H1: Het begin van de twintigste eeuw
1.1. Maatschappelijke en politieke context
Van extreem naar sociaal liberalisme
In de 2e helft van de 19e eeuw worden mechanisatie en industrialisatie
belangrijker, terwijl thuisarbeid tegen lage lonen blijft bestaan. Het aantal
fabrieksarbeiders groeit en arbeiders concentreren zich steeds meer in
steden, waardoor de urbanisatie stijgt. Economische veranderingen zorgen
voor een scheiding tussen wonen en werken en een overgang van
gezinsinkomen naar individueel loon, wat de levensomstandigheden van
vrouwen en kinderen sterk beïnvloedt en de reproductieve kracht van
gezinnen aantast. Deze industrialisatie gaat samen met een liberale
politiek waarbij de staat niet tussenkomt in familiale zaken of
arbeidsrelaties, en de sociale orde als gegeven wordt beschouwd.
Tegen het einde van de 19e eeuw groeit, mede door de arbeidersopstand,
het politieke besef dat sociale maatregelen nodig zijn en ontstaat
aandacht voor de “sociale kwestie”. Nieuwe politieke krachten, zoals
socialisten, progressieve katholieken en progressieve liberalen, verwerpen
het eerdere idee dat de staat niet mocht ingrijpen in gezinnen of
arbeidsrelaties. Organisaties zetten zich in voor onder meer
arbeidersvrouwen. Er worden verschillende wetten ingevoerd over
arbeidsvoorwaarden, vrouwen- en kinderarbeid, woningen en openbare
dronkenschap. De politieke verandering blijkt ook uit de troonrede in 1886,
waarin wordt gesteld dat de wet bescherming moet bieden aan zwakken
en ongelukkigen.
De midden- en hogere klassen zien de arbeidersklasse als een bedreiging
voor de sociale orde, mede door het gebruik van de algemene staking en
de eis van algemeen stemrecht. Sociale maatregelen die arbeiders ten
goede komen, hebben daarom zowel een civilisatie- als een
normalisatiedoelstelling. Tussen het einde van de 19e en het begin van de
20e eeuw worden verschillende sociale wetten ingevoerd, zoals betaling in
wettelijke betaalmiddelen, verplicht maar onbetaald bevallingsverlof,
beperkingen op arbeidsduur voor jongeren, vergoeding voor
arbeidsongevallen, een verbod op kinderarbeid, de wet op de zondagsrust
en de achturendag. Voor de opvoeding is vooral de
kinderbeschermingswet van 1912 belangrijk, omdat die het absolute
ouderlijke gezag doorbreekt en de staat toelaat de opvoeding over te
nemen via ontzetting uit de ouderlijke macht.
Pauvre Martin
Ondanks deze maatregelen blijven de levensomstandigheden van
arbeiders slecht met lange werkdagen en lage lonen en een dalende
koopkracht. Studies beschrijven de armoede van arbeidersgezinnen:
voedsel is duur in verhouding tot het loon en woningen zijn overbevolkt,
1
,met meerdere huishoudens per huis, beperkte toegang tot drinkbaar water
en weinig sanitaire voorzieningen. Rapporten uit die tijd verbinden de
slechte materiële omstandigheden ook met morele oordelen, waarbij
slechte huisvesting niet alleen als hygiënisch probleem maar ook als
moreel verwerpelijk wordt gezien. De concentratie van arbeiders in
bepaalde wijken leidt bovendien tot een sterkere identificatie met een
sociale groep en stimuleert het ontstaan van solidariteit en een
arbeidersbeweging.
Arbeid(st)ers
Vrouwen werken in de industrie vaak onder dezelfde slechte
omstandigheden als mannen maar tegen lagere lonen; hun
arbeidsparticipatie is hoog omdat hun inkomen noodzakelijk is voor het
gezinsinkomen. In België bestond nauwelijks een
arbeidersvrouwenbeweging voor gelijke rechten en vrouwen hadden geen
stemrecht; discussies over hun positie werden vooral door mannen
gevoerd. Historici dachten lang dat industrialisatie en verstedelijking het
kerngezin in de 19e eeuw deden ontstaan, vaak met drie generaties
samen, en gezinnen isoleerden van hun netwerken. Recente studies tonen
echter dat dit een mythe is: kerngezinnen bestonden al eerder, de lage
levensverwachting maakte meer-generatiehuishoudens zeldzaam,
migraties gebeurden vaak via familiale strategieën en verwanten bleven
sterk onderling afhankelijk. Ook individuele lonen werden in de praktijk als
gezinsinkomen gezien, waardoor het idee van het geïsoleerde kerngezin
als gevolg van industrialisatie ‘Westerse nostalgie’ blijkt.
Un effrayant pourpercentage
Rond de eeuwwisseling is de kindersterfte in België extreem hoog, met
een hogere sterfte bij meisjes dan bij jongens. Kindersterfte vormt een
belangrijke zorg voor overheid en bourgeoisie, omdat het kan worden
gezien als een oorzaak van ongenoegen en onrust bij de arbeidersklasse.
Belangrijke oorzaken zijn diarree, besmettelijke ziekten en darminfecties
door slechte voeding. Borstvoeding is vaak beperkt; kunstmatige voeding
van lage kwaliteit en vroegtijdig stoppen met zogen leidt tot
spijsverteringsproblemen, soms verergerd door kalmeringsmiddelen voor
het huilen. Kindersterfte werd in officiële discoursen steeds vaker
verbonden met vrouwenarbeid en opvoedingsgewoonten, eerder dan met
structurele contextfactoren. In dit kader ontstonden wetten die het
uitbetalen van schadevergoedingen bij doodgeboorte of overlijden van
jonge kinderen verboden, uit angst dat ouders anders tot abortus of
verwaarlozing zouden worden aangezet. Tegenstanders wezen erop dat de
wet arbeidersfamilies zelfs belemmert fatsoenlijk afscheid te nemen van
hun overleden kinderen.
Filantropie en caritas
De sociale hiërarchie kent drie niveaus: mensen met overvloed, mensen
wiens middelen in evenwicht zijn met hun basisbehoeften, en mensen die
niet volledig in hun basisbehoeften kunnen voorzien. Het 2e niveau wordt
gekenmerkt door arbeid en de bijbehorende moraal, terwijl de andere
twee niveaus met elkaar verbonden zijn door een hogere morele band.
2
,Eind 19e eeuw ziet de burgerij zichzelf als schepper van de maatschappij
en meent dat alles zonder haar initiatief stilvalt. De Staat mag slechts
ingrijpen wanneer individuele vrijheden in gevaar zijn. In steden, mede
door industrialisatie en vrijemarktideologie, ontstaat filantropie, gericht op
de nieuwe armen, die als een gevaar voor de samenleving en het gezin
worden gezien. Industrialisatie verandert het werk van de arbeidersklasse,
onder meer door vrouwen uit huiselijk werk naar fabrieksarbeid te
brengen. De burgerij zijn rijke en invloedrijke stedelijke burgers, zoals
ondernemers en ambtenaren, die zichzelf zien als de scheppers en
beschermers van de samenleving.
In deze periode ligt de nadruk op de opvoeding van arme kinderen, omdat
gebrek aan onderwijs gezien wordt als een oorzaak van armoede en
criminaliteit. Liberale en christelijke burgers proberen de negatieve
effecten van industrialisatie te verzachten door filantropische en
caritatieve verenigingen, vooral gericht op moeder- en kinderzorg, soms
met internationale uitwisseling. Omdat de overheid nauwelijks ingrijpt,
blijft deze zorg voornamelijk een zaak van private initiatieven, soms met
beperkte steun van de staat. De vrouwenbeweging is in die tijd beperkt tot
de burgerij en de filantropie is een middel voor de burgervrouw om een
actieve rol te spelen in de samenleving. Filantropie is in deze context
een middel voor burgerlijke vrouwen en burgers om sociaal en moreel
actief te zijn, vooral gericht op de gevolgen van industrialisatie en
armoede, en het vervult een soort sociaal vangnet daar waar de staat zich
terughoudend opstelt.
Burgerlijke vrouwen konden via moeder- en kinderzorg actief zijn zonder
het gezinsmodel aan te tasten. Gatti de Gamond pleitte voor
meisjesonderwijs met als doel huismoederschap of typische
vrouwenberoepen. Het dominante beeld dat (mannelijke) historici
schetsen, is conformistisch, maar sommige historici benadrukken dat
Gamond de huishoudelijke taken benadrukte om het heersende discours
niet te schenden. Enkele vrouwen in filantropische verenigingen hadden
een duidelijk emancipatorisch project. Zij wogen echter niet op tegen het
dominante patriarchale model en waren financieel afhankelijk van
mannen. Filantropische en caritatieve verenigingen verspreiden het
burgerlijke ideaal van het gezin, een pater familias en een vrouw aan de
haard, via activiteiten zoals huishoudscholen en steun aan
arbeidersvrouwen bij de opvoeding van hun kinderen. Voor burgervrouwen
bood liefdadigheid gemoedsrust, status en de handhaving van de
maatschappelijke orde. Binnen het patriarchale model konden vrouwen
slechts een verantwoordelijke taak opnemen door toe te treden tot een
congregatie of een filantropische vereniging. Katholieke, protestantse en
vrijzinnige organisaties lieten vrouwen leidinggevende functies opnemen
bij zorg voor kinderen, zieken en gevangenen, wat hen tegelijk een uitweg
bood uit het alledaagse huiselijke bestaan. Deze initiatieven dienden zowel
om het patriarchale model aan de arbeidersklasse over te dragen als om
het voor burgerdames tijdelijk te ontvluchten.
De arbeidsonlusten van 1886 waren grote arbeidersprotesten over slechte
arbeidsomstandigheden, die de burgerij bezorgd maakten en het belang
3
, van filantropische verenigingen voor sociale orde en verzorging van
arbeidersgezinnen versterkten. Na de arbeidersonlusten worden
arbeidersvrouwen ervan beschuldigd hun opvoedingstaken te
verwaarlozen en zo sociale onrust te veroorzaken. De verenigingen richten
zuigelingenraadplegingen, melkkeukens, kantines voor moeders,
bewaarscholen en kinderopvangen op, vaak gevolgd door katholieke
organisaties. Ze dragen bij aan het beschavingsproces door mensen via
sociale en psychische beïnvloeding ‘netter’ te maken, zonder het liberale
principe van minimale staatsinterventie te schenden, dat gezien wordt als
een aantasting van arbeid, contracten en gezinsvrijheid. Private
verenigingen worden als noodzakelijk beschouwd omdat overheidsactie
onvoldoende is, liefdadigheid en terughoudendheid tegenover de staat
ingebed zijn in de Belgische mentaliteit, en vrijwilligers makkelijker kunnen
worden ingezet. Dit standpunt weerspiegelt zowel de tijdsgeest als het
wantrouwen van Henri Velge tegenover de parlementaire democratie.
1.2. De wetenschap
Midden 19e eeuw beïnvloeden belangrijke wetenschappelijke
ontwikkelingen het denken: Darwins evolutieleer en de opkomst van
eugenetica leiden tot een grotere beleidsmatige focus op de gezondheid
van het eigen ras. Sindsdien wordt de zorg voor jonge kinderen sterk
verbonden met eugenetische ideeën, waarbij bescherming van kinderen
als essentieel wordt gezien op menselijk, sociaal en patriottisch vlak.
Aan het begin van de 20e eeuw wordt kinderzorg sterk verbonden met
eugenetisch denken. Arbeidsinspectrice Plasky citeert dat kinderopvang
essentieel is om hygiëne te waarborgen en een sterke, gezonde natie te
verzekeren. Ook andere documenten benadrukken dat consultaties voor
zuigelingen dienen om een gezond en sterk “ras” te creëren als hoop voor
het vaderland. In deze eugenetische context wordt de zorg voor jonge
kinderen belangrijk, omdat zij de eerste en zwakste schakel in de evolutie
vormen. Door afschaffing van kinderarbeid en invoering van schoolplicht
worden kinderen geen inkomstenbronnen meer, maar kapitaal waarin
geïnvesteerd moet worden, met rendement als volwassene voor de natie.
Herbert Spencer past het evolutieprincipe toe op (het opvoeden van) de
menselijke geest: opvoeding moet gedrag reguleren en zelfbehoud
bevorderen, terwijl de superioriteit van de burger de kapitalistische
samenleving rechtvaardigt.
Spencer stelde dat sociale verschillen van nature bestaan en dat sommige
mensen – vooral de burgerij – “superieur” zijn in de samenleving. Volgens
hem is dat logisch in de “strijd om te overleven” en rechtvaardigt het dat
de burgerij meer macht en invloed heeft. Zo ziet de burgerij het als haar
taak om arbeiders te normaliseren.
In de 19e eeuw bloeien experimentele en statistische wetenschappen op,
met onderzoekers als Quételet en Binet. Kwantitatief onderzoek wordt
verheerlijkt en cijfers krijgen een bijna magische waarde. Deze
“verwiskundiging” van wetenschap scheidt insiders van outsiders en past
in het Weberiaanse streven om de wereld rationeel te begrijpen
4