Anamnese
Begroeting en voorstellen
• Voor- en achternaam
• Functie
• Uitleg over wat patiënt kan verwachten
Vraagverheldering
• Hulpvraag: ‘Waarom komt deze patiënt op dit moment bij mij met deze klacht?’
• Biopsychosociale model (SCEGS):
o Somatiek: klacht van patiënt
▪ Klachtverheldering: hoofdklacht van patiënt inclusief alle symptomen
▪ Speciële anamnese
o Cognitie: verklaringen, verwachtingen en ideeën die patiënt heeft over
klachten, onderzoek en behandeling
▪ Attributies: verklaringen die patiënt zelf heeft over oorzakelijke en in stand
houdende factoren die klachten in stand houden, verergeren of
verminderen
▪ Verwachtingen: verwachtingen die patiënt heeft van hulpverlening
▪ Self-efficacy: eigen invloed van patiënt op klachten
o Emotie: emotionele reactie ten gevolge van klachten en algemene
emotionele staat van patiënt
o Gedrag: manieren waarop de patiënt diens gedrag aanpast naar aanleiding
van de klacht(en)
o Sociaal: sociaal contact, sociaal netwerk en maatschappelijke context (werk)
Speciële anamnese en tractusanamnese
• WWKKVV-model: uitdiepen van de klacht (vooral van toepassing op pijn)
o Waar: locatie van klacht en uitstraling
o Wanneer: moment van ontstaan van klacht en beloop
o Kwaliteit: beschrijving van de klacht (pijn: stekend, scherp, drukkend, dof, etc.)
o Kwantiteit: ernst van de klacht en gevolgen hiervan (pijnschaal)
o Verzwarende en verzachtende omstandigheden: omstandigheden waarbij de
klacht als meer of minder ernstig wordt ervaren
o Verwante zaken: andere symptomen wellicht gerelateerd aan klacht
• Speciële tractus: deel van tractusanamnese (zie volgende pagina) dat aansluit
bij het orgaansysteem dat betrokken kan zijn bij het ontstaan van de klacht
Afsluiting
• Samenvatting:
o Vraag en context van patiënt
o Medisch inhoudelijke informatie uit de SCEGS
• Uitleg over verdere vervolgstappen
Begroeting en voorstellen
• Voor- en achternaam
• Functie
• Uitleg over wat patiënt kan verwachten
Vraagverheldering
• Hulpvraag: ‘Waarom komt deze patiënt op dit moment bij mij met deze klacht?’
• Biopsychosociale model (SCEGS):
o Somatiek: klacht van patiënt
▪ Klachtverheldering: hoofdklacht van patiënt inclusief alle symptomen
▪ Speciële anamnese
o Cognitie: verklaringen, verwachtingen en ideeën die patiënt heeft over
klachten, onderzoek en behandeling
▪ Attributies: verklaringen die patiënt zelf heeft over oorzakelijke en in stand
houdende factoren die klachten in stand houden, verergeren of
verminderen
▪ Verwachtingen: verwachtingen die patiënt heeft van hulpverlening
▪ Self-efficacy: eigen invloed van patiënt op klachten
o Emotie: emotionele reactie ten gevolge van klachten en algemene
emotionele staat van patiënt
o Gedrag: manieren waarop de patiënt diens gedrag aanpast naar aanleiding
van de klacht(en)
o Sociaal: sociaal contact, sociaal netwerk en maatschappelijke context (werk)
Speciële anamnese en tractusanamnese
• WWKKVV-model: uitdiepen van de klacht (vooral van toepassing op pijn)
o Waar: locatie van klacht en uitstraling
o Wanneer: moment van ontstaan van klacht en beloop
o Kwaliteit: beschrijving van de klacht (pijn: stekend, scherp, drukkend, dof, etc.)
o Kwantiteit: ernst van de klacht en gevolgen hiervan (pijnschaal)
o Verzwarende en verzachtende omstandigheden: omstandigheden waarbij de
klacht als meer of minder ernstig wordt ervaren
o Verwante zaken: andere symptomen wellicht gerelateerd aan klacht
• Speciële tractus: deel van tractusanamnese (zie volgende pagina) dat aansluit
bij het orgaansysteem dat betrokken kan zijn bij het ontstaan van de klacht
Afsluiting
• Samenvatting:
o Vraag en context van patiënt
o Medisch inhoudelijke informatie uit de SCEGS
• Uitleg over verdere vervolgstappen