A. Koper, zoals in oesters, soyalecithine, noten en lever
B. Vitamine C, zoals fruit
C. Vitamine A, zoals in kaas en margarine
2. Hoe verhoog je de biologische waarde van de eiwitten in brood? Bijvoorbeeld door te
combineren met:
A. Melk
B. Fruit
C. Mais
3. Watervergiftiging kan voorkomen wanneer:
A. In combinatie met natrium te weinig water wordt ingenomen
B. Extreem veel water, maar weinig of geen natrium wordt ingenomen
C. Zeer veel natrium in combinatie met zeer veel water wordt ingenomen
4. Bij de omzetting van vloeibare naar harde vetten ontstaat:
A. Verzadigd vet
B. Onverzadigd vet
C. Transvet
5. Een beperkende factor bij anaërobe omzetting van glucose is:
A. De aanmaak van glycogeen
B. De aanmaak van creatinefosfaat
C. De aanmaak van lactaat
6. Voedingsmiddelen met eiwitten van biologische waarde zijn:
A. Lever, brood en quinoa
B. Vlees, peulvruchten en rijst
C. Soja, melk en eieren
7. Meervoudige koolhydraten vinden we in:
A. Peulvruchten, aardappelen en granen
B. Noten, suiker en kaas
C. Fruit, melk en vis
8. Bronnen van jodium:
A. Bananen, aardappelen en vlees
B. Brood, zeevis, schelpdieren en jozo
C. Appelstroop, bladgroente en eieren
9. Bétacaroteen is te beschouwen als:
A. Dierlijke vitamine B
B. Dierlijke vitamine C
C. Plantaardige vitamine A