Samenvatting introductie in de managementwetenschappen
- Strategie: de strategie en de doelen van een organisatie vormen het uitgangspunt voor de
invulling van de overige aandachtsgebieden.
- Management: is verantwoordelijk voor de strategie van de organisatie, het uitvoeren daarvan
en het behalen van de doelen.
- Structuur: gaat over de manier om organisaties vorm te geven en de wijze waarop het
management de organisatie wil besturen.
- Cultuur: van een organisatie is de wijze waarop medewerkers in een organisatie met elkaar
omgaan. Dat is nauw verbonden met de wijze van leidinggeven en de structuur.
- Processen: zijn primair bedoeld om de producten en/of diensten te realiseren. Processen zijn
erg belangrijk om de afnemer tevreden te stellen.
- Medewerkers: Het doelmatig samenwerken van mensen is cruciaal voor het succes van de
organisatie. De medewerkers spelen hierin een belangrijke rol.
Management
Het woord management is afgeleid van het Engelse werkwoord to manage, dat betekent: leiden,
beheren, in staat zijn tot. Management heeft te maken met leidinggeven. De betekenis ‘in staat zijn
tot’ slaat op resultaten, doelen: het moet effect hebben. In het Nederlands gebruiken we voor
management ook vaak de termen bedrijfsvoering of bedrijfsleiding.
Bij het definiëren van management zijn drie woorden belangrijk:
1. Samenwerken
a. Management is gericht op het laten samenwerken van mensen. Vaak hebben deze
mensen verschillende achtergronden, leeftijden, culturen, opleidingen en voeren ze
verschillende functies uit.
2. Optimaal
a. Niet alleen het samenwerken is belangrijk, maar dit moet ook zo goed mogelijk
gebeuren, zowel voor de organisatie als geheel als voor de mensen (de deelnemers
aan de organisatie).
3. Bepaald doel
a. Het managen van de samenwerking is gericht op een bepaald doel. Het is dus niet
vrijblijvend.
Organiseren
De definitie van management als activiteit kunnen we ook gebruiken om het begrip organiseren te
omschrijven als mensen en middelen laten samenwerken om een bepaald doel te bereiken.
Manager
Met management bedoelen we niet alleen het proces of de activiteit, maar ook de mensen die het
uitvoeren; de managers. Wat is dan een manager? Met de definitie van management in ons
achterhoofd kunnen we nu ook het begrip manager omschrijven als iemand die processen, mensen
en middelen aanstuurt om een doel te bereiken.
Organisatie
Een organisatie ontstaat vaak uit het feit dat het organisatiedoel beter bereikt wordt wanneer
meerdere mensen met elkaar samenwerken dan wanneer individuen het proberen.
Organisaties kunnen we ook nog op een andere manier indelen, namelijk in profit- en non-
profitorganisaties.
Unie van Vrijwilligers, Landelijke Studenten Vakbond (LSVb) en het Leger des Heils.
Bedrijf
,Onder het begrip organisatie vallen ook bedrijven en ondernemingen. Wanneer we het hebben over
een bedrijf, dan bedoelen we een organisatie met specifieke kenmerken. Een bedrijf produceert
goederen of diensten en voorziet daarmee in een maatschappelijke behoefte.
Voorbeelden van bedrijven zijn het GVB (gemeentelijk vervoersbedrijf van Amsterdam), een
Algemeen Medisch Centrum (ziekenhuis), het TNO (natuurwetenschappelijk onderzoek), Univé
(verzekeraar zonder winstoogmerk) en een ROC (regionaal opleidingscentrum middelbaar
beroepsonderwijs).
Onderneming
Een bedrijf heeft bestaansrecht wanneer de maatschappij behoefte heeft aan de producten of
diensten die door het bedrijf worden voortgebracht. In dat geval spreken we van nuttige goederen.
Binnen de groep bedrijven bevinden zich ook ondernemingen. Ondernemingen zijn bedrijven waarbij
het maken van winst het primaire doel is.
Ondernemingen die sociaal en maatschappelijk verantwoord ondernemen, worden ook wel not-for-
profit-only-organisaties genoemd.
Albert Heijn (supermarkt), Unilever (producent van onder andere voedingsmiddelen)
Een non-profitorganisatie is niet primair gericht op het maken van winst, maar op het vervullen van
maatschappelijke behoeften, bijvoorbeeld op het gebied van kunst, educatie, politiek, onderzoek of
ontwikkelingshulp. Non-profitorganisaties hebben niet als doel om winst te maken, maar toch kan het
zijn dat je moet betalen voor hun diensten, want ze hebben natuurlijk wel inkomsten nodig. De
inkomsten bestaan veelal uit rijksbijdragen, subsidies, fondsen, contributies en giften. Voorbeelden
van non-profitorganisaties zijn ziekenhuizen, onderwijsinstellingen, musea, ministeries, gemeenten,
waterschappen en bibliotheken.
Organisaties en rechtsvormen
- Eenmanszaak
o Bij de rechtsvorm eenmanszaak is één persoon de eigenaar van de onderneming.
- Maatschap
o Als twee of meer personen een specifieke samenwerking aangaan, spreken we van
een maatschap.
- Vennootschap onder firma (vof)
o De vennootschap onder firma is een ondernemingsvorm waarbij twee of meer
personen (firmanten) een samenwerkingsverband aangaan om onder een
gemeenschappelijke naam een bedrijf uit te oefenen.
- Commanditaire vennootschap (cv)
o Het bijzondere van de commanditaire vennootschap is dat er twee soorten firmanten
zijn: beherende en stille vennoten. Beherende vennoten hebben de dagelijkse
leiding, stille vennoten zijn alleen financieel betrokken.
,Rechtspersonen zijn organisaties die handelingsbekwaam kunnen optreden in het rechtsverkeer.
Daar zijn rechten en plichten aan verbonden, onder andere op het gebied van het hebben van
bezittingen en schulden, contracten afsluiten, rechtszaken aanspannen of aangeklaagd worden.
Rechtspersonen zijn in drie categorieën te verdelen:
1. Privaatrechtelijke rechtspersonen.
a. Naamloze vennootschap (nv): is een rechtspersoon waarvan het kapitaal verdeeld is
in aandelen die in beginsel vrij overdraagbaar zijn.
b. Besloten vennootschap (bv): met beperkte aansprakelijkheid is een rechtspersoon
waarvan het maatschappelijk kapitaal verdeeld is in aandelen die niet vrij
overdraagbaar zijn; de aandelen staan op naam.
c. Coöperatie: is een vorm van zelforganisatie van producenten of verbruikers, gericht
op het vergroten van de economische macht en het behalen van schaalvoordeel.
d. Vereniging: als twee of meer personen volgens vastgestelde regels samenwerken
voor een bepaald doel.
e. Stichting: is een organisatie die erop gericht is een bepaald – meestal sociaal of ideëel
– doel te verwezenlijken.
2. Publiekrechtelijke rechtspersonen (bijvoorbeeld een ministerie, provincie, gemeente,
waterschap, publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie, zelfstandig bestuursorgaan).
3. Kerkgenootschappen.
Karakteristieken van rechtsvormen met rechtspersoonlijkheid
Hoofstuk 2
Strategie gaat over de manier waarop je probeert om organisatiedoelen te bereiken. De strategie
gaat in ieder geval over de lange(re) termijn. Een gangbare termijn voor strategische beslissingen voor
organisaties ligt tussen de drie en vijf jaar.
Operationele effectiviteit is volgens Porter: de organisatie zo doeltreffend mogelijk te laten
functioneren.
, Effectiviteit (doeltreffendheid) heeft ermee te maken in hoeverre we het doel van een activiteit
halen. Dat kunnen we ook omschrijven als: ‘Doen we de goede dingen?’
Efficiëntie (doelmatigheid) gaat over het bereiken van een doel tegen de laagst mogelijke kosten
(offers). Offers hebben betrekking op het al dan niet nuttig gebruik van materiaal, arbeid, energie en
middelen. Het gaat hier dan om: ‘Doen we de dingen goed?’
Hamel en Prahalad (1994) geven drie kenmerken waaraan kernbekwaamheden moeten voldoen:
1. Ze zijn moeilijk te imiteren door andere ondernemingen.
2. Ze moeten de koper voordeel verschaffen en waardevol zijn.
3. Men kan de kernbekwaamheden in veel verschillende markten en producten toepassen.
Hamel en Prahalad vinden dat het kiezen van een strategie vooral gebaseerd moet zijn op wat het
bedrijf kan: de kernbekwaamheden. Ze gaan ervan uit dat bedrijven op basis van hun
kernbekwaamheden toegang krijgen tot nieuwe markten en marktmogelijkheden. Hun model kijkt
naar wat er binnen in de onderneming mogelijk is en daarna naar de markt om deze
kernbekwaamheden optimaal te kunnen benutten. Het is niet direct de bedoeling om een goede
afstemming (‘fit’) met de markt en de concurrenten te vinden, maar eerder om nieuwe ruimte in de
markt te creëren. In die nieuwe marktruimte bestaat immers nog weinig tot geen concurrentie.
Henry Mintzberg (1987) stelt dat men het zich niet kan veroorloven om te vertrouwen op één enkele
definitie van strategie. Hij geeft er daarom vijf. De eerste twee P’s, plan en patroon, hebben
betrekking op de factor tijd.
1. Plan -> Strategie als plan benadrukt dat een strategie een richting aangeeft en acties
benoemt. Het gaat hierbij om vooruitkijken: de beoogde strategie.
2. Patroon -> Strategie als patroon kijkt terug en beschrijft de in het verleden uitgevoerde acties
als consequent gedrag in de loop van de tijd. Het gaat hierbij om terugkijken: de
gerealiseerde strategie.
Twee andere P’s, positie en perspectief, hebben betrekking op de dimensie ‘extern-intern’.
3. Positie -> Strategie als positie betreft het koppelen van producten aan markten; de strategie
positioneert de organisatie in haar directe omgeving en is daarmee extern gericht.
4. Perspectief -> Strategie als perspectief is intern gericht en verwijst naar de manier waarop
vooral het management van een organisatie de strategie vertaalt in visie en
organisatiedoelen.
De vijfde P is plot.
5. Plot -> Strategie als plot is het spel van zet en tegenzet, van beweging en schijnbeweging dat
concurrenten met elkaar in de markt spelen.
Mintzberg stelt dat strategie zich in de tijd ontwikkelt, wanneer bedoelingen botsen met een
veranderde werkelijkheid.
Porter, Hamel & Prahalad en Mintzberg kijken allen op een enigszins verschillende wijze tegen
strategie aan. Waar Porter vooral de markt als uitgangspunt van strategisch beleid neemt, gaan
- Strategie: de strategie en de doelen van een organisatie vormen het uitgangspunt voor de
invulling van de overige aandachtsgebieden.
- Management: is verantwoordelijk voor de strategie van de organisatie, het uitvoeren daarvan
en het behalen van de doelen.
- Structuur: gaat over de manier om organisaties vorm te geven en de wijze waarop het
management de organisatie wil besturen.
- Cultuur: van een organisatie is de wijze waarop medewerkers in een organisatie met elkaar
omgaan. Dat is nauw verbonden met de wijze van leidinggeven en de structuur.
- Processen: zijn primair bedoeld om de producten en/of diensten te realiseren. Processen zijn
erg belangrijk om de afnemer tevreden te stellen.
- Medewerkers: Het doelmatig samenwerken van mensen is cruciaal voor het succes van de
organisatie. De medewerkers spelen hierin een belangrijke rol.
Management
Het woord management is afgeleid van het Engelse werkwoord to manage, dat betekent: leiden,
beheren, in staat zijn tot. Management heeft te maken met leidinggeven. De betekenis ‘in staat zijn
tot’ slaat op resultaten, doelen: het moet effect hebben. In het Nederlands gebruiken we voor
management ook vaak de termen bedrijfsvoering of bedrijfsleiding.
Bij het definiëren van management zijn drie woorden belangrijk:
1. Samenwerken
a. Management is gericht op het laten samenwerken van mensen. Vaak hebben deze
mensen verschillende achtergronden, leeftijden, culturen, opleidingen en voeren ze
verschillende functies uit.
2. Optimaal
a. Niet alleen het samenwerken is belangrijk, maar dit moet ook zo goed mogelijk
gebeuren, zowel voor de organisatie als geheel als voor de mensen (de deelnemers
aan de organisatie).
3. Bepaald doel
a. Het managen van de samenwerking is gericht op een bepaald doel. Het is dus niet
vrijblijvend.
Organiseren
De definitie van management als activiteit kunnen we ook gebruiken om het begrip organiseren te
omschrijven als mensen en middelen laten samenwerken om een bepaald doel te bereiken.
Manager
Met management bedoelen we niet alleen het proces of de activiteit, maar ook de mensen die het
uitvoeren; de managers. Wat is dan een manager? Met de definitie van management in ons
achterhoofd kunnen we nu ook het begrip manager omschrijven als iemand die processen, mensen
en middelen aanstuurt om een doel te bereiken.
Organisatie
Een organisatie ontstaat vaak uit het feit dat het organisatiedoel beter bereikt wordt wanneer
meerdere mensen met elkaar samenwerken dan wanneer individuen het proberen.
Organisaties kunnen we ook nog op een andere manier indelen, namelijk in profit- en non-
profitorganisaties.
Unie van Vrijwilligers, Landelijke Studenten Vakbond (LSVb) en het Leger des Heils.
Bedrijf
,Onder het begrip organisatie vallen ook bedrijven en ondernemingen. Wanneer we het hebben over
een bedrijf, dan bedoelen we een organisatie met specifieke kenmerken. Een bedrijf produceert
goederen of diensten en voorziet daarmee in een maatschappelijke behoefte.
Voorbeelden van bedrijven zijn het GVB (gemeentelijk vervoersbedrijf van Amsterdam), een
Algemeen Medisch Centrum (ziekenhuis), het TNO (natuurwetenschappelijk onderzoek), Univé
(verzekeraar zonder winstoogmerk) en een ROC (regionaal opleidingscentrum middelbaar
beroepsonderwijs).
Onderneming
Een bedrijf heeft bestaansrecht wanneer de maatschappij behoefte heeft aan de producten of
diensten die door het bedrijf worden voortgebracht. In dat geval spreken we van nuttige goederen.
Binnen de groep bedrijven bevinden zich ook ondernemingen. Ondernemingen zijn bedrijven waarbij
het maken van winst het primaire doel is.
Ondernemingen die sociaal en maatschappelijk verantwoord ondernemen, worden ook wel not-for-
profit-only-organisaties genoemd.
Albert Heijn (supermarkt), Unilever (producent van onder andere voedingsmiddelen)
Een non-profitorganisatie is niet primair gericht op het maken van winst, maar op het vervullen van
maatschappelijke behoeften, bijvoorbeeld op het gebied van kunst, educatie, politiek, onderzoek of
ontwikkelingshulp. Non-profitorganisaties hebben niet als doel om winst te maken, maar toch kan het
zijn dat je moet betalen voor hun diensten, want ze hebben natuurlijk wel inkomsten nodig. De
inkomsten bestaan veelal uit rijksbijdragen, subsidies, fondsen, contributies en giften. Voorbeelden
van non-profitorganisaties zijn ziekenhuizen, onderwijsinstellingen, musea, ministeries, gemeenten,
waterschappen en bibliotheken.
Organisaties en rechtsvormen
- Eenmanszaak
o Bij de rechtsvorm eenmanszaak is één persoon de eigenaar van de onderneming.
- Maatschap
o Als twee of meer personen een specifieke samenwerking aangaan, spreken we van
een maatschap.
- Vennootschap onder firma (vof)
o De vennootschap onder firma is een ondernemingsvorm waarbij twee of meer
personen (firmanten) een samenwerkingsverband aangaan om onder een
gemeenschappelijke naam een bedrijf uit te oefenen.
- Commanditaire vennootschap (cv)
o Het bijzondere van de commanditaire vennootschap is dat er twee soorten firmanten
zijn: beherende en stille vennoten. Beherende vennoten hebben de dagelijkse
leiding, stille vennoten zijn alleen financieel betrokken.
,Rechtspersonen zijn organisaties die handelingsbekwaam kunnen optreden in het rechtsverkeer.
Daar zijn rechten en plichten aan verbonden, onder andere op het gebied van het hebben van
bezittingen en schulden, contracten afsluiten, rechtszaken aanspannen of aangeklaagd worden.
Rechtspersonen zijn in drie categorieën te verdelen:
1. Privaatrechtelijke rechtspersonen.
a. Naamloze vennootschap (nv): is een rechtspersoon waarvan het kapitaal verdeeld is
in aandelen die in beginsel vrij overdraagbaar zijn.
b. Besloten vennootschap (bv): met beperkte aansprakelijkheid is een rechtspersoon
waarvan het maatschappelijk kapitaal verdeeld is in aandelen die niet vrij
overdraagbaar zijn; de aandelen staan op naam.
c. Coöperatie: is een vorm van zelforganisatie van producenten of verbruikers, gericht
op het vergroten van de economische macht en het behalen van schaalvoordeel.
d. Vereniging: als twee of meer personen volgens vastgestelde regels samenwerken
voor een bepaald doel.
e. Stichting: is een organisatie die erop gericht is een bepaald – meestal sociaal of ideëel
– doel te verwezenlijken.
2. Publiekrechtelijke rechtspersonen (bijvoorbeeld een ministerie, provincie, gemeente,
waterschap, publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie, zelfstandig bestuursorgaan).
3. Kerkgenootschappen.
Karakteristieken van rechtsvormen met rechtspersoonlijkheid
Hoofstuk 2
Strategie gaat over de manier waarop je probeert om organisatiedoelen te bereiken. De strategie
gaat in ieder geval over de lange(re) termijn. Een gangbare termijn voor strategische beslissingen voor
organisaties ligt tussen de drie en vijf jaar.
Operationele effectiviteit is volgens Porter: de organisatie zo doeltreffend mogelijk te laten
functioneren.
, Effectiviteit (doeltreffendheid) heeft ermee te maken in hoeverre we het doel van een activiteit
halen. Dat kunnen we ook omschrijven als: ‘Doen we de goede dingen?’
Efficiëntie (doelmatigheid) gaat over het bereiken van een doel tegen de laagst mogelijke kosten
(offers). Offers hebben betrekking op het al dan niet nuttig gebruik van materiaal, arbeid, energie en
middelen. Het gaat hier dan om: ‘Doen we de dingen goed?’
Hamel en Prahalad (1994) geven drie kenmerken waaraan kernbekwaamheden moeten voldoen:
1. Ze zijn moeilijk te imiteren door andere ondernemingen.
2. Ze moeten de koper voordeel verschaffen en waardevol zijn.
3. Men kan de kernbekwaamheden in veel verschillende markten en producten toepassen.
Hamel en Prahalad vinden dat het kiezen van een strategie vooral gebaseerd moet zijn op wat het
bedrijf kan: de kernbekwaamheden. Ze gaan ervan uit dat bedrijven op basis van hun
kernbekwaamheden toegang krijgen tot nieuwe markten en marktmogelijkheden. Hun model kijkt
naar wat er binnen in de onderneming mogelijk is en daarna naar de markt om deze
kernbekwaamheden optimaal te kunnen benutten. Het is niet direct de bedoeling om een goede
afstemming (‘fit’) met de markt en de concurrenten te vinden, maar eerder om nieuwe ruimte in de
markt te creëren. In die nieuwe marktruimte bestaat immers nog weinig tot geen concurrentie.
Henry Mintzberg (1987) stelt dat men het zich niet kan veroorloven om te vertrouwen op één enkele
definitie van strategie. Hij geeft er daarom vijf. De eerste twee P’s, plan en patroon, hebben
betrekking op de factor tijd.
1. Plan -> Strategie als plan benadrukt dat een strategie een richting aangeeft en acties
benoemt. Het gaat hierbij om vooruitkijken: de beoogde strategie.
2. Patroon -> Strategie als patroon kijkt terug en beschrijft de in het verleden uitgevoerde acties
als consequent gedrag in de loop van de tijd. Het gaat hierbij om terugkijken: de
gerealiseerde strategie.
Twee andere P’s, positie en perspectief, hebben betrekking op de dimensie ‘extern-intern’.
3. Positie -> Strategie als positie betreft het koppelen van producten aan markten; de strategie
positioneert de organisatie in haar directe omgeving en is daarmee extern gericht.
4. Perspectief -> Strategie als perspectief is intern gericht en verwijst naar de manier waarop
vooral het management van een organisatie de strategie vertaalt in visie en
organisatiedoelen.
De vijfde P is plot.
5. Plot -> Strategie als plot is het spel van zet en tegenzet, van beweging en schijnbeweging dat
concurrenten met elkaar in de markt spelen.
Mintzberg stelt dat strategie zich in de tijd ontwikkelt, wanneer bedoelingen botsen met een
veranderde werkelijkheid.
Porter, Hamel & Prahalad en Mintzberg kijken allen op een enigszins verschillende wijze tegen
strategie aan. Waar Porter vooral de markt als uitgangspunt van strategisch beleid neemt, gaan