Meike Kruger
2851610
Werkgroep 2
Filosofie van de Bewegingswetenschappen
Opdrachten werkcollege 3
1.
Volgens Koster en Van der Kamp wordt vanuit het empirisch-analytische onderzoek bewegen
opgevat als een verzameling van fysische en biologische processen. Dit soort onderzoek
vertelt vooral hoe het lichaam werkt: hoe zuurstofopname, energiegebruik, beweging en
motivatie samenwerken om zijn prestatie mogelijk te maken. De hermeneutische benadering
richt zich niet op het meten en verklaren van de beweging, maar op het begrijpen ervan
(Koster & Van der Kamp). Beweging wordt opgevat als een handeling die plaatsvindt binnen
een situatie en verbonden is met intenties, doelen en ervaringen.
Voor de geletruidrager zou de hermeneutische bandering vooral laten zien wat zijn prestatie
voor hem zelf betekent. Het gaat dan om de context en de betekenis van de prestatie. Wat
wil hij bereiken, welke emoties voelt hij, hoe spelen zijn ervaringen en druk mee en welke
keuzes maakt hij tijdens de etappe? Motivatie wordt hierbij niet zomaar als een meetbaar iets
gezien, maar als iets dat verbonden is met zijn handelen in die situatie. Zijn lichaam wordt
gezien als een middel om zijn doelen te bereiken, in interactie met de omgeving. Zo geeft de
hermeneutische benadering een beter beeld. Het laat niet alleen zien hoe hij presteert, maar
ook waarom en met welke betekenis die prestatie voor hem is.
2.
- Doping die de gezondheid niet of nauwelijks aantasten, zouden in de sport
toegestaan moeten worden, omdat ze kunnen bijdragen aan meer gelijkwaardigheid
tussen sporters.
- In sommige sporten draagt doping nauwelijks bij aan betere prestaties en is een
verbod daarom moeilijk te rechtvaardigen.
- Doping moet worden toegestaan, omdat het sporters zonder genetisch voordeel een
eerlijke kans geeft om te winnen van sporters met ‘sportgenen’.
3.
Stelling: Het is ethisch onverantwoordelijk om jonge kinderen vroeg te specialiseren
in één sport, omdat dit hun lichamelijke en mentale ontwikkeling kan beschadigen.
Een belangrijk argument hiervoor is dat vroege specialisatie vaak leidt tot een verhoogd
risico op lichamelijke overbelasting en blessures. Kinderen hebben nog groeiende spieren en
botten, waardoor intensieve training in één sport vaak te zwaar kan zijn. Van Hilvoorde en
Steenbergen benadrukken dat gezondheid een fundamentele waarde is binnen sport.
Sportregels en praktijken mogen niet zodanig zijn dat zij het lichamelijke welzijn van de
sporter in gevaar brengen. Door kinderen te verplichten tot hoge trainingsintensiteiten in één
sport, wordt hun welzijn aangetast en wordt hun lichaam gebruikt als middel om prestaties te
behalen, in plaats van dat hun ontwikkeling centraal staat.
Een tweede argument is dat vroege specialisatie de mentale ontwikkeling en autonomie van
kinderen kan beperken. Intensieve training legt druk op jonge sporters, wat kan leiden tot
stress of faalangst. Daarnaast hebben kinderen vaak weinig invloed op de training. Ze
moeten trainen volgens het schema van coaches of trainers. In hoofdstuk 20 van Homo
Movens wordt benadrukt dat ethische sportpraktijken respect moeten tonen voor de
autonomie en persoonlijke ontwikkeling van de sporter. Wanneer kinderen worden
gedwongen zich aan te passen aan een prestatiedruk die zij niet helemaal begrijpen, wordt
hun autonomie aangetast en worden zij behandeld als middel voor succes in plaats van als
individu met eigen keuzes.
, Meike Kruger
2851610
Werkgroep 2
Een tegen argument zou kunnen zijn dat vroeg specialiseren kinderen juist de kans geeft om
later op hoog niveau te presteren en een succesvolle sportcarrière op te bouwen. Vanuit de
gevolgenethiek kan worden gesteld dat dit positieve gevolgen heeft, omdat het kan leiden tot
sportief succes. Door vroeg te specialiseren kunnen kinderen betere vaardigheden
ontwikkelen en zich sneller aanpassen aan de eisen van topsport. Dit kan een belangrijk
voordeel zijn, omdat het kind in de toekomst meer succes zal hebben in de sportwereld.
Toch is dit tegenargument ethisch gezien minder sterk. Van Hilvoorde en Steenbergen
benadrukken dat ethiek vraagt om een afweging van verschillende waarden en dat
gezondheid, autonomie en welzijn nooit automatisch mogen worden opgeofferd aan succes
of prestatie. Het tegenargument gaat ervan uit dat sportief succes op latere leeftijd het
belangrijkste doel is, terwijl de stelling juist uitgaat van het welzijn en de ontwikkeling van het
kind, waarbij prestaties eigenlijk een extra voordeel zijn. Vanuit dit perspectief wegen
gezondheid en autonomie zwaardere mee dan een mogelijk succesvolle sportcarrière.
4A.
Volgens Annemie Halsema is transcendentie niet alleen een kwestie van wilskracht of het
verleggen van individuele grenzen, zoals Van den Bossche stelt, maar een ervaring die je
overkomt. In het wielrennen kan dit betekenen dat je deel uitmaakt van een groter geheel,
zoals een ploeg, waarbij je wordt meegetrokken door je ploeggenoten. De ‘ik’ verdwijnt
langzaam. Je moet natuurlijk blijven trappen en moeite moet doen, maar het moment waarop
alles vanzelf lijkt te gaan, kun je niet plannen. De transcendentie ervaring ontstaat wanneer
je opgaat in het team en je eigen inzet samenvalt met een groter geheel waarover je geen
volledige controle hebt.
Maarten van Buuren laat zien dat wielrennen voor hem veel meer is dan een sport. Het helpt
hem omgaan met zijn depressie. Hij vergelijkt depressie met het leven onder een glazen
stolp, waarbij het contact met andere mensen en met de wereld wegvalt. Door te fietsen
doorbreekt hij die afzonderlijkheid. De lichamelijke inspanning zorgt ervoor dat zijn
gedachten weer op gang komen. Hij voelt zich weer meer verbonden met zijn omgeving, wat
Van Buuren het wonder van de fiets noemt.
Peter Winnen vertelt dat hij tijdens het wielrennen een bijzonder connectie voelt met Rothko.
Hij vergelijkt de vermoeidheid in het wielrennen met de ervaring die je kunt hebben bij de
schilderijen van Rothko. Een Rothko-ervaring ontstaat wanneer het lichaam zo uitgeput is
dat er een soort mystieke ervaring ontstaat, je ziet de kleurvelden van het schilderij voor je.
De wielrenner besluit zelf om alles uit zijn lichaam te halen, maar de ervaring die daarna
komt, kan hij niet sturen. Pas door de controle los te laten en zichzelf uit te putten, kan die
bijzondere toestand ontstaan dat het lijkt alsof hij binnen de randen van het Rothko schilderij
stapt.
Marc Van den Bossche ziet wielrennen als iets wat hij lichamelijk nodig heeft. Door te
sporten blijft zijn geest helder en in beweging. Het lichaam vormt als het ware de basis voor
zijn denken. Tegelijkertijd zit hier een inspanning in. Hij kiest er bewust voor om te fietsen,
maar is ook afhankelijk van reacties in het lichaam, zoals endorfines. Voor hem is wielrennen
geen hobby, maar een belangrijk onderdeel van zijn levensstijl.
4B.
Sport kan bijdragen aan een goed leven omdat het mensen in contact brengt met
ervaringen die groter zijn dan henzelf.
In de teksten over wielrennen zie je dat sporters door zware inspanning een ervaring van
transcendentie kunnen krijgen. Dat vraagt om discipline, training en eigen inzet, maar het
gevoel dat daarna komt kun je niet afdwingen.
2851610
Werkgroep 2
Filosofie van de Bewegingswetenschappen
Opdrachten werkcollege 3
1.
Volgens Koster en Van der Kamp wordt vanuit het empirisch-analytische onderzoek bewegen
opgevat als een verzameling van fysische en biologische processen. Dit soort onderzoek
vertelt vooral hoe het lichaam werkt: hoe zuurstofopname, energiegebruik, beweging en
motivatie samenwerken om zijn prestatie mogelijk te maken. De hermeneutische benadering
richt zich niet op het meten en verklaren van de beweging, maar op het begrijpen ervan
(Koster & Van der Kamp). Beweging wordt opgevat als een handeling die plaatsvindt binnen
een situatie en verbonden is met intenties, doelen en ervaringen.
Voor de geletruidrager zou de hermeneutische bandering vooral laten zien wat zijn prestatie
voor hem zelf betekent. Het gaat dan om de context en de betekenis van de prestatie. Wat
wil hij bereiken, welke emoties voelt hij, hoe spelen zijn ervaringen en druk mee en welke
keuzes maakt hij tijdens de etappe? Motivatie wordt hierbij niet zomaar als een meetbaar iets
gezien, maar als iets dat verbonden is met zijn handelen in die situatie. Zijn lichaam wordt
gezien als een middel om zijn doelen te bereiken, in interactie met de omgeving. Zo geeft de
hermeneutische benadering een beter beeld. Het laat niet alleen zien hoe hij presteert, maar
ook waarom en met welke betekenis die prestatie voor hem is.
2.
- Doping die de gezondheid niet of nauwelijks aantasten, zouden in de sport
toegestaan moeten worden, omdat ze kunnen bijdragen aan meer gelijkwaardigheid
tussen sporters.
- In sommige sporten draagt doping nauwelijks bij aan betere prestaties en is een
verbod daarom moeilijk te rechtvaardigen.
- Doping moet worden toegestaan, omdat het sporters zonder genetisch voordeel een
eerlijke kans geeft om te winnen van sporters met ‘sportgenen’.
3.
Stelling: Het is ethisch onverantwoordelijk om jonge kinderen vroeg te specialiseren
in één sport, omdat dit hun lichamelijke en mentale ontwikkeling kan beschadigen.
Een belangrijk argument hiervoor is dat vroege specialisatie vaak leidt tot een verhoogd
risico op lichamelijke overbelasting en blessures. Kinderen hebben nog groeiende spieren en
botten, waardoor intensieve training in één sport vaak te zwaar kan zijn. Van Hilvoorde en
Steenbergen benadrukken dat gezondheid een fundamentele waarde is binnen sport.
Sportregels en praktijken mogen niet zodanig zijn dat zij het lichamelijke welzijn van de
sporter in gevaar brengen. Door kinderen te verplichten tot hoge trainingsintensiteiten in één
sport, wordt hun welzijn aangetast en wordt hun lichaam gebruikt als middel om prestaties te
behalen, in plaats van dat hun ontwikkeling centraal staat.
Een tweede argument is dat vroege specialisatie de mentale ontwikkeling en autonomie van
kinderen kan beperken. Intensieve training legt druk op jonge sporters, wat kan leiden tot
stress of faalangst. Daarnaast hebben kinderen vaak weinig invloed op de training. Ze
moeten trainen volgens het schema van coaches of trainers. In hoofdstuk 20 van Homo
Movens wordt benadrukt dat ethische sportpraktijken respect moeten tonen voor de
autonomie en persoonlijke ontwikkeling van de sporter. Wanneer kinderen worden
gedwongen zich aan te passen aan een prestatiedruk die zij niet helemaal begrijpen, wordt
hun autonomie aangetast en worden zij behandeld als middel voor succes in plaats van als
individu met eigen keuzes.
, Meike Kruger
2851610
Werkgroep 2
Een tegen argument zou kunnen zijn dat vroeg specialiseren kinderen juist de kans geeft om
later op hoog niveau te presteren en een succesvolle sportcarrière op te bouwen. Vanuit de
gevolgenethiek kan worden gesteld dat dit positieve gevolgen heeft, omdat het kan leiden tot
sportief succes. Door vroeg te specialiseren kunnen kinderen betere vaardigheden
ontwikkelen en zich sneller aanpassen aan de eisen van topsport. Dit kan een belangrijk
voordeel zijn, omdat het kind in de toekomst meer succes zal hebben in de sportwereld.
Toch is dit tegenargument ethisch gezien minder sterk. Van Hilvoorde en Steenbergen
benadrukken dat ethiek vraagt om een afweging van verschillende waarden en dat
gezondheid, autonomie en welzijn nooit automatisch mogen worden opgeofferd aan succes
of prestatie. Het tegenargument gaat ervan uit dat sportief succes op latere leeftijd het
belangrijkste doel is, terwijl de stelling juist uitgaat van het welzijn en de ontwikkeling van het
kind, waarbij prestaties eigenlijk een extra voordeel zijn. Vanuit dit perspectief wegen
gezondheid en autonomie zwaardere mee dan een mogelijk succesvolle sportcarrière.
4A.
Volgens Annemie Halsema is transcendentie niet alleen een kwestie van wilskracht of het
verleggen van individuele grenzen, zoals Van den Bossche stelt, maar een ervaring die je
overkomt. In het wielrennen kan dit betekenen dat je deel uitmaakt van een groter geheel,
zoals een ploeg, waarbij je wordt meegetrokken door je ploeggenoten. De ‘ik’ verdwijnt
langzaam. Je moet natuurlijk blijven trappen en moeite moet doen, maar het moment waarop
alles vanzelf lijkt te gaan, kun je niet plannen. De transcendentie ervaring ontstaat wanneer
je opgaat in het team en je eigen inzet samenvalt met een groter geheel waarover je geen
volledige controle hebt.
Maarten van Buuren laat zien dat wielrennen voor hem veel meer is dan een sport. Het helpt
hem omgaan met zijn depressie. Hij vergelijkt depressie met het leven onder een glazen
stolp, waarbij het contact met andere mensen en met de wereld wegvalt. Door te fietsen
doorbreekt hij die afzonderlijkheid. De lichamelijke inspanning zorgt ervoor dat zijn
gedachten weer op gang komen. Hij voelt zich weer meer verbonden met zijn omgeving, wat
Van Buuren het wonder van de fiets noemt.
Peter Winnen vertelt dat hij tijdens het wielrennen een bijzonder connectie voelt met Rothko.
Hij vergelijkt de vermoeidheid in het wielrennen met de ervaring die je kunt hebben bij de
schilderijen van Rothko. Een Rothko-ervaring ontstaat wanneer het lichaam zo uitgeput is
dat er een soort mystieke ervaring ontstaat, je ziet de kleurvelden van het schilderij voor je.
De wielrenner besluit zelf om alles uit zijn lichaam te halen, maar de ervaring die daarna
komt, kan hij niet sturen. Pas door de controle los te laten en zichzelf uit te putten, kan die
bijzondere toestand ontstaan dat het lijkt alsof hij binnen de randen van het Rothko schilderij
stapt.
Marc Van den Bossche ziet wielrennen als iets wat hij lichamelijk nodig heeft. Door te
sporten blijft zijn geest helder en in beweging. Het lichaam vormt als het ware de basis voor
zijn denken. Tegelijkertijd zit hier een inspanning in. Hij kiest er bewust voor om te fietsen,
maar is ook afhankelijk van reacties in het lichaam, zoals endorfines. Voor hem is wielrennen
geen hobby, maar een belangrijk onderdeel van zijn levensstijl.
4B.
Sport kan bijdragen aan een goed leven omdat het mensen in contact brengt met
ervaringen die groter zijn dan henzelf.
In de teksten over wielrennen zie je dat sporters door zware inspanning een ervaring van
transcendentie kunnen krijgen. Dat vraagt om discipline, training en eigen inzet, maar het
gevoel dat daarna komt kun je niet afdwingen.