Gedrag = waarneembare actie of reactie op een prikkel (intern of
extern).
Aangeboren = reflexen of instincten (bijv. zuigreflex baby).
Aangeleerd = gedrag dat je leert (bijv. eten met mes en vork)
Klein zenuwstelsel (bijv. insect): vooral aangeboren gedrag,
simpel, weinig variatie.
Groot/complex zenuwstelsel (zoals bij mensen): vooral
aangeleerd gedrag, veel variatie, complex gedrag.
Menselijk gedrag wordt sterk beïnvloed door cultuur.
Twee soorten ontwikkeling
1. Fylogenetische ontwikkeling = ontwikkeling van diersoorten door
de evolutie heen (mens uit lagere soorten).
2. Ontogenetische ontwikkeling = ontwikkeling van een individu
vanaf bevruchting (sperma + eicel)
Nature vs. Nurture
Mensen stammen niet af van apen, maar hebben een
gemeenschappelijke voorouder.
Wij zijn primaten en het meest verwant aan chimpansees (DNA-
verschil van slechts 1%).
Bijzonder aan het menselijk brein
Onze hersenen zijn groot in verhouding tot ons lichaam.
Niet alleen absolute hersenomvang is gegroeid, ook
de relatieve (gemeten via EQ).
Maar: grotere hersenen ≠ automatisch slimmer: belangrijker
is hoe goed hersengebieden met elkaar verbonden zijn.
Mannen hebben gemiddeld 10% zwaardere hersenen dan vrouwen,
maar zijn niet intelligenter.
Manieren om breingrootte/intelligentie te meten:
1. Encefalisatiequotiënt (EQ):
o Mens: EQ ≈ 7 (zeer hoog)
o Australopithecus: EQ ≈ 2,5
o Kat: EQ = 1 (gemiddeld dier)
2. Verpakkingsdichtheid (hersencellen tellen):
o Hoe meer en dichter verpakte cellen, hoe complexer
het gedrag.
1
,Waarom zijn menselijke hersenen zo groot geworden?
1. Klimaatveranderingen
→ Vroegen om aanpassing en dus complexere hersenwerking.
2. Leefwijze primaten
o Sociale groepen: samenwerking, hiërarchie, communicatie →
vraagt meer hersencapaciteit.
o Fruit eten: vergt herkennen van rijpe vs. giftige vruchten →
vraagt hogere hersenfunctie.
o Gebruik van vuur/koken: gaf meer tijd voor leren en sociale
interactie → hersengroei.
3. Radiator-hypothese
o Mensen hebben betere hersenkoeling (bloedvaten in
schedel).
o Dit maakte meer hersenactiviteit en groei mogelijk zonder
oververhitting.
4. Neotenie
o = Vertraagde ontwikkeling waarbij jeugdige kenmerken
blijven in volwassenheid.
o Voorbeeld: volwassenen blijven speels, leergierig en
nieuwsgierig zoals baby-gorilla’s.
o Zorgt ervoor dat leren en hersenontwikkeling langer
doorgaan → meer verbindingen.
Belang van leren en omgeving
Veel gedrag is aangeleerd, niet aangeboren.
Cultuur en opvoeding spelen een grote rol.
Goede voeding in vroege jeugd = grotere hersenen, meer
hersenplasticiteit (aanpassingsvermogen van hersenen)
Neuroplasticiteit: hersenen passen zich aan (leren, ervaring).
Onderdeel van fenotypische plasticiteit: aanpassing van waarneembare
eigenschappen aan omgeving.
2
,3
, Bescherming van het zenuwstelsel
Hersenvliezen (meninges):
1. Dura mater = harde buitenlaag, stevig, met bloedvaten
2. Arachnoïde = middelste laag, spinnenwebachtig, zonder
bloedvaten
3. Pia mater = zachte binnenlaag, volgt de hersenstructuur,
met bloedvaten
Cerebrospinaal vocht (CSF):
o Zit tussen pia en arachnoïde
o Beschermt (kussen), voert afvalstoffen af
o Te veel CSF → waterhoofd
Kwab: Locatie: Functie:
Frontaal Voorkant Besluitvorming,
planning, vrijwillige
beweging
Pariëtaal Bovenkant Doelgerichte
bewegingen,
ruimtelijke oriëntatie
(sensorisch)
Occipitaal Achterkant Visuele verwerking
Temporaal Zijkant Gehoor, taal, muziek,
gezichtsherkenning,
emotionele verwerking
Hersenschorsstructuur
Gyrus = winding (denk aan 'gyros', bochtig)
Sulcus = groef
Fissuur = diepe groef
Belangrijk:
o Sulcus centralis: scheidt frontale en pariëtale kwab
o Fissura lateralis: scheidt temporale kwab van de rest
o Fissura longitudinalis: verdeelt de twee hersenhelften
o Gyrus temporalis superior: auditieve verwerking, taalbegrip
Bloedvoorziening en beroertes
Hersenen gebruiken 25% van de zuurstofvoorraad.
Beroerte (CVA) = onderbreking bloedstroom → hersenschade
o Ischemisch (80%): verstopt vat, lokaal zuurstoftekort
(minder ernstig)
o Hemorragisch (20%): bloeding, gescheurd vat (ernstig)
Type stof: Ligging: Functie:
Grijze stof: Buitenste laag Bestaat uit
zenuwcellen waar
neuronen informatie
verzamelen en
verwerken
Witte stof: Binnenste laag Bestaat uit
4
extern).
Aangeboren = reflexen of instincten (bijv. zuigreflex baby).
Aangeleerd = gedrag dat je leert (bijv. eten met mes en vork)
Klein zenuwstelsel (bijv. insect): vooral aangeboren gedrag,
simpel, weinig variatie.
Groot/complex zenuwstelsel (zoals bij mensen): vooral
aangeleerd gedrag, veel variatie, complex gedrag.
Menselijk gedrag wordt sterk beïnvloed door cultuur.
Twee soorten ontwikkeling
1. Fylogenetische ontwikkeling = ontwikkeling van diersoorten door
de evolutie heen (mens uit lagere soorten).
2. Ontogenetische ontwikkeling = ontwikkeling van een individu
vanaf bevruchting (sperma + eicel)
Nature vs. Nurture
Mensen stammen niet af van apen, maar hebben een
gemeenschappelijke voorouder.
Wij zijn primaten en het meest verwant aan chimpansees (DNA-
verschil van slechts 1%).
Bijzonder aan het menselijk brein
Onze hersenen zijn groot in verhouding tot ons lichaam.
Niet alleen absolute hersenomvang is gegroeid, ook
de relatieve (gemeten via EQ).
Maar: grotere hersenen ≠ automatisch slimmer: belangrijker
is hoe goed hersengebieden met elkaar verbonden zijn.
Mannen hebben gemiddeld 10% zwaardere hersenen dan vrouwen,
maar zijn niet intelligenter.
Manieren om breingrootte/intelligentie te meten:
1. Encefalisatiequotiënt (EQ):
o Mens: EQ ≈ 7 (zeer hoog)
o Australopithecus: EQ ≈ 2,5
o Kat: EQ = 1 (gemiddeld dier)
2. Verpakkingsdichtheid (hersencellen tellen):
o Hoe meer en dichter verpakte cellen, hoe complexer
het gedrag.
1
,Waarom zijn menselijke hersenen zo groot geworden?
1. Klimaatveranderingen
→ Vroegen om aanpassing en dus complexere hersenwerking.
2. Leefwijze primaten
o Sociale groepen: samenwerking, hiërarchie, communicatie →
vraagt meer hersencapaciteit.
o Fruit eten: vergt herkennen van rijpe vs. giftige vruchten →
vraagt hogere hersenfunctie.
o Gebruik van vuur/koken: gaf meer tijd voor leren en sociale
interactie → hersengroei.
3. Radiator-hypothese
o Mensen hebben betere hersenkoeling (bloedvaten in
schedel).
o Dit maakte meer hersenactiviteit en groei mogelijk zonder
oververhitting.
4. Neotenie
o = Vertraagde ontwikkeling waarbij jeugdige kenmerken
blijven in volwassenheid.
o Voorbeeld: volwassenen blijven speels, leergierig en
nieuwsgierig zoals baby-gorilla’s.
o Zorgt ervoor dat leren en hersenontwikkeling langer
doorgaan → meer verbindingen.
Belang van leren en omgeving
Veel gedrag is aangeleerd, niet aangeboren.
Cultuur en opvoeding spelen een grote rol.
Goede voeding in vroege jeugd = grotere hersenen, meer
hersenplasticiteit (aanpassingsvermogen van hersenen)
Neuroplasticiteit: hersenen passen zich aan (leren, ervaring).
Onderdeel van fenotypische plasticiteit: aanpassing van waarneembare
eigenschappen aan omgeving.
2
,3
, Bescherming van het zenuwstelsel
Hersenvliezen (meninges):
1. Dura mater = harde buitenlaag, stevig, met bloedvaten
2. Arachnoïde = middelste laag, spinnenwebachtig, zonder
bloedvaten
3. Pia mater = zachte binnenlaag, volgt de hersenstructuur,
met bloedvaten
Cerebrospinaal vocht (CSF):
o Zit tussen pia en arachnoïde
o Beschermt (kussen), voert afvalstoffen af
o Te veel CSF → waterhoofd
Kwab: Locatie: Functie:
Frontaal Voorkant Besluitvorming,
planning, vrijwillige
beweging
Pariëtaal Bovenkant Doelgerichte
bewegingen,
ruimtelijke oriëntatie
(sensorisch)
Occipitaal Achterkant Visuele verwerking
Temporaal Zijkant Gehoor, taal, muziek,
gezichtsherkenning,
emotionele verwerking
Hersenschorsstructuur
Gyrus = winding (denk aan 'gyros', bochtig)
Sulcus = groef
Fissuur = diepe groef
Belangrijk:
o Sulcus centralis: scheidt frontale en pariëtale kwab
o Fissura lateralis: scheidt temporale kwab van de rest
o Fissura longitudinalis: verdeelt de twee hersenhelften
o Gyrus temporalis superior: auditieve verwerking, taalbegrip
Bloedvoorziening en beroertes
Hersenen gebruiken 25% van de zuurstofvoorraad.
Beroerte (CVA) = onderbreking bloedstroom → hersenschade
o Ischemisch (80%): verstopt vat, lokaal zuurstoftekort
(minder ernstig)
o Hemorragisch (20%): bloeding, gescheurd vat (ernstig)
Type stof: Ligging: Functie:
Grijze stof: Buitenste laag Bestaat uit
zenuwcellen waar
neuronen informatie
verzamelen en
verwerken
Witte stof: Binnenste laag Bestaat uit
4