INTRODUCTIE PSYCHOBIOLOGIE HOOFDSTUK 5
5.1
Acetylcholine = de chemische stof die een signaal communiceert om te inhiberen: hart gaat
langzamer kloppen
Epinephrine (adrealine) = de chemische stof die een signaal communiceert om te exhiberen : hart
gaat sneller kloppen
Neurotransmitters = chemische stoffen die berichten van het ene neuron naar het andere dragen
Groepen neuronen die een bepaald type chemische neurotransmitter afgeven, zijn vernoemd naar
die neurotransmitter:
- Cholinergic neurons – geven acetylcholine af
- Noradrenergic neurons – geven norepinephrine af
Figuur 5.1:
- “rest and digest” inhiberende acties van acetylcholine parasympatisch ANS
- “fight or flight” exhiberende acties van norepinephrine sympatisch ANS
Elke neurotransmitter kan een prikkelende of remmende werking hebben; zijn werking wordt
bepaald door de receptor waarmee hij in wisselwerking staat
Figuur 5.2:
B: de drie hoofdgebieden van een synaps:
1. Presynaptisch element (axon)
2. Postsynaptisch element (dendriet/cellichaam)
3. De ruimte die de structuren scheidt synaptische spleet
Op de top van het dendritisch topje is het postsynaptisch membraan
Aan het eind van het axon terminal is het presynaptisch membraan; dat eiwitmoleculen bevat
kanalen en pompen
Synaptische blaasjes bevatten de chemische neurotransmitter
- Ronde korrels die zich in het axon terminal bevinden
Opslag korrels (storage granules) houden een aantal synaptische blaasjes vast
Figuur 5.3:
- Somme neuronen beïnvloeden elkaar elektrisch via een gap junction waar de prejunctie en
postjunctie celmembranen versmelten met elkaar
- Ionenkanalen in een celmembraan verbinden met ionenkanalen in het aangrenzende
membraan en vormen een porie waardoor ionen rechtstreeks van het ene neuron naar het
volgende kunnen gaan
- De snelheid van elektrische synapsen > de snelheid van chemische synapsen
Figuur 5.4:
Vier stappen van neurotransmissie:
, 1. Synthese
2. Release
3. Receptor action
4. Inactivation
SYNTHESE
Neurotransmitters worden op twee basismanieren geleid:
1. Neurotransmitters worden gesynthetiseerd als eiwitten in het cellichaam volgens instructies
in het neuron-DNA
Langzamer werkende klassen van eiwitten
2. Neurotransmitters worden gesynthetiseerd in het axon-uiteinde uit bouwstenen die zijn
afgeleid van voedsel
Sneller werkende klassen van eiwitten
Synaptische blaasjes worden op drie verschillende manier opgeslagen, afhankelijk van het type
neurotransmitter dat ze bevatten:
1. Opslag korrels
2. Bevestigd aan de microfilamenten in de terminalknop
3. Bevestigd aan het presynaptisch membraan
RELEASE
Figuur 5.5:
De extracellulaire ruimte is rijk aan calciumionen
De aankomst van het actiepotentiaal opent de spanningsgevoelige calciumkanalen er treedt een
instroom op van calcium in de axon-terminal
De binnenstromende calciumionen binden aan andere moleculen, en vormen hiermee complexen
dit zorgt ervoor dat de blaasjes hun neurotransmitters afscheiden; exocytose
RECEPTOR ACTION
Een neurotransmitter die vrijkomt uit het presynaptische membraan diffundeert over de synaptische
spleet en bindt zich aan gespecialiseerde eiwitmoleculen in het postsynaptische membraan
- De gespecialiseerde eiwitmoleculen = receptoren; neurotransmitter geactiveerde kanalen
Het type neurotransmitter en het type receptor bepalen of de neurotransmitter:
- Het postsynaptisch membraan depolariseert exciterende actie
- Het postsynaptisch membraan hyperpolariseert inhiberende actie
- Andere chemische reacties op gang helpt
- Nieuwe synapsen genereert
- Andere veranderingen in de cel tot stand brengt
Autoreceptors (self-receptors) krijgen signalen van hun eigen axon terminal
Quantum = de hoeveelheid neurotransmitters van maar één synaptisch blaasje
5.1
Acetylcholine = de chemische stof die een signaal communiceert om te inhiberen: hart gaat
langzamer kloppen
Epinephrine (adrealine) = de chemische stof die een signaal communiceert om te exhiberen : hart
gaat sneller kloppen
Neurotransmitters = chemische stoffen die berichten van het ene neuron naar het andere dragen
Groepen neuronen die een bepaald type chemische neurotransmitter afgeven, zijn vernoemd naar
die neurotransmitter:
- Cholinergic neurons – geven acetylcholine af
- Noradrenergic neurons – geven norepinephrine af
Figuur 5.1:
- “rest and digest” inhiberende acties van acetylcholine parasympatisch ANS
- “fight or flight” exhiberende acties van norepinephrine sympatisch ANS
Elke neurotransmitter kan een prikkelende of remmende werking hebben; zijn werking wordt
bepaald door de receptor waarmee hij in wisselwerking staat
Figuur 5.2:
B: de drie hoofdgebieden van een synaps:
1. Presynaptisch element (axon)
2. Postsynaptisch element (dendriet/cellichaam)
3. De ruimte die de structuren scheidt synaptische spleet
Op de top van het dendritisch topje is het postsynaptisch membraan
Aan het eind van het axon terminal is het presynaptisch membraan; dat eiwitmoleculen bevat
kanalen en pompen
Synaptische blaasjes bevatten de chemische neurotransmitter
- Ronde korrels die zich in het axon terminal bevinden
Opslag korrels (storage granules) houden een aantal synaptische blaasjes vast
Figuur 5.3:
- Somme neuronen beïnvloeden elkaar elektrisch via een gap junction waar de prejunctie en
postjunctie celmembranen versmelten met elkaar
- Ionenkanalen in een celmembraan verbinden met ionenkanalen in het aangrenzende
membraan en vormen een porie waardoor ionen rechtstreeks van het ene neuron naar het
volgende kunnen gaan
- De snelheid van elektrische synapsen > de snelheid van chemische synapsen
Figuur 5.4:
Vier stappen van neurotransmissie:
, 1. Synthese
2. Release
3. Receptor action
4. Inactivation
SYNTHESE
Neurotransmitters worden op twee basismanieren geleid:
1. Neurotransmitters worden gesynthetiseerd als eiwitten in het cellichaam volgens instructies
in het neuron-DNA
Langzamer werkende klassen van eiwitten
2. Neurotransmitters worden gesynthetiseerd in het axon-uiteinde uit bouwstenen die zijn
afgeleid van voedsel
Sneller werkende klassen van eiwitten
Synaptische blaasjes worden op drie verschillende manier opgeslagen, afhankelijk van het type
neurotransmitter dat ze bevatten:
1. Opslag korrels
2. Bevestigd aan de microfilamenten in de terminalknop
3. Bevestigd aan het presynaptisch membraan
RELEASE
Figuur 5.5:
De extracellulaire ruimte is rijk aan calciumionen
De aankomst van het actiepotentiaal opent de spanningsgevoelige calciumkanalen er treedt een
instroom op van calcium in de axon-terminal
De binnenstromende calciumionen binden aan andere moleculen, en vormen hiermee complexen
dit zorgt ervoor dat de blaasjes hun neurotransmitters afscheiden; exocytose
RECEPTOR ACTION
Een neurotransmitter die vrijkomt uit het presynaptische membraan diffundeert over de synaptische
spleet en bindt zich aan gespecialiseerde eiwitmoleculen in het postsynaptische membraan
- De gespecialiseerde eiwitmoleculen = receptoren; neurotransmitter geactiveerde kanalen
Het type neurotransmitter en het type receptor bepalen of de neurotransmitter:
- Het postsynaptisch membraan depolariseert exciterende actie
- Het postsynaptisch membraan hyperpolariseert inhiberende actie
- Andere chemische reacties op gang helpt
- Nieuwe synapsen genereert
- Andere veranderingen in de cel tot stand brengt
Autoreceptors (self-receptors) krijgen signalen van hun eigen axon terminal
Quantum = de hoeveelheid neurotransmitters van maar één synaptisch blaasje