copernicus stelde dat de aarde om de zon draait en ook om haar eigen as beweegt.
Daarmee doorbrak hij het geocentrische wereldbeeld. Zijn theorie riep wel problemen op,
zoals het feit dat men de beweging van de aarde niet direct kon waarnemen en de vraag
waarom vallende objecten recht naar beneden vallen.
Kepler bouwde hierop voort door te stellen dat planeten zich niet in cirkels, maar in
ellipsvormige banen bewegen. Hij liet het idee los dat de natuur perfect en mooi moest zijn
en baseerde zijn theorieën op wiskunde en nauwkeurige waarnemingen. Dit was een
belangrijke stap richting de moderne wetenschap.
Galilei introduceerde het traagheidsprincipe. Hij stelde dat een object zijn beweging behoudt
zolang er geen kracht op inwerkt. Dit verklaarde waarom objecten recht naar beneden vallen,
ondanks de draaiing van de aarde. Daarnaast toonde hij aan dat de snelheid waarmee
objecten vallen niet afhangt van hun massa.
Newton maakte de mechanisering van het wereldbeeld compleet met zijn drie
bewegingswetten en de wet van de zwaartekracht. Zijn eerste wet is de traagheidswet, die
hij overnam van Galilei. De tweede wet beschrijft de relatie tussen kracht en versnelling (F =
ma). Met versnelling bedoelde hij elke verandering van snelheid. In de derde wet stelde hij
,dat elke actie een gelijke en tegengestelde reactie oproept. Met deze wetten kon Newton
zowel bewegingen op aarde als de beweging van planeten verklaren. Hiermee werd de
aristotelische natuurfilosofie definitief verlaten.
2.3 Drie bewegingswetenschappelijke problemen
De mechanisering van het wereldbeeld bracht drie belangrijke problemen met zich mee. Het
eerste probleem is het controleprobleem: als materie geen eigen doelgerichtheid heeft, hoe
kan menselijk gedrag dan toch doelgericht zijn? Dit leidde tot het idee dat het brein het
lichaam aanstuurt. Het tweede probleem gaat over waarneming. Er werd een onderscheid
gemaakt tussen primaire en secundaire kwaliteiten. Primaire kwaliteiten zijn meetbare
eigenschappen zoals grootte, vorm en massa. Secundaire kwaliteiten zijn eigenschappen
zoals kleur, geur, smaak en geluid, die afhangen van onze waarneming. Hierdoor ontstond
het idee dat de wereld zoals wij die ervaren anders is dan de wereld zoals die werkelijk is.
Het derde probleem is de vraag of mensen en dieren gezien kunnen worden als machines,
die net als levenloze objecten functioneren volgens vaste natuurwetten.
Hoofdstuk 3 Descartes
3.1 Descartes’ leven
René Descartes werd geboren in 1596. Hij kreeg onderwijs in onder andere wiskunde,
filosofie en theologie. Op een gegeven moment raakte hij teleurgesteld in de wetenschap en
ging hij reizen, maar later pakte hij zijn studies weer op. Descartes wordt gezien als de
grondlegger van de moderne filosofie.
Hij liet zich inspireren door Galilei en probeerde het mechanische wereldbeeld toe te passen
op mens en dier. Naast filosoof hield hij zich ook bezig met anatomie. Descartes overleed in
1650 aan een longontsteking. Hoewel hij het bestaan van God probeerde te bewijzen en
geloofde in een onsterfelijke ziel, werden zijn werken later toch door de kerk verboden.
3.2 De weg naar onbetwijfelbare kennis
Empiristen gaan ervan uit dat alle kennis begint bij de zintuigen. Volgens hen ontstaat kennis
door wat we waarnemen. Rationalisten denken hier anders over. Zij stellen dat kennis begint
bij het denken en de menselijke rede.
Descartes was een rationalist. Hij vond dat je echte kennis niet kunt baseren op waarneming,
maar op het verstand. Hij had veel bewondering voor de wiskunde en maakte vooral gebruik
van deductief redeneren. Dat betekent dat je met logica nieuwe waarheden afleidt uit
bestaande, zekere waarheden.
Descartes wilde alleen kennis accepteren waar absoluut niet aan te twijfelen viel. Daarom
twijfelde hij aan alles, totdat hij bij één zekerheid uitkwam: ‘Ik denk, dus ik besta’. Dit werd
het uitgangspunt van zijn filosofie. Vanuit deze gedachte ontwikkelde hij zijn idee dat de
mens bestaat uit een lichaam en een geest. Daarna probeerde hij ook het bestaan van God
te bewijzen, zodat hij vanuit die zekerheid verdere kennis kon opbouwen.
3.3 De mechanisering van de levende natuur
Descartes vroeg zich af of mensen en dieren verklaard konden worden als machines.
Volgens hem zijn dieren inderdaad machines, omdat zij handelen zonder bewust inzicht.
Mensen verschillen van dieren doordat zij taal gebruiken en zich flexibel kunnen aanpassen
aan nieuwe situaties.
, Volgens Descartes bestaat de mens uit twee delen: een lichaam en een geest. Het lichaam
is materieel en werkt volgens mechanische wetten (res extensa). De geest is immaterieel,
denkt, is vrij en onsterfelijk (res cogitans). De geest valt niet onder de natuurwetten. De
wisselwerking tussen lichaam en geest zou plaatsvinden in de pijnappelklier. Dit dualisme
zorgde echter voor problemen, zoals het strikte verschil tussen mens en dier en de vraag
hoe een immateriële geest invloed kan hebben op een lichamelijk lichaam.
3.4 Descartes’ theorie van waarnemen
Descartes bouwde voort op het onderscheid tussen primaire en secundaire kwaliteiten en
ontwikkelde een model van waarneming met drie stappen.
In de eerste stap gebeurt er iets fysieks: een prikkel uit de omgeving activeert de
zintuigen en veroorzaakt een beweging in de zenuwen. Dit proces verloopt volgens
een oorzaak-gevolgrelatie.
In de tweede stap ontstaat de sensatie. Hier spelen de secundaire kwaliteiten een rol,
zoals kleur en geluid. Op dit moment werken lichaam en geest samen en wordt de
mens zich bewust van wat hij ervaart.
In de derde stap gebruikt de geest het denken en redeneren om een oordeel te
vormen over wat er in de wereld is. Dit heeft te maken met de primaire kwaliteiten,
zoals vorm en grootte.
Volgens Descartes is waarneming dus geen direct contact met de wereld, maar een
interpretatie van prikkels.
Deze visie had veel invloed. Müller stelde dat sensaties afhankelijk zijn van de activiteit van
zenuwen en niet rechtstreeks van de buitenwereld. Mensen zijn zich vooral bewust van de
toestand van hun eigen lichaam. Zijn leerling Helmholtz bouwde hierop voort en nam het
idee over dat waarneming bestaat uit meerdere stappen. Volgens hem komt eerst de
sensatie en daarna pas de perceptie, als een onbewuste interpretatie.
In de jaren zestig en zeventig stelde Neisser dat waarneming geconstrueerd is en geen
direct beeld van de werkelijkheid geeft. In 1995 benadrukten Kandel, Schwartz en Jessell
opnieuw het onderscheid tussen primaire en secundaire kwaliteiten en het idee dat mensen
een innerlijke voorstelling van de wereld vormen op basis van hun lichamelijke toestand.
Hoofdstuk 4 De mens als machine
4.1 Borelli
Borelli wordt gezien als de grondlegger van de biomechanica. Hij bekeek het menselijk
lichaam als een mechanisch systeem en probeerde bewegingen te verklaren met behulp van
krachten en wiskunde. Spieren zag hij als passief, waardoor hij uitging van een dualistisch
mensbeeld: het lichaam werkt mechanisch, terwijl de ziel uiteindelijk het gedrag veroorzaakt.
Hij schreef een boek dat uit twee delen bestond. In het eerste deel beschreef hij de
uitwendige bewegingen van dieren en de krachten die daarbij een rol spelen. Het tweede
deel ging over inwendige bewegingen. Daarin behandelde hij niet alleen spiercontracties,
maar ook onderwerpen zoals koorts, pijn, vermoeidheid en de ontwikkeling van planten en
dieren.
4.2 Hobbes
Hobbes zag mensen, dieren en zelfs samenlevingen als machines. Hij was materialist en
geloofde dat alles uit materie bestaat en dat er geen aparte geest of ziel is. Daarnaast was
hij mechanist en determinist: hij ging ervan uit dat alle bewegingen een mechanische
oorzaak hebben en ontkende het bestaan van een vrije wil. Om menselijk gedrag te
verklaren, introduceerde hij een soort controleorgaan dat hij in het hart plaatste. Dit was
Samenvatting literatuur
Een bewogen fundament. De filosofische grondslagen van de
bewegingswetenschappen. (Rob Withagen (2013))
Hoofdstuk 1 Introductie
1.1 De motor-actie controverse
De motor-actiecontroverse gaat over de vraag hoe gecoördineerde bewegingen tot stand
komen, zoals lopen, grijpen of sporten. In dit debat staan twee hoofdtheorieën tegenover
elkaar: de motortheorie en de actietheorie.
De motortheorie ziet het lichaam als een passief instrument dat wordt aangestuurd door het
brein. Volgens deze visie ontstaan slimme en doelgerichte bewegingen doordat het brein
motorprogramma’s maakt op basis van waarnemingen, plannen opstelt en die vervolgens
uitvoert via het lichaam (het zogeheten sense–model–plan–action model, ook wel het
“hamburgermodel”). Gedrag wordt daarom vooral verklaard vanuit hersenprocessen. Deze
benadering is lange tijd dominant geweest in de wetenschap en in het westerse denken.
Vanaf de jaren zeventig kwam hier stevige kritiek op, vooral vanuit de ecologische
benadering van Gibson. Hij stelde dat mensen en dieren de omgeving direct waarnemen,
zonder interne representaties, en dat waarnemen en bewegen onlosmakelijk met elkaar
verbonden zijn. Beweging wordt niet gestuurd door het brein alleen, maar door informatie uit
de omgeving, zoals optische stroom tijdens het lopen.
Deze ideeën vormden de basis voor de actietheorie. Volgens deze theorie ontstaat
gecoördineerd en functioneel gedrag uit de wederkerige interactie tussen het
zenuwstelsel, het spier-skeletsysteem en de omgeving. Geen enkel systeem heeft
de volledige controle; bewegingen zijn het resultaat van hun onderlinge
samenwerking. Om gedrag te begrijpen, moet men daarom niet alleen het brein
bestuderen, maar vooral de interactie tussen lichaam, zenuwstelsel en omgeving.
Hoofdstuk 2 De mechanisering van de natuur
2.1 Aristoteles
Aristoteles werd geboren in 348 v.Chr. en studeerde vanaf ongeveer zijn achttiende zo’n
twintig jaar aan de Academie van Plato. Hoewel hij veel ideeën van Plato overnam,
ontwikkelde hij uiteindelijk een eigen filosofie die op belangrijke punten van Plato verschilde.
Aristoteles staat bekend om zijn brede en samenhangende manier van denken en had veel
invloed op zowel het westerse als het islamitische denken.
Plato, die beïnvloed was door Parmenides, vond dat echte verandering eigenlijk niet bestaat.
Volgens hem zijn onze zintuigen onbetrouwbaar en laten ze ons een verkeerde werkelijkheid
zien. De wereld die wij waarnemen is volgens Plato slechts een onvolmaakte afspiegeling
van een perfecte, eeuwige ideeënwereld. Echte kennis kan daarom alleen via het denken
worden verkregen en niet via de zintuigen. Als we iets echt willen begrijpen, moeten we ons
dus richten op die onveranderlijke ideeënwereld en niet op wat we om ons heen zien.
Aristoteles was het hier niet mee eens en koos voor een empirische benadering, waarbij
ervaring en waarneming juist belangrijk zijn. Volgens hem bestaan veranderingen in de
natuur echt. Hij beschreef verandering als een overgang van iets wat mogelijk is naar iets
,wat werkelijk wordt, bijvoorbeeld een zaadje dat uitgroeit tot een plant. Hij onderscheidde
vier soorten verandering:
het ontstaan en vergaan van dingen
verandering van eigenschappen
verandering in hoeveelheid
verandering van plaats
Om deze veranderingen te verklaren bedacht Aristoteles de leer van de vier oorzaken:
de materiële oorzaak
de formele oorzaak
de werkoorzaak
de doeloorzaak
Voor Aristoteles was vooral de doeloorzaak belangrijk. Hij ging ervan uit dat de natuur
doelgericht is en dat gebeurtenissen begrepen moeten worden vanuit hun doel. Dit noemt
men een teleologische verklaring. Dit verschilt van een mechanistische verklaring, waarbij
iets wordt verklaard door te kijken naar wat er eerder in de tijd is gebeurd.
Volgens Aristoteles kan beweging worden verklaard aan de hand van de vier oorzaken.
Beweging ontstaat door een combinatie van uitwendige en inwendige oorzaken:
uitwendige oorzaken, zoals de werkoorzaak en de doeloorzaak
inwendige oorzaken, zoals de materiële en formele oorzaak
Beweging kan ook worden gezien als het resultaat van een wisselwerking tussen de
omgeving en het individu:
bewegingen zijn mogelijk door afstemming op informatie uit de omgeving (uitwendig)
deze afstemming lukt door eerdere ervaringen en leerprocessen, oftewel leren door
te doen (inwendig)
2.2 De mechanisering van het wereldbeeld
In de zestiende en zeventiende eeuw ontstond een nieuw wetenschappelijk wereldbeeld: de
mechanisering van het wereldbeeld. Hierbij werd afstand genomen van de ideeën van
Aristoteles. Belangrijke denkers in deze periode waren Copernicus, Kepler, Galilei en
Newton. Zij hechtten veel waarde aan nauwkeurige waarnemingen en durfden duidelijke en
scherpe hypotheses te formuleren.
Copernicus stelde dat de aarde om de zon draait en ook om haar eigen as beweegt.
Daarmee doorbrak hij het geocentrische wereldbeeld. Zijn theorie riep wel problemen op,
zoals het feit dat men de beweging van de aarde niet direct kon waarnemen en de vraag
waarom vallende objecten recht naar beneden vallen.
Kepler bouwde hierop voort door te stellen dat planeten zich niet in cirkels, maar in
ellipsvormige banen bewegen. Hij liet het idee los dat de natuur perfect en mooi moest zijn
en baseerde zijn theorieën op wiskunde en nauwkeurige waarnemingen. Dit was een
belangrijke stap richting de moderne wetenschap.
Galilei introduceerde het traagheidsprincipe. Hij stelde dat een object zijn beweging behoudt
zolang er geen kracht op inwerkt. Dit verklaarde waarom objecten recht naar beneden vallen,
ondanks de draaiing van de aarde. Daarnaast toonde hij aan dat de snelheid waarmee
objecten vallen niet afhangt van hun massa.
Newton maakte de mechanisering van het wereldbeeld compleet met zijn drie
bewegingswetten en de wet van de zwaartekracht. Zijn eerste wet is de traagheidswet, die
hij overnam van Galilei. De tweede wet beschrijft de relatie tussen kracht en versnelling (F =
ma). Met versnelling bedoelde hij elke verandering van snelheid. In de derde wet stelde hij
,dat elke actie een gelijke en tegengestelde reactie oproept. Met deze wetten kon Newton
zowel bewegingen op aarde als de beweging van planeten verklaren. Hiermee werd de
aristotelische natuurfilosofie definitief verlaten.
2.3 Drie bewegingswetenschappelijke problemen
De mechanisering van het wereldbeeld bracht drie belangrijke problemen met zich mee. Het
eerste probleem is het controleprobleem: als materie geen eigen doelgerichtheid heeft, hoe
kan menselijk gedrag dan toch doelgericht zijn? Dit leidde tot het idee dat het brein het
lichaam aanstuurt. Het tweede probleem gaat over waarneming. Er werd een onderscheid
gemaakt tussen primaire en secundaire kwaliteiten. Primaire kwaliteiten zijn meetbare
eigenschappen zoals grootte, vorm en massa. Secundaire kwaliteiten zijn eigenschappen
zoals kleur, geur, smaak en geluid, die afhangen van onze waarneming. Hierdoor ontstond
het idee dat de wereld zoals wij die ervaren anders is dan de wereld zoals die werkelijk is.
Het derde probleem is de vraag of mensen en dieren gezien kunnen worden als machines,
die net als levenloze objecten functioneren volgens vaste natuurwetten.
Hoofdstuk 3 Descartes
3.1 Descartes’ leven
René Descartes werd geboren in 1596. Hij kreeg onderwijs in onder andere wiskunde,
filosofie en theologie. Op een gegeven moment raakte hij teleurgesteld in de wetenschap en
ging hij reizen, maar later pakte hij zijn studies weer op. Descartes wordt gezien als de
grondlegger van de moderne filosofie.
Hij liet zich inspireren door Galilei en probeerde het mechanische wereldbeeld toe te passen
op mens en dier. Naast filosoof hield hij zich ook bezig met anatomie. Descartes overleed in
1650 aan een longontsteking. Hoewel hij het bestaan van God probeerde te bewijzen en
geloofde in een onsterfelijke ziel, werden zijn werken later toch door de kerk verboden.
3.2 De weg naar onbetwijfelbare kennis
Empiristen gaan ervan uit dat alle kennis begint bij de zintuigen. Volgens hen ontstaat kennis
door wat we waarnemen. Rationalisten denken hier anders over. Zij stellen dat kennis begint
bij het denken en de menselijke rede.
Descartes was een rationalist. Hij vond dat je echte kennis niet kunt baseren op waarneming,
maar op het verstand. Hij had veel bewondering voor de wiskunde en maakte vooral gebruik
van deductief redeneren. Dat betekent dat je met logica nieuwe waarheden afleidt uit
bestaande, zekere waarheden.
Descartes wilde alleen kennis accepteren waar absoluut niet aan te twijfelen viel. Daarom
twijfelde hij aan alles, totdat hij bij één zekerheid uitkwam: ‘Ik denk, dus ik besta’. Dit werd
het uitgangspunt van zijn filosofie. Vanuit deze gedachte ontwikkelde hij zijn idee dat de
mens bestaat uit een lichaam en een geest. Daarna probeerde hij ook het bestaan van God
te bewijzen, zodat hij vanuit die zekerheid verdere kennis kon opbouwen.
3.3 De mechanisering van de levende natuur
Descartes vroeg zich af of mensen en dieren verklaard konden worden als machines.
Volgens hem zijn dieren inderdaad machines, omdat zij handelen zonder bewust inzicht.
Mensen verschillen van dieren doordat zij taal gebruiken en zich flexibel kunnen aanpassen
aan nieuwe situaties.
, Volgens Descartes bestaat de mens uit twee delen: een lichaam en een geest. Het lichaam
is materieel en werkt volgens mechanische wetten (res extensa). De geest is immaterieel,
denkt, is vrij en onsterfelijk (res cogitans). De geest valt niet onder de natuurwetten. De
wisselwerking tussen lichaam en geest zou plaatsvinden in de pijnappelklier. Dit dualisme
zorgde echter voor problemen, zoals het strikte verschil tussen mens en dier en de vraag
hoe een immateriële geest invloed kan hebben op een lichamelijk lichaam.
3.4 Descartes’ theorie van waarnemen
Descartes bouwde voort op het onderscheid tussen primaire en secundaire kwaliteiten en
ontwikkelde een model van waarneming met drie stappen.
In de eerste stap gebeurt er iets fysieks: een prikkel uit de omgeving activeert de
zintuigen en veroorzaakt een beweging in de zenuwen. Dit proces verloopt volgens
een oorzaak-gevolgrelatie.
In de tweede stap ontstaat de sensatie. Hier spelen de secundaire kwaliteiten een rol,
zoals kleur en geluid. Op dit moment werken lichaam en geest samen en wordt de
mens zich bewust van wat hij ervaart.
In de derde stap gebruikt de geest het denken en redeneren om een oordeel te
vormen over wat er in de wereld is. Dit heeft te maken met de primaire kwaliteiten,
zoals vorm en grootte.
Volgens Descartes is waarneming dus geen direct contact met de wereld, maar een
interpretatie van prikkels.
Deze visie had veel invloed. Müller stelde dat sensaties afhankelijk zijn van de activiteit van
zenuwen en niet rechtstreeks van de buitenwereld. Mensen zijn zich vooral bewust van de
toestand van hun eigen lichaam. Zijn leerling Helmholtz bouwde hierop voort en nam het
idee over dat waarneming bestaat uit meerdere stappen. Volgens hem komt eerst de
sensatie en daarna pas de perceptie, als een onbewuste interpretatie.
In de jaren zestig en zeventig stelde Neisser dat waarneming geconstrueerd is en geen
direct beeld van de werkelijkheid geeft. In 1995 benadrukten Kandel, Schwartz en Jessell
opnieuw het onderscheid tussen primaire en secundaire kwaliteiten en het idee dat mensen
een innerlijke voorstelling van de wereld vormen op basis van hun lichamelijke toestand.
Hoofdstuk 4 De mens als machine
4.1 Borelli
Borelli wordt gezien als de grondlegger van de biomechanica. Hij bekeek het menselijk
lichaam als een mechanisch systeem en probeerde bewegingen te verklaren met behulp van
krachten en wiskunde. Spieren zag hij als passief, waardoor hij uitging van een dualistisch
mensbeeld: het lichaam werkt mechanisch, terwijl de ziel uiteindelijk het gedrag veroorzaakt.
Hij schreef een boek dat uit twee delen bestond. In het eerste deel beschreef hij de
uitwendige bewegingen van dieren en de krachten die daarbij een rol spelen. Het tweede
deel ging over inwendige bewegingen. Daarin behandelde hij niet alleen spiercontracties,
maar ook onderwerpen zoals koorts, pijn, vermoeidheid en de ontwikkeling van planten en
dieren.
4.2 Hobbes
Hobbes zag mensen, dieren en zelfs samenlevingen als machines. Hij was materialist en
geloofde dat alles uit materie bestaat en dat er geen aparte geest of ziel is. Daarnaast was
hij mechanist en determinist: hij ging ervan uit dat alle bewegingen een mechanische
oorzaak hebben en ontkende het bestaan van een vrije wil. Om menselijk gedrag te
verklaren, introduceerde hij een soort controleorgaan dat hij in het hart plaatste. Dit was