DOMEIN E
INTERTEMPORELE RUIL
Intertemporele ruil is tussen 2 tijden iets ruilen. 2 voorbeelden:
1. Je ruilt nu je vrije tijd in om te studeren voor een betere carrière later;
2. Je legt een deel van je inkomen opzij voor je pensioen later.
Inflatie is stijging van het algemeen prijspeil, dit tast de koopkracht aan.
RIC = NIC / PIC
Tijdsvoorkeur: consumenten die sparen stellen hun consumptie uit door te sparen en later
te consumeren = lage tijdsvoorkeur.
Consumenten die lenen halen hun consumptie naar voren en betalen later de rente/aflossing
= hoge tijdsvoorkeur.
Dilemma: een probleem met 2 mogelijkheden. Voorbeeld: zal ik gaan studeren of werken?
Stroomgrootheid: grootheid waarvan de omvang in een bepaalde periode wordt gevormd,
waarvan de waarde over die periode wordt gemeten. Voorbeeld: begrotingstekort,
maandelijkse inkomen.
Voorraadgrootheid: grootheid waarvan de omvang in een bepaalde periode wordt gevormd,
waarvan de waarde over een tijdstip wordt gemeten. Voorbeeld: staatsschuld,
hypotheekschuld.
INTERTEMPORELE RUIL PENSIOENEN
De rekenrente is het percentage dat pensioenfondsen mogen gebruiken als
‘groeivoorspeller’. Het geeft aan met hoeveel procent een bedrag zal toenemen (door
beleggingsopbrengsten) om uiteindelijk de uitkeringen mee te kunnen betalen. Eindwaarde is
te berekenen door spaarbedrag x indexcijfer rekenrente tot de macht aantal jaar. Voorbeeld:
spaarbedrag 10000, rekenrente 4%, na 20 jaar. 10000 x 1,04 ^ 20.
De dekkingsgraad van een pensioenfonds geeft een beeld van de mate waarin het
pensioenfonds in staat geacht wordt om in de toekomst aan hun verplichtingen te kunnen
voldoen. Dekkingsgraad = huidig vermogen werkgeverspensioen / huidige waarde
toekomstige verplichtingen werkgeverspensioen x 100%.
De kapitaalmarktrente is afhankelijk van vraag en aanbod.
Waardevaste uitkering: uitkering die evenveel stijgt als de inflatie. Welvaartsvaste
uitkering: uitkering die meestijgt met de loonontwikkelingen. Ofwel: met de gemiddelde
stijging van de CAO-lonen. Is gunstiger dan de waardevaste uitkering op lange termijn.
Het AOW wordt gefinancierd door het omslagstelsel. De werkenden van nu betalen
maandelijkse premie aan de overheid, waarvan de AOW voor de ouderen wordt
gefinancierd.
Het kapitaaldekkingsstelsel. Pensioenstelsel waarbij de ensieonuiterkigen gefinancierd
worden door eigen opgebouwd kapitaal. Het ingelegde pensioenpremie en de opbrengsten
uit beleggingen vormen later de basis voor het uitbetalen van de pensioenen.
INTERTEMPORELE RUIL
Intertemporele ruil is tussen 2 tijden iets ruilen. 2 voorbeelden:
1. Je ruilt nu je vrije tijd in om te studeren voor een betere carrière later;
2. Je legt een deel van je inkomen opzij voor je pensioen later.
Inflatie is stijging van het algemeen prijspeil, dit tast de koopkracht aan.
RIC = NIC / PIC
Tijdsvoorkeur: consumenten die sparen stellen hun consumptie uit door te sparen en later
te consumeren = lage tijdsvoorkeur.
Consumenten die lenen halen hun consumptie naar voren en betalen later de rente/aflossing
= hoge tijdsvoorkeur.
Dilemma: een probleem met 2 mogelijkheden. Voorbeeld: zal ik gaan studeren of werken?
Stroomgrootheid: grootheid waarvan de omvang in een bepaalde periode wordt gevormd,
waarvan de waarde over die periode wordt gemeten. Voorbeeld: begrotingstekort,
maandelijkse inkomen.
Voorraadgrootheid: grootheid waarvan de omvang in een bepaalde periode wordt gevormd,
waarvan de waarde over een tijdstip wordt gemeten. Voorbeeld: staatsschuld,
hypotheekschuld.
INTERTEMPORELE RUIL PENSIOENEN
De rekenrente is het percentage dat pensioenfondsen mogen gebruiken als
‘groeivoorspeller’. Het geeft aan met hoeveel procent een bedrag zal toenemen (door
beleggingsopbrengsten) om uiteindelijk de uitkeringen mee te kunnen betalen. Eindwaarde is
te berekenen door spaarbedrag x indexcijfer rekenrente tot de macht aantal jaar. Voorbeeld:
spaarbedrag 10000, rekenrente 4%, na 20 jaar. 10000 x 1,04 ^ 20.
De dekkingsgraad van een pensioenfonds geeft een beeld van de mate waarin het
pensioenfonds in staat geacht wordt om in de toekomst aan hun verplichtingen te kunnen
voldoen. Dekkingsgraad = huidig vermogen werkgeverspensioen / huidige waarde
toekomstige verplichtingen werkgeverspensioen x 100%.
De kapitaalmarktrente is afhankelijk van vraag en aanbod.
Waardevaste uitkering: uitkering die evenveel stijgt als de inflatie. Welvaartsvaste
uitkering: uitkering die meestijgt met de loonontwikkelingen. Ofwel: met de gemiddelde
stijging van de CAO-lonen. Is gunstiger dan de waardevaste uitkering op lange termijn.
Het AOW wordt gefinancierd door het omslagstelsel. De werkenden van nu betalen
maandelijkse premie aan de overheid, waarvan de AOW voor de ouderen wordt
gefinancierd.
Het kapitaaldekkingsstelsel. Pensioenstelsel waarbij de ensieonuiterkigen gefinancierd
worden door eigen opgebouwd kapitaal. Het ingelegde pensioenpremie en de opbrengsten
uit beleggingen vormen later de basis voor het uitbetalen van de pensioenen.