Domein 1: Mondelinge Taalvaardigheid (11 vragen) Blz. 2 t/m 5
Domein 2: Woordenschat (9 vragen) Blz. 6 t/m 8
Domein 3: Beginnende geletterdheid (16 vragen) Blz. 9 t/m 13
Domein 4: Voortgezet technisch lezen (6 vragen) Blz. 14 t/m 16
Domein 5: Begrijpend lezen (8 vragen) Blz. 17 t/m 19
Domein 6: Stellen (5 vragen) Blz. 20 t/m 24
Domein 7: Jeugdliteratuur (3 vragen) Blz. 25 t/m 26
Domein 8: Taalbeschouwing (13 vragen) Blz. 27 t/m 30
Domein 9: Spelling (9 vragen) Blz. 31 t/m 33
1
, Volledige samenvatting: Kennis Basis Taal
Domein 1: Mondelinge taalvaardigheid (11 vragen)
1.1.3 Luisterdoelen
Een luisterdoel is de reden waarom je naar iets luistert. In het onderwijs worden vaak deze vijf
doelen genoemd:
- Iets te weten willen komen: Je luistert om informatie te krijgen of iets te leren.
VB: Je luistert naar een uitleg van de docent over vulkanen.
- Een gevoel willen ondergaan: Je luistert om een bepaalde emotie te ervaren.
VB: Je luistert naar een spannend verhaal of een lied.
- Een mening willen vormen: Je luistert om te bepalen wat jij ergens van vindt.
VB: Je luistert naar een debat over klimaatverandering.
- Een handeling willen uitvoeren: Je luistert om te weten wat je moet doen.
VB: Je luistert naar instructies voor een proefje in de klas.
- Een spel willen spelen: Je luistert omdat je mee moet doen met een activiteit.
VB: Je luistert naar de regels van een spel.
Om je luisterdoel te bereiken gebruik je een bepaalde manier/strategie van luisteren:
- Globaal luisteren: Je luistert naar de grote lijn van het verhaal.
→ VB: Je luistert naar een verhaal en probeert te begrijpen waar het ongeveer over gaat.
- Gericht luisteren: Je luistert naar specifieke informatie.
→ VB: Je moet luisteren naar de datum van een toets.
- Intensief luisteren: Je luistert heel nauwkeurig, zowel naar de grote lijn als naar de details.
→ VB: Je luistert naar een uitleg van een moeilijke opdracht.
- Kritisch luisteren: Je luistert om een mening te vormen of te beoordelen of iets klopt.
→VB: Je luistert naar een reclame en denkt na of het product echt zo goed is.
1.1.4 Luisterstrategieën
Tijdens het luisteren kun je verschillende luisterstrategieën gebruiken om beter te begrijpen wat
er gezegd wordt. Deze stappen kan je bij alle (4) manieren van luisteren toepassen:
1 Oriënteren: Je denkt na over: je luisterdoel, het onderwerp, wat je al weet en wie de spreker is.
2 Reflecteren: Je denkt tijdens het luisteren: begrijp ik het? bereik ik mijn luisterdoel?
3 Monitoren: Je controleert of het luisteren goed gaat. Bijv.: vragen stellen en extra opletten.
4 Evalueren: Na het luisteren denk je na: wat ging goed? Wat kan de volgende keer beter?
1.1.5 Spreekdoelen
Een spreekdoel is de reden waarom iemand iets zegt. Als spreker wil je iets bereiken bij de
luisteraar. De belangrijkste spreekdoelen zijn:
- Amuseren: Je spreekt om de ander te vermaken.
→ VB: een mop vertellen, een grappig verhaal vertellen.
- Informeren: Je spreekt om informatie te geven.
→ VB: uitleggen hoe iets werkt, vertellen hoe laat het is, een presentatie geven.
- Instrueren: Je spreekt om uit te leggen wat iemand moet doen.
→ VB: uitleggen hoe een opdracht werkt, de weg wijzen, uitleg geven bij een proefje.
- Overtuigen: Je spreekt om iemand van jouw mening te laten veranderen.
→ VB: uitleggen waarom een boek goed is, een mening verdedigen, iemand overhalen.
(Uitten = je gevoel/gedachtes uitdrukken, Afstemmen = contact maken met de ander, Interviewen
= informatie van iemand krijgen, Overleggen = samen afspraken maken).
2
, Volledige samenvatting: Kennis Basis Taal
1.1.6 Spreekstrategieën
Om je spreekdoel te bereiken gebruik je spreekstrategieën. Dit zijn stappen die je helpen je
spreektaak goed uit te voeren:
- Oriënteren: Je denkt na over verschillende dingen voordat je gaat spreken:
- Doel van de spreektaak → wat wil ik bereiken?
- Onderwerp → waar ga ik over praten?
- Eigen kennis → wat weet ik er al van?
- Soort spreektaak → presentatie, gesprek, uitleg
- Publiek / gesprekspartner → wie luisteren er? wat weten zij al?
- Reflecteren: Tijdens het spreken denk je na: Breng ik de informatie duidelijk over? Begrijpen de
luisteraars mij? Bereik ik mijn spreekdoel?
- Monitoren: Je houdt constant in de gaten of je spreekdoel wordt bereikt. Bijvoorbeeld:
door meer uitleg geven, vragen stellen of je uitleg aanpassen.
- Evalueren: Na het spreken kijk je terug: Wat ging goed? Wat ging minder goed? Wat kan ik de
volgende keer beter doen?
1.1.8 Sociale taalfuncties
Sociale taalfuncties gaan over hoe taal gebruikt wordt in de interactie tussen mensen. Met
andere woorden: wat je met taal doet in een gesprek met anderen. 4 functies:
- Zelfhandhaving: Je gebruikt taal om jezelf te verdedigen, jezelf te beschermen of iets van jezelf
te houden/je recht te halen. (“Die bal was van mij!”, “Ik was eerst!”, “Ik heb dat niet gedaan.”)
- Zelfsturing: Je gebruikt taal om je eigen handelingen te plannen, ordenen of aankondigen. (“Ik
ga nu huiswerk maken.”, “Eerst maak ik deze opdracht en dan die”, “Ik ga zo naar de bakker.”)
- Anderen sturen: Je gebruikt taal om het gedrag van anderen te beïnvloeden. (“Zullen we samen
huiswerk maken?”, “Kun je de deur dichtdoen?”, “Kom, laten we beginnen.”).
- Gesprek structureren: Je gebruikt taal om het gesprek te regelen of te organiseren. (“Mag ik
even iets zeggen?”, “Wacht even, ik ben nog niet klaar.”, “Zal ik beginnen?”).
1.1.9 Cognitieve taalfuncties
Cognitieve taalfuncties zijn manieren waarop je met taal je verstand gebruikt om iets te
begrijpen, te denken of uit te leggen. Met taal benoem en orden je de werkelijkheid. Daarom
noemen we dit ook conceptualiserende functies. Met andere woorden: je gebruikt taal om
informatie te geven, dingen uit te leggen of te begrijpen wat iemand anders denkt of voelt.
Er zijn 3 functies, die je ook moet ordenen in mate van complexiteit (makkelijk naar moeilijk):
- Rapporteren (makkelijkste): je vertel wat er is of wat je ziet. Je doet een verslag van de
werkelijkheid. Je geeft gewoon informatie over wat er gebeurt.
→ “Dit is een vis” (benoemen). “De vis is lang” (beschrijven). “Deze vis is groter dan.” (vergelijk).
- Redeneren (middel): hier leg je denkstappen uit. Je gaat verder dan alleen beschrijven, je legt
uit waarom of hoe iets gebeurt. Je legt een verband tussen dingen of gebeurtenissen.
→ “Eerst meng je de verf, daarna schilder je” (chronologisch ordenen). “De cavia piept omdat
hij eten wil” (oorzaak-gevolg uitleggen). “Het regent, dus we blijven binnen” (Concluderen of
probleem oplossen). “Je leert lezen door te oefenen met boeken” (Middel-doelrelatie leggen).
- Projecteren (moeilijkste): hier verplaats je je in de gedachten of gevoelens van iemand anders.
Je probeert begrijpen wat iemand denkt/voelt. Je kijkt vanuit het perspectief van iemand anders.
→ “Hij is boos omdat zijn speelgoed kapot is.”, “Zij denkt dat ze te laat komt.”
3
, Volledige samenvatting: Kennis Basis Taal
Dus kort de complexiteit van de functies: Rapporteren (wat gebeurt er?) → Redeneren (waarom
of hoe gebeurt het) → Projecteren (wat denkt of voelt iemand anders?)
1.3.2 Taalverwerving
Taalverwerving gaat over hoe kinderen leren spreken en de regels van taal leren. (Is hoe je taal
leert). Tijdens het leren van taal leren kinderen de regels voor de onderdelen:
1 Taalinhoud (wat woorden betekenen)
→ Semantisch: de betekenis van woorden en zinnen. VB: weten dat “hond” een dier is.
2 Taalvorm (hoe woorden en zinnen klinken en worden opgebouwd)
→ Fonologisch: de klanken van de taal leren herkennen en uitspreken. VB: het verschil horen
tussen “kat” en “bat”.
→ Morfologisch: de kleinste betekenisvolle eenheden van een woord leren gebruiken. VB:
voor- en achtervoegsels. Voorbeeld: “hond” in “hondjes”.
→ Syntactisch: leren hoe woorden in een juiste volgorde in een zin staan. VB: “Ik eet een
appel” is correct, “Appel eet ik een” is niet correct.
3 Taalgebruik (hoe ze taal gebruiken in een gesprek of situatie)
→ Pragmatisch: leren taal gebruiken in de juiste situatie. VB: zeggen “mag ik wat water?” in
plaats van “geef water” tegen een volwassene.
Kinderen leren taal volgens verschillende theorieën, die samenwerken:
1 Creatieve constructietheorie: Kinderen leren door zelf regels actief te ontdekken en te
bedenken. Ze bouwen actief hun taalbegrip op. Ze hebben een taalleermechanisme in hun hoofd
waardoor ze bijvoorbeeld zinnen zelf kunnen vormen. VB: Een kind zegt “ik loopte” in plaats van
“ik liep” omdat het de regel voor verleden tijd probeert toe te passen.
2 Interactionele benadering: Kinderen leren veel via interactie met anderen. Taal leren gebeurt
door praten, luisteren en vragen stellen aan ouders, leerkrachten of andere kinderen. VB: Een
kind leert het juiste gebruik van “ik” en “mij” doordat iemand het corrigeert tijdens een gesprek.
1.3.3 Taalontwikkelingsfasen
Taalontwikkeling is het proces waarin een kind leert om taal te begrijpen en te gebruiken (proces
van groeien in taal). De taalontwikkeling verloopt in twee hoofdfasen:
Prelinguale fase (0 – 1 jaar)
De fase voor het echte spreken. In deze fase kan het kind nog geen echte woorden zeggen, maar
maakt het wel geluiden. Deze fase bestaat uit vier stappen:
1 Huilen (tot 6 weken): Eerste manier van communiceren. Baby laat horen (honger, pijn, moe).
2 Vocaliseren (6 – 20 weken): Baby maakt eerste geluidjes (oo, aa) Vaak samen met glimlachen.
3 Vocaal spel (4 – 6 maanden): Meer variatie in klanken, experimenteert (gillen, brommen).
4 Brabbelfase (vanaf 7 maanden): Herhalen van klanken (bababa, dadada). Lijkt op echte taal.
Linguale fase (vanaf ±1 jaar)
Hier begint het kind echte woorden en zinnen te gebruiken. Bestaat uit 3 fases:
5 Vroeg linguale fase (1 tot 2,5 jaar): de eerste zinnen ontstaan:
→ Eenwoordzin, Tweewoordzin, meerwoordzin: met 1 woord word een hele zin bedoelt
6 Differentiatiefase (2,5 – 5 jaar): Snelle ontwikkeling van taal. Zinnen langer, taal/
woordenschat groeien en grammatica word beter gebruikt.
7 Voltooiingsfase (vanaf 5 jaar): De basis van de taal is compleet. Word alleen nog verfijnd.
4
, Volledige samenvatting: Kennis Basis Taal
1.3.4 Tweedetaalontwikkeling
De eerste taal die een kind leert, heet de eerstetaalverwerving. Dit is de moedertaal die je dus
vanaf je geboorte aangeleerd krijgt. Het verloopt volgens vaste ontwikkelingsfasen en kinderen
krijgen veel taalinput van hun omgeving. Tijd: het verloopt in een voorspelbare tijdsperiode bij
jonge kinderen.
Wanneer iemand daarnaast of daarna nog een andere taal leert, spreken we van
tweedetaalverwerving. Een tweede taal wordt in principe op dezelfde manier geleerd als een
eerste taal: door taalinput en door zelf taal te gebruiken. Tijd: kan sterk verschillen per persoon.
Dit hangt af van: hoeveelheid taalinput, hoeveel iemand de taal kan oefenen, leeftijd en
cognitieve ontwikkeling. Kinderen kunnen een tweede taal vaak tot bijna moedertaalniveau
leren. Bij het verwerven van twee talen kan dit op twee manieren gebeuren:
1 Simultane tweetaligheid: Dit betekent dat een kind twee talen tegelijk leert. De tweede taal
wordt geleerd voor het 3e levensjaar, het kind heeft als het ware twee eerste talen, de
taalontwikkeling verloopt verder normaal.
2 Successieve tweetaligheid: Dit betekent dat een kind eerst één taal leert en daarna een
tweede taal. De tweede taal wordt geleerd na het 3e levensjaar, de kennis van de eerste taal
wordt gebruikt bij het leren van de tweede taal en dit is de meest voorkomende manier.
Taalkennis: Bij tweedetaalverwerving heeft de leerling al kennis van een eerste taal. Die kennis
kan helpen bij het leren van de tweede taal, maar kan ook fouten veroorzaken. Een
interferentiefout is een fout die ontstaat doordat regels uit de eerste taal worden toegepast op
de tweede taal. (VB: Een turkse spreker zegt in Nederlands: “Ik ga naar winkel”, omdat er geen
lidwoorden bestaan in het turks).
1.3.6 Communicatieve competentie
Communicatieve competentie betekent dat iemand taal goed kan gebruiken in verschillende
communicatieve situaties. Het gaat dus niet alleen om taal kennen, maar ook om taal op de juiste
manier gebruiken. Communicatieve competentie bestaat uit vier deelcompetenties.
1 Grammaticale competentie: gaat het om de kennis van de taal zelf. Iemand kan grammaticaal
correcte taal gebruiken. De taalgebruiker kent klanken van de taal, kan goede zinnen maken en
beschikt over een voldoende woordenschat.
2 Tekstuele competentie: betekent dat iemand begrijpt hoe een tekst is opgebouwd en zelf ook
een logische tekst kan maken. De taalgebruiker: kan de structuur van een tekst herkennen en
kan teksten opbouwen en ordenen. VB: een verhaal met een begin, midden en einde.
3 Strategische competentie: kan iemand strategieën gebruiken om een communicatief doel te
bereiken. Het gaat dus om slim omgaan met taal om je doel te bereiken. De taalgebruiker kan
bijvoorbeeld: overtuigen of een boodschap duidelijker maken als iemand het niet begrijpt.
4 Functionele competentie: betekent dat iemand taal kan aanpassen aan de situatie. Het gaat
dus om passend taalgebruik in verschillende situaties. De taalgebruiker: past taalgebruik aan
aan de context, spreekt bijvoorbeeld anders tegen een vriend dan tegen een leerkracht.
5
, Volledige samenvatting: Kennis Basis Taal
Domein 2: Woordenschat (9 vragen)
2.1.2 Receptieve woordenschat, 2.1.3 Productieve woordenschat
De woordenschat van een taalgebruiker bestaat uit twee soorten:
1 Receptieve woordenschat: woorden die je begrijpt bij het horen of lezen (= groter).
→ VB: een leerling hoort het woord “cavia” en kan het juiste plaatje aanwijzen.
2 Productieve woordenschat: woorden die je zelf gebruikt bij het spreken of schrijven (= kleiner).
→ VB: een leerling ziet een cavia en kan het woord “cavia” benoemen.
Verschil: De receptieve woordenschat is altijd groter dan de productieve woordenschat. Dit komt
omdat mensen meer woorden kunnen begrijpen dan ze zelf gebruiken.
2.1.4 Woordleerstrategieën
Woordleerstrategieën zijn strategieën die leerlingen helpen om de betekenis van een onbekend
woord te achterhalen. Er zijn 4 strategieën om woordbetekenis te achterhalen:
1 Woord analyseren: kijken naar delen van het woord om de betekenis te begrijpen.
VB: bij het woord ‘onmogelijk’ zie je ‘on’ (= niet) + ‘mogelijk’, dus: iets kan niet gebeuren.
2 Gebruik maken van verbale en non-verbale context: letten op de zin, tekst of plaatjes om de
betekenis te begrijpen. VB: De ‘woeste’ zee sloeg neer. (door de zin weet je ‘woest’ = wild).
3 Gebruik maken van een bron in de eerste of tweede taal: de betekenis opzoeken in een
woordenboek, vertaalapp of iets. VB: je zoekt het woord habitat op in een woordenboek.
4 Letten op overeenkomsten tussen eerste en tweede taal: woorden herkennen die op elkaar
lijken in verschillende talen. VB: informatie (NL) lijkt op information (ENG), dus is hetzelfde.
Relatie met woordenschatverwerving: Woordleerstrategieën worden bewust aangeleerd. Dit
verschilt van woordenschatverwerving, waarbij leerlingen woorden vanzelf oppikken uit hun
omgeving. Door woordleerstrategieën leren leerlingen zelfstandig de betekenis achterhalen.
2.1.5 Woordbetekenis
Een woord bestaat uit twee onderdelen:
1 Het label: is de klankvorm of het woord zelf. VB: “auto”.
2 Het concept: is de betekenis die we aan dat label koppelen, VB: een voertuig op vier wielen.
Het woord zelf (het label) en de betekenis ervan (het concept) hoeven niet logisch aan elkaar
gekoppeld te zijn. Het label is gewoon de klank of het woord dat we gebruiken. Het concept is
wat we ermee bedoelen. Het woord had dus net zo goed anders kunnen heten, idee is t zelfde.
Elk concept (betekenis) heeft meerdere betekenisaspecten (eigenschappen). Sommige zijn
cruciaal voor het begrijpen van het woord, andere zijn minder belangrijk. Bijvoorbeeld: Cruciaal
is: een hoed is iets dat je op je hoofd zet. Minder belangrijk is: een hoed is zacht en flexibel.
2.1.6 Woordenschatopbouw
Woorden vormen in ons hoofd een netwerk: ze staan niet los van elkaar, maar zijn verbonden via:
1 Betekenisrelaties: ontstaan doordat woorden inhoudelijk verbonden zijn. Belangrijke soorten:
→ Synoniem: woorden met ongeveer dezelfde betekenis. VB: venster en raam.
→ Hyponiem: een specifiek woord binnen die categorie. VB: mus hoort in de vogelcategorie.
→ Antoniem: woorden met tegenovergestelde betekenis. VB: groot en klein.
→ Context: woorden die vaak samen voorkomen in een situatie. VB: pannenkoeken en bakken.
6