Literatuur
,Inhoudsopgave
WEEK 1 - INLEIDING........................................................................................1
WEEK 2 – DE PENSIOENOVEREENKOMST..........................................................8
WEEK 3 – DE UITVOERINGSOVEREENKOMST...................................................18
WEEK 4 – WET VERPLICHTE BEDRIJFSTAKPENSIOENFONDSEN..........................25
WEEK 5 – WIJZIGEN PENSIOENOVEREENKOMST...............................................34
WEEK 6 - OVERGANG ONDERNEMING.............................................................44
WEEK 7 – PENSIOENEN BIJ OVERGANG VAN EEN ONDERNEMING & BEPERKING. 51
Week 1 - Inleiding
Literatuur
1
,Memorie van toelichting
https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/detail?
id=2022D12405&did=2022D12405
Asser 7-XI Pensioen
§1.1 Geschiedenis pensioen
1. Van liefdadigheid naar recht
De basis voor de huidige pensioenregelingen werd gelegd in de
negentiende eeuw, toen pensioen transformeerde van een vorm van
liefdadigheid naar een juridisch recht. Het woord ‘pensioen’ is afgeleid van
het Romeinse begrip ‘pensio’, wat simpelweg ‘betaling’ betekent. Al in de
vijftiende en zestiende eeuw bestonden er voorzieningen voor geestelijken
en in de zeventiende eeuw kwamen er steunfondsen voor gilden, die
gezien kunnen worden als de voorlopers van moderne pensioenfondsen. In
de geschiedenis wordt onderscheid gemaakt tussen pensioenen voor
overheidswerknemers, werknemers in het bedrijfsleven en pensioenen
vanuit de sociale zekerheid.
2. Pensioen voor overheidsmedewerkers
De eerste voorzieningen voor ambtenaren dateren uit 1798, gevolg door
een vrijwillig pensioenfonds in 1802. In 1836 ontstond een vroege vorm
van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds, wat in 1846 wettelijk werd
verankerd. De Pensioenwet 1922 leidde tot de oprichting van het ABP
zoals we dat nu kennen, dat later via de Wet privatisering ABP in 1995
werd geprivatiseerd.
3. Pensioen voor werknemers in het bedrijfsleven.
Tot halverwege de negentiende eeuw waren arbeiders voor hun oude dag
aangewezen op familie of charitatieve instellingen. Met de groei van
grootschalige bedrijven ontstond bij ‘verlichte’ werkgevers (zoals J.C. van
Marcken) het besef dat zij een morele plicht hadden voor hun personeel te
zorgen. Het eerste ondernemingspensioenfonds in 1845 opgericht door de
Hollandsche IJzeren Spoorweg Maatschappij. De echte omslag naar
pensioen als recht vond plaats in het begin van de twintigste eeuw door
de opkomst van collectieve arbeidsovereenkomsten. Belangrijkste
wettelijke mijlpalen zijn de Pensioen- en spaarfondsenwet (1952) en de
huidige Pensioenwet (2007).
4. Sociale zekerheidswetgeving
De gedachte dat de overheid een actieve taak heeft in het bieden van
inkomensbescherming bij ouderdom, overlijden of arbeidsongeschiktheid
ontwikkelde zich pas later. Na vroege wetten zoals de Ongevallenwet
(1901) en de Invaliditeitswet (1913), ontstond halverwege de twintigste
eeuw de moderne sociale verzekering. De belangrijkste pijlers hiervan zijn
de Algemene Ouderdomswet (AOW) uit 1956, de Algemene
nabestaandenwet (Anw, voorheen AWW) en de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen (WIA, voorheen WAO).
§1.3 De tweede pijler nader bekeken
2
, 13. Grondslagen en verschijningsvormen pensioen in de tweede
pijler
Het pensioen in de tweede pijler (het aanvullende pensioen) wordt
gekenmerkt door een directe koppeling tussen de deelneming en het
verrichten van arbeid. De basis hiervoor kan een dienstverband zijn, een
ambtelijke aanstelling, of het werkzaam zijn in een specifieke bedrijfstak of
beroep. Er worden vier categorieën werkenden onderscheiden:
1. Werknemers (inclusief overheidswerknemers).
2. Zelfstandigen
3. Beroepsbeoefenaren.
4. Politieke ambtsdragers.
14. Pensioen voor werknemers
Voor werknemers met een burgerrechtelijke arbeidsovereenkomst is de
regeling gebaseerd op een pensioenovereenkomst (volgens de
Pensioenwet) of op verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds
(Wet Bpf 2000).
- Overheidswerknemers: Hun regeling is vastgelegd in een
burgerrechtelijke overeenkomst die bindend is via de Wet Privatisering
ABP (WPA).
- Militairen: Vallen onder de Kaderwet militaire pensioenen, waarbij de
pensioenregeling eveneens in een burgerrechtelijke overeenkomst is
opgenomen.
- Bijzondere groepen: Voor het personeel van de Koninklijke Hofhouding
en voor notarissen gelden specifieke wettelijke bepalingen waarbij zij
voor de Pensioenwet als werknemer worden beschouwd of waarbij de
Pensioenwet van toepassing wordt verklaard.
15. Pensioen voor beoefenaren van een beroep
Bepaalde beroepsgroepen (zoals apothekers, huisartsen en loodsen)
hebben een verplichte regeling op grond van de Wet verplichte
beroepspensioenregeling.
- Verhoudingsvereiste: Een regeling moet in overwegende mate
(minimaal 55%) bestemd zijn voor zelfstandig werkende
beroepsgenoten.
- Arbeidsmarktverschuiving: omdat steeds meer beroepsbeoefenaren in
loondienst gaan, voldoen sommige regelingen (zoals die voor
dierenartsen en fysiotherapeuten) niet meer aan dit percentage. De
overheid heeft echter besloten deze regelingen vooralsnog niet in te
trekken in afwachting van een duurzame oplossing binnen het nieuwe
stelsel.
- Notariaat: Sinds 2016 nemen notarissen deel in een fonds dat zowel
onder de Pensioenwet als de Wet Bpf 2000 valt.
16. Pensioen voor zelfstandigen
Voor de algemene zelfstandige bestaat er geen pensioenovereenkomst in
de tweede pijler. Zij zijn doorgaans aangewezen op de derde pijler.
3