Domein D – markten
Betalingsbereidheid, dit is de maximale prijs die iemand bereid is te betalen voor een
product/ dienst. Het verschil tussen de te betalen prijs en de betalingsbereidheid heet het
consumentensurplus, dit kan je onthouden omdat dit het verschil is voor consumenten.
1. Teken de vraag- en aanbodlijn in de grafiek
2. Bereken de evenwichtsprijs door Qa = Qv en teken hier een hulplijn vanaf de prijs-as
3. Door de evenwichtshoeveelheid te weten vul je de evenwichtsprijs in bij Qa of Qv
4. Bereken bij welke prijs de vraag en aanbod 0 zijn (snijpunt met y-as)
5. Bereken: basis x hoogte x 0,5
Marktevenwicht is wanneer vraag en aanbod gelijk aan elkaar zijn. Evenwichtsprijs is de
prijs die tot stand komt wanneer de gevraagde hoeveelheid gelijk is aan de aangeboden
hoeveelheid. Evenwichtshoeveelheid is de hoeveelheid die de aanbieders aanbieden en
die de vragers vragen bij de evenwichtsprijs.
Omzet is p x q p is de prijs q is de hoeveelheid/ afzet.
De verschuiving langs de vraaglijn wordt veroorzaakt door de prijs.
De lijn verschuift naar links of naar rechts als gevolg van:
Behoeften: als meer/ minder het willen
Aantal consumenten: wanneer het aantal consumenten toeneemt, heb je meer
vragers bij dezelfde prijs, heb je meer omzet. Kan ook andersom.
Inkomen: lager inkomen, lagere vraag bij dezelfde prijs. Kan ook andersom.
Prijs van andere goederen: denk aan substitutie of complementaire goederen.
Dit kan je aangeven met elasticiteiten, dit is de mate waarin iets veranderd. De algemene
procentuele verandering van het gevolg (G)
formule hiervoor is . Bij prijselasticiteit is de
procentuele verandering van de oorzaak (O)
prijsverandering de oorzaak en de verandering van de gevraagde hoeveelheid het gevolg. Bij
inkomenselasticiteit is de inkomensverandering de oorzaak en de verandering van de
gevraagde hoeveelheid het gevolg. De uitkomst van deze breuk krijgt een naam en dit heet
een elasticiteitwaarde. Wanneer E = 0 is het volkomen inelastisch. Wanneer -1 < E < 0 en 0
< E < 1 is het relatief inelastisch. Wanneer E < -1 en E > 1 is het relatief elastisch. Wanneer
E - oneindig en E oneindig is volkomen elastisch.
Een substitutiegoed is een goed dat in plaats van een ander goed gebruikt kan worden.
Wanneer de prijs hiervan verhoogd wordt, stijgt de afzet van het ene goed en daalt die van
het substitutiegoed, en andersom. Een complementair goed is een goed dat een ander
goed aanvult. Wanneer dus de afzet van het ene goed stijgt, zal die van het andere goed ook
stijgen.
, ECONOMIE TW 4 – H2 / H18 (-H12)
Marginale kosten zijn de extra kosten bij uitbreiding van de productie met één eenheid.
Marginale opbrengsten zijn de extra opbrengsten bij uitbreiding van de productie met één
eenheid. Dus hiermee kan je berekenen wat je extra kosten of opbrengsten zijn van de
productie van één eenheid.
Twee situaties:
1. De marginale kosten zijn lager dan de marginale opbrengsten, hierdoor is er een
winstgevende uitbreiding van de productie van één eenheid.
2. De marginale kosten zijn hoger dan de marginale opbrengsten, hierdoor is er een
verliesgevende uitbreiding van de productie van één eenheid.
Kosten kan je onderverdelen in twee categorieën: constante (= vaste) en variabele kosten.
Constante kosten zijn kosten die ongeacht de productieomvang altijd hetzelfde blijven.
Variabele kosten zijn kosten die variëren met de productiegrootte, hoe meer je produceert
hoe meer variabele kosten je hebt.
Winst is het verschil tussen de verkoopopbrengsten (= omzet) en de productiekosten. Er is
dus alleen winst als het uitkomt op een positief getal, dus moeten de totale opbrengsten
hoger zijn dan de totale kosten. Wanneer dit niet het geval is en de uitkomst negatief is, is er
sprake van verlies.