Toetsdoelen
1. Zinsdelen enkelvoudige zin
Persoonsvorm
Is altijd een vorm van een werkwoord. Als je de zin in de vt zet kun je zien wat de
pv is.
Zinsdelen
Je kijkt welke stukjes van de zin er bij elkaar horen en daar zet je streepjes
tussen.
Onderwerp
Je stelt de vraag wie of wat + persoonsvorm?
Werkwoordelijk gezegde
Alle werkwoorden in de zin vormen samen het wwg.
Naamwoordelijk gezegde
Je kijkt of het ww een koppelwerkwoord is.
Koppelwerkwoorden: zijn, worden, blijven, blijke, lijken, schijnen, heten, dunken,
voorkomen.
Als er geen koppelwerkwoord in staat is het een wg.
Staat er wel een koppelwerkwoord in en de korte zin is niet begrijpelijk is er vaak
ook sprake van een naamwoordelijk gezegde.
Zie blz. 54
Naamwoordelijk gezegde bestaat uit een of meer werkwoorden en uit een
naamwoord of een zinsdeel met een naamwoord erin.
Het werkwoordelijk deel bevat alle werkwoorden.
Het naamwoordelijk deel is het zinsdeel waar het naamwoord in staat.
Lijdend voorwerp
Is het zinsdeel dat de handeling ondergaat.
Wie of wat + onderwerp en gezegde?
- In zinnen met een nwg kan geen lijdend voorwerp staan.
- Zinnen met een wwg bevatten niet altijd een lijdend voorwerp.
, - Een lijdend voorwerp begint niet met een voorzetsel.
Meewerkend voorwerp
Is meestal een mens of een ander levend wezen. Geeft het werkwoord aan dat
het onderwerp van de zijn iets overdraagt aan iets of iemand.
Begint meestal met aan of voor.
Voor/aan wie of wat + rest van de zin?
Voorzetselvoorwerp
Er moet aan twee voorwaarden worden voldaan:
- Het voorzetselvoorwerp begint met een voorzetsel. Dit voorzetsel kun je
niet vervangen.
- Het voorzetsel vormt een vaste binding met het gezegde van een zin.
Zoals : zorgen voor, denken aan, verlangen naar, zich verheugen op.
- Als het voorzetsel een plaats aanduid is het geen vzvw.
- Vaak heeft een vzvw een figuurlijke betekenis.
Bijwoordelijke bepaling
Een bijwoordelijke bepaling geeft antwoord op de vragen: wanneer, waar,
waarom, waarmee en waardoor.
Vaak geeft het nadere info over tijd, plaats of reden.
Bepaling van gesteldheid
Hoe + de rest van de zin?
Bijvoeglijke bepaling
Is altijd een deel van een zinsdeel. Vertelt iets over een zn of een eigen naam.
Je kijkt eerst of er een zn is. Dan stel je de vraag: welke of wat voor + zn?
Als het zinsdeel begint met een lidwoord is het geen bvb.
Zie blz 78 voor samenvatting.
1. Zinsdelen enkelvoudige zin
Persoonsvorm
Is altijd een vorm van een werkwoord. Als je de zin in de vt zet kun je zien wat de
pv is.
Zinsdelen
Je kijkt welke stukjes van de zin er bij elkaar horen en daar zet je streepjes
tussen.
Onderwerp
Je stelt de vraag wie of wat + persoonsvorm?
Werkwoordelijk gezegde
Alle werkwoorden in de zin vormen samen het wwg.
Naamwoordelijk gezegde
Je kijkt of het ww een koppelwerkwoord is.
Koppelwerkwoorden: zijn, worden, blijven, blijke, lijken, schijnen, heten, dunken,
voorkomen.
Als er geen koppelwerkwoord in staat is het een wg.
Staat er wel een koppelwerkwoord in en de korte zin is niet begrijpelijk is er vaak
ook sprake van een naamwoordelijk gezegde.
Zie blz. 54
Naamwoordelijk gezegde bestaat uit een of meer werkwoorden en uit een
naamwoord of een zinsdeel met een naamwoord erin.
Het werkwoordelijk deel bevat alle werkwoorden.
Het naamwoordelijk deel is het zinsdeel waar het naamwoord in staat.
Lijdend voorwerp
Is het zinsdeel dat de handeling ondergaat.
Wie of wat + onderwerp en gezegde?
- In zinnen met een nwg kan geen lijdend voorwerp staan.
- Zinnen met een wwg bevatten niet altijd een lijdend voorwerp.
, - Een lijdend voorwerp begint niet met een voorzetsel.
Meewerkend voorwerp
Is meestal een mens of een ander levend wezen. Geeft het werkwoord aan dat
het onderwerp van de zijn iets overdraagt aan iets of iemand.
Begint meestal met aan of voor.
Voor/aan wie of wat + rest van de zin?
Voorzetselvoorwerp
Er moet aan twee voorwaarden worden voldaan:
- Het voorzetselvoorwerp begint met een voorzetsel. Dit voorzetsel kun je
niet vervangen.
- Het voorzetsel vormt een vaste binding met het gezegde van een zin.
Zoals : zorgen voor, denken aan, verlangen naar, zich verheugen op.
- Als het voorzetsel een plaats aanduid is het geen vzvw.
- Vaak heeft een vzvw een figuurlijke betekenis.
Bijwoordelijke bepaling
Een bijwoordelijke bepaling geeft antwoord op de vragen: wanneer, waar,
waarom, waarmee en waardoor.
Vaak geeft het nadere info over tijd, plaats of reden.
Bepaling van gesteldheid
Hoe + de rest van de zin?
Bijvoeglijke bepaling
Is altijd een deel van een zinsdeel. Vertelt iets over een zn of een eigen naam.
Je kijkt eerst of er een zn is. Dan stel je de vraag: welke of wat voor + zn?
Als het zinsdeel begint met een lidwoord is het geen bvb.
Zie blz 78 voor samenvatting.