ECG beoordelen
Stap 1: Controle
Controleer de volgende gegevens:
• Patiëntgegevens: naam en geboortedatum
• IJk (1,0 mV/10 mm) en papiersnelheid (25 mm/s)
Stap 2: Hartritme
Stappen van de beoordeling van het hartritme:
1. Bepaal of er sprake is van een sinusritme
2. Beschrijf het ritme als er geen sprake is van een sinusritme
Kenmerken van een sinusritme:
• Regulair ritme
• Iedere cyclus bevat 1 P-top gevolgd door een QRS-complex
• P-top moet positief zijn in afleiding I, II, III en aVF (onderwandsafleidingen)
• P-top heeft een continue vorm sinusritme
Soorten ritmestoornissen:
• Supraventriculair: P-top aanwezig en smalle QRS-complexen
o Atriaal: ritme afkomstig uit atria
o Nodaal: ritme afkomstig uit AV-knoop
• Ventriculair: geen P-top en brede QRS-complexen
Stap 3: Hartfrequentie
Optie Formule Ritme Afwijkingen:
aantal QRS-complexen tellen HF = #QRS × 6 regulair/irregulair • > 100 bpm:
aantal kleine hokjes tussen 60 regulair tachycardie
HF =
R-toppen tellen #hokjes × 0,04 • < 60 bpm:
bradycardie
Stap 4: Elektrische hartas
De hartas geeft aan waar de netto elektrische activiteit van het QRS-complex
naartoe loopt. Om de hartas te bepalen, beoordeel je of het QRS-complex positief
is in afleiding I, aVF en II. De tabel geeft aan wanneer de hartas normaal is.
Optie 1 Optie 2
Afleiding I positief positief
Afleiding aVF positief negatief
Afleiding II positief positief
Soorten hartassen:
• Normale hartas: -30° - +90°
• Intermediair hartas: 0° - +90°
• Linker hartas: -30° - -90° (aVF en II negatief)
• Rechter hartas: +90° - +180° (I negatief en
aVF positief)
• Extreme hartas: -90° - -180°
Stap 1: Controle
Controleer de volgende gegevens:
• Patiëntgegevens: naam en geboortedatum
• IJk (1,0 mV/10 mm) en papiersnelheid (25 mm/s)
Stap 2: Hartritme
Stappen van de beoordeling van het hartritme:
1. Bepaal of er sprake is van een sinusritme
2. Beschrijf het ritme als er geen sprake is van een sinusritme
Kenmerken van een sinusritme:
• Regulair ritme
• Iedere cyclus bevat 1 P-top gevolgd door een QRS-complex
• P-top moet positief zijn in afleiding I, II, III en aVF (onderwandsafleidingen)
• P-top heeft een continue vorm sinusritme
Soorten ritmestoornissen:
• Supraventriculair: P-top aanwezig en smalle QRS-complexen
o Atriaal: ritme afkomstig uit atria
o Nodaal: ritme afkomstig uit AV-knoop
• Ventriculair: geen P-top en brede QRS-complexen
Stap 3: Hartfrequentie
Optie Formule Ritme Afwijkingen:
aantal QRS-complexen tellen HF = #QRS × 6 regulair/irregulair • > 100 bpm:
aantal kleine hokjes tussen 60 regulair tachycardie
HF =
R-toppen tellen #hokjes × 0,04 • < 60 bpm:
bradycardie
Stap 4: Elektrische hartas
De hartas geeft aan waar de netto elektrische activiteit van het QRS-complex
naartoe loopt. Om de hartas te bepalen, beoordeel je of het QRS-complex positief
is in afleiding I, aVF en II. De tabel geeft aan wanneer de hartas normaal is.
Optie 1 Optie 2
Afleiding I positief positief
Afleiding aVF positief negatief
Afleiding II positief positief
Soorten hartassen:
• Normale hartas: -30° - +90°
• Intermediair hartas: 0° - +90°
• Linker hartas: -30° - -90° (aVF en II negatief)
• Rechter hartas: +90° - +180° (I negatief en
aVF positief)
• Extreme hartas: -90° - -180°