Oefententamen
Statistische Modellen 1 — HC1 t/m HC5
30 gesloten vragen | 4 antwoordmogelijkheden per vraag | 1 punt per vraag
Instructies:
Omcirkel per vraag het letter van het juiste antwoord (A, B, C of D). Er is altijd precies
één correct antwoord.
Gebruik van formuleblad toegestaan. Afronden op 2 decimalen.
HC1 — Inferentiële statistiek & steekproevenverdelingen
1. Een onderzoeker meet het IQ van 80 willekeurig gekozen studenten om een uitspraak te
doen over alle studenten in Nederland. Wat zijn de 80 studenten?
A) De populatie
B) De parameter
C) De steekproef
D) De statistiek
2. Welk symbool hoort bij het populatiegemiddelde?
A) ȳ
B) s
C) μ
D) p̂
3. Wat beschrijft de steekproevenverdeling (sampling distribution)?
A) De verdeling van individuele scores in de populatie
B) De kansverdeling van een statistiek bij herhaald trekken van steekproeven
C) De verdeling van scores in één steekproef
D) De verdeling van populatieparameters
4. De centrale limietstelling stelt dat bij een grote steekproef (n ≥ 30)...
A) De populatieverdeling normaal wordt
B) De standaardfout gelijk is aan de standaarddeviatie
C) De steekproevenverdeling van het gemiddelde ongeveer normaal verdeeld is
D) De steekproef representatief is voor de populatie
, 5. Een onderzoeker vergroot de steekproef van n = 100 naar n = 400. Wat gebeurt er met
de standaardfout?
A) De standaardfout verdubbelt
B) De standaardfout wordt gehalveerd
C) De standaardfout verviervoudigt
D) De standaardfout verandert niet
6. Wat is een 'unbiased estimator'?
A) Een schatter die altijd exact de populatiewaarde geeft
B) Een schatter zonder systematische over- of onderschatting bij herhaalde
steekproeven
C) Een schatter die alleen gebruikt wordt bij grote steekproeven
D) Een schatter waarbij de standaardfout gelijk is aan nul
HC2 — Betrouwbaarheidsintervallen
7. Welke interpretatie van een 95%-betrouwbaarheidsinterval is CORRECT?
A) De parameter ligt met 95% kans in dit specifieke interval
B) 95% van de steekproefwaarden valt in dit interval
C) Als deze methode heel vaak herhaald wordt, bevat 95% van de berekende intervallen
de echte parameter
D) Er is 95% kans dat de nulhypothese waar is
8. Wat is de algemene formule voor een betrouwbaarheidsinterval?
A) Puntschatting × z × SE
B) Puntschatting ± z (of t) × SE
C) Puntschatting − z × SE
D) Parameter ± foutmarge
9. Je berekent een 95%-BHI voor een proportie. Welke z-waarde gebruik je?
A) 1.645
B) 1.96
C) 2.576
D) 2.33
10. Wanneer gebruik je de t-verdeling in plaats van de z-verdeling bij een BHI voor een
gemiddelde?
A) Altijd, bij elk gemiddelde
B) Als de populatiestandaarddeviatie σ bekend is
C) Als n > 150
D) Als n < 150 en σ onbekend is
Statistische Modellen 1 — HC1 t/m HC5
30 gesloten vragen | 4 antwoordmogelijkheden per vraag | 1 punt per vraag
Instructies:
Omcirkel per vraag het letter van het juiste antwoord (A, B, C of D). Er is altijd precies
één correct antwoord.
Gebruik van formuleblad toegestaan. Afronden op 2 decimalen.
HC1 — Inferentiële statistiek & steekproevenverdelingen
1. Een onderzoeker meet het IQ van 80 willekeurig gekozen studenten om een uitspraak te
doen over alle studenten in Nederland. Wat zijn de 80 studenten?
A) De populatie
B) De parameter
C) De steekproef
D) De statistiek
2. Welk symbool hoort bij het populatiegemiddelde?
A) ȳ
B) s
C) μ
D) p̂
3. Wat beschrijft de steekproevenverdeling (sampling distribution)?
A) De verdeling van individuele scores in de populatie
B) De kansverdeling van een statistiek bij herhaald trekken van steekproeven
C) De verdeling van scores in één steekproef
D) De verdeling van populatieparameters
4. De centrale limietstelling stelt dat bij een grote steekproef (n ≥ 30)...
A) De populatieverdeling normaal wordt
B) De standaardfout gelijk is aan de standaarddeviatie
C) De steekproevenverdeling van het gemiddelde ongeveer normaal verdeeld is
D) De steekproef representatief is voor de populatie
, 5. Een onderzoeker vergroot de steekproef van n = 100 naar n = 400. Wat gebeurt er met
de standaardfout?
A) De standaardfout verdubbelt
B) De standaardfout wordt gehalveerd
C) De standaardfout verviervoudigt
D) De standaardfout verandert niet
6. Wat is een 'unbiased estimator'?
A) Een schatter die altijd exact de populatiewaarde geeft
B) Een schatter zonder systematische over- of onderschatting bij herhaalde
steekproeven
C) Een schatter die alleen gebruikt wordt bij grote steekproeven
D) Een schatter waarbij de standaardfout gelijk is aan nul
HC2 — Betrouwbaarheidsintervallen
7. Welke interpretatie van een 95%-betrouwbaarheidsinterval is CORRECT?
A) De parameter ligt met 95% kans in dit specifieke interval
B) 95% van de steekproefwaarden valt in dit interval
C) Als deze methode heel vaak herhaald wordt, bevat 95% van de berekende intervallen
de echte parameter
D) Er is 95% kans dat de nulhypothese waar is
8. Wat is de algemene formule voor een betrouwbaarheidsinterval?
A) Puntschatting × z × SE
B) Puntschatting ± z (of t) × SE
C) Puntschatting − z × SE
D) Parameter ± foutmarge
9. Je berekent een 95%-BHI voor een proportie. Welke z-waarde gebruik je?
A) 1.645
B) 1.96
C) 2.576
D) 2.33
10. Wanneer gebruik je de t-verdeling in plaats van de z-verdeling bij een BHI voor een
gemiddelde?
A) Altijd, bij elk gemiddelde
B) Als de populatiestandaarddeviatie σ bekend is
C) Als n > 150
D) Als n < 150 en σ onbekend is