Nova © Uitgeverij Malmberg
H5 Bewegen Tekstuele samenvatting 1-2 havo/vwo
Paragraaf 1 Bewegingen vastleggen
Om bewegingen te analyseren kun je ze op verschillende manieren vastleggen.
Je kunt:
• een beweging vastleggen met een stroboscopische foto
Dat is een foto die is gemaakt in een verduisterde ruimte. Een stroboscooplamp geeft
met kleine tussenpozen korte lichtflitsen. Elke keer dat de lamp flitst wordt een
momentopname van de beweging gemaakt. Alle momentopnamen komen op één
foto terecht.
• een beweging vastleggen met een video-opname
Je filmt het bewegende voorwerp met een videocamera. Veelal maken die dertig
opnames per seconde. Je analyseert de beweging door iedere afzonderlijke opname
te analyseren. Je kunt de opname met een computerprogramma ook bewerken tot
één gecombineerd beeld.
Voor een goede analyse moet je weten:
• met welke tussenpozen de momentopnamen zijn gemaakt;
• hoe groot de afstanden op de beelden in werkelijkheid zijn. Je moet de schaal van het
beeld kennen.
De meetresultaten kun je invullen in een plaats-tijdtabel.
Aan de hand van zo’n tabel kun je een plaats-tijddiagram of (x,t)-diagram tekenen.
Het referentiepunt is de plaats waar de beweging is begonnen. Het verschil tussen het
referentiepunt en de plaats waar de beweging is geëindigd, noem je de afgelegde afstand.
De afgelegde afstand is niet uit een (x,t)-diagram te halen als de beweging eindigt op de plek
waar de beweging is begonnen (het referentiepunt).
1
H5 Bewegen Tekstuele samenvatting 1-2 havo/vwo
Paragraaf 1 Bewegingen vastleggen
Om bewegingen te analyseren kun je ze op verschillende manieren vastleggen.
Je kunt:
• een beweging vastleggen met een stroboscopische foto
Dat is een foto die is gemaakt in een verduisterde ruimte. Een stroboscooplamp geeft
met kleine tussenpozen korte lichtflitsen. Elke keer dat de lamp flitst wordt een
momentopname van de beweging gemaakt. Alle momentopnamen komen op één
foto terecht.
• een beweging vastleggen met een video-opname
Je filmt het bewegende voorwerp met een videocamera. Veelal maken die dertig
opnames per seconde. Je analyseert de beweging door iedere afzonderlijke opname
te analyseren. Je kunt de opname met een computerprogramma ook bewerken tot
één gecombineerd beeld.
Voor een goede analyse moet je weten:
• met welke tussenpozen de momentopnamen zijn gemaakt;
• hoe groot de afstanden op de beelden in werkelijkheid zijn. Je moet de schaal van het
beeld kennen.
De meetresultaten kun je invullen in een plaats-tijdtabel.
Aan de hand van zo’n tabel kun je een plaats-tijddiagram of (x,t)-diagram tekenen.
Het referentiepunt is de plaats waar de beweging is begonnen. Het verschil tussen het
referentiepunt en de plaats waar de beweging is geëindigd, noem je de afgelegde afstand.
De afgelegde afstand is niet uit een (x,t)-diagram te halen als de beweging eindigt op de plek
waar de beweging is begonnen (het referentiepunt).
1