AARDRIJKSKUNDE §2 T/M §5
VERWERING = Het uit elkaar vallen van gesteente
- MECHANISCHE VERWERING = Het uit elkaar vallen van gesteente in kleinere stukken zonder
verandering van de samenstelling.
VORSTVERWERING = Regenwater dat tussen de spleten van gesteente komt en uitzet
wanneer het bevriest. Zo worden de spleten groter.
ZONVERWERING = Gesteente dat overdag warm wordt en ’s nachts afkoelt, hierdoor
zet het uit en krimpt het weer in. Uiteindelijk breekt de steen hierdoor in stukken.
BIOLOGISCHE VERWERING = Planten groeien tussen gesteente, wanneer wortel
groter wordt breekt de steen.
EXFOLIATIE = Door warmte en koelte springt de bovenste laag van het gesteente los.
- CHEMISCHE VERWERING = Het verandering van de samenstelling van gesteente door
zuurstof en vocht. (Vooral in klimaten die warm en vochtig zijn)
Er ontstaan grotten door chemische verwering: Door de spleten van gesteente gaat
het regenwater door het kalksteen, dit water is zuur geworden door de
plantenwortels. Dit zure water lost het kalksteen op en er ontstaan grotten.
Hierdoor ontstaan karstgebieden; gebieden waarin dit proces erg aanwezig is.
MASSABEWEGINGEN = Het langs een helling naar beneden bewegen van gesteente.
- Steile helling -> rollen of vallen
- Flauwe helling -> langzaam naar beneden schuiven
Dit gesteente gaat altijd naar beneden door de zwaartekracht. Het onderste deel van een helling met
verbrokkelde gesteente noemen we een puinhelling.
Niet alleen gesteente, maar ook: landverschuivingen, modderstromen en lawines behoren tot
massabewegingen.
Het ontstaan van grind: Het gesteente van de puinhelling komt in rivieren terecht. In het snel
stromende water botsen de stenen tegen elkaar, waardoor ze in stukken breken. Doordat de stenen
steeds tegen elkaar schuren worden ze mooi afgerond.
Als dit grind over de bodem van de rivierbedding schuurt, wordt de rivier steeds dieper. Als dit
miljoenen jaren doorgaat, ontstaat er een rivierdal. Dit proces noemen we erosie.
Erosie door gletsjers: In de bergen ontstaan gletsjers door het sneeuw dat zich ieder jaar ophoopt in
een firnbekken. In dit bovenste deel van de gletsjer wordt het sneeuw omgezet in ijs door de druk
van het sneeuw die zich ophoopt. Door het gewicht van dat ijs stroomt de gletsjer langzaam naar
beneden en schuurt het gesteente, waardoor er gladde, ronde vormen ontstaan. Dit noemen we een
gletsjerdal. (Gletsjers verplaatsen zich 1m per dag)
RIVIERDAL: V-vorm GLETSJERDAL: U-vorm
VERWERING = Het uit elkaar vallen van gesteente
- MECHANISCHE VERWERING = Het uit elkaar vallen van gesteente in kleinere stukken zonder
verandering van de samenstelling.
VORSTVERWERING = Regenwater dat tussen de spleten van gesteente komt en uitzet
wanneer het bevriest. Zo worden de spleten groter.
ZONVERWERING = Gesteente dat overdag warm wordt en ’s nachts afkoelt, hierdoor
zet het uit en krimpt het weer in. Uiteindelijk breekt de steen hierdoor in stukken.
BIOLOGISCHE VERWERING = Planten groeien tussen gesteente, wanneer wortel
groter wordt breekt de steen.
EXFOLIATIE = Door warmte en koelte springt de bovenste laag van het gesteente los.
- CHEMISCHE VERWERING = Het verandering van de samenstelling van gesteente door
zuurstof en vocht. (Vooral in klimaten die warm en vochtig zijn)
Er ontstaan grotten door chemische verwering: Door de spleten van gesteente gaat
het regenwater door het kalksteen, dit water is zuur geworden door de
plantenwortels. Dit zure water lost het kalksteen op en er ontstaan grotten.
Hierdoor ontstaan karstgebieden; gebieden waarin dit proces erg aanwezig is.
MASSABEWEGINGEN = Het langs een helling naar beneden bewegen van gesteente.
- Steile helling -> rollen of vallen
- Flauwe helling -> langzaam naar beneden schuiven
Dit gesteente gaat altijd naar beneden door de zwaartekracht. Het onderste deel van een helling met
verbrokkelde gesteente noemen we een puinhelling.
Niet alleen gesteente, maar ook: landverschuivingen, modderstromen en lawines behoren tot
massabewegingen.
Het ontstaan van grind: Het gesteente van de puinhelling komt in rivieren terecht. In het snel
stromende water botsen de stenen tegen elkaar, waardoor ze in stukken breken. Doordat de stenen
steeds tegen elkaar schuren worden ze mooi afgerond.
Als dit grind over de bodem van de rivierbedding schuurt, wordt de rivier steeds dieper. Als dit
miljoenen jaren doorgaat, ontstaat er een rivierdal. Dit proces noemen we erosie.
Erosie door gletsjers: In de bergen ontstaan gletsjers door het sneeuw dat zich ieder jaar ophoopt in
een firnbekken. In dit bovenste deel van de gletsjer wordt het sneeuw omgezet in ijs door de druk
van het sneeuw die zich ophoopt. Door het gewicht van dat ijs stroomt de gletsjer langzaam naar
beneden en schuurt het gesteente, waardoor er gladde, ronde vormen ontstaan. Dit noemen we een
gletsjerdal. (Gletsjers verplaatsen zich 1m per dag)
RIVIERDAL: V-vorm GLETSJERDAL: U-vorm