paragraaf 1
De suiker glucose is een brandstof die je cellen voor bijna alle activiteiten gebruiken.
Moleculen zijn de kleinste deeltjes van een stof met nog alle eigenschappen van die stof.
Om glucosemoleculen op te nemen hebben je cellen insuline nodig.
→ Insuline + glucose wordt vanaf de alvleesklier naar de cellen vervoert
→ de hoeveelheid glucose in je bloed daalt
→ de cellen kunnen doorwerken
⇨ Elk levend wezen/organisme bestaat uit 1 of meer cellen. Cellen zijn de basiseenheden van je
lichaam.
⇨ Organisatieniveaus hebben een duidelijke samenhang waarbij elk niveau voortbouwt op de
onderliggende niveaus.
Van klein naar groot:
1. molecuul: een structuur die bestaat uit meerdere atomen en met alle eigenschappen van die
bepaalde stof
2. organel: onderdeel van de cel met een bepaalde taak
3. cel: functionele basiseenheid van elk organisme
4. weefsel: groep cellen met dezelfde bouw en functie
5. orgaan: verschillende weefsels die samenwerken aan een bepaalde taak
6. orgaanstelsel: diverse organen die samen een bepaalde taak hebben
7. organisme: een levend wezen
8. populatie: groep organismen van dezelfde soort in een bepaald gebied
9. levensgemeenschap: alle organismen (die onderlinge relaties hebben) in een bepaald gebied
10. ecosysteem: begrensd gebied waarin organismen met elkaar en met de levenloze natuur
relaties hebben
11. systeem aarde: dynamisch systeem gevormd door alle fysische, chemische en biologische
processen op aarde en hun onderlinge interacties
Alle organismen met vergelijkbare eigenschappen die zich onderling kunnen voortplanten en
vruchtbare nakomelingen kunnen krijgen behoren tot dezelfde soort.
Emergente eigenschap: een eigenschap die ontstaat door interactie van delen van een
organisatieniveau en zichtbaar is op een hoger niveau.
Levenskenmerken cel :
● bevatten erfelijk materiaal
● stofwisseling (opnemen, omzetten en afgeven van stoffen)
● waarnemen en reageren op prikkels
● groei
● voortplanting
Diabetes
type 1:
Beschadigde cellen in de alvleesklier
⇨ hyper (te hoog glucosegehalte) zorgt voor plassen, dorst en vermoeidheid
, ● insuline spuiten want dat wordt niet genoeg aangemaakt
● alvleesklier/eilandjes van langerhans transplantatie
Vervolgens moeten er medicijnen worden geslikt om afstoting tegen te gaan.
● Gebruik van stamcellen uit bijvoorbeeld het beenmerg, hierdoor is de kans op afstoting heel
erg klein. Dokters maken uit deze geïsoleerde cellen, weefsels.
⇨ hypo (te laag glucosegehalte) zorgt voor zweten, trillen, duizeligheid en honger
● is op te lossen door suiker te eten
Cel
Moedercel deelt zich in dochtercellen.
→ deze lijken allen op elkaar want het zijn nog stamcellen.
In een volgend stadium gaan de cellen zich differentiëren.
Celdifferentiatie: cellen die verschillen in grootte, vorm en functie.
Deze cellen onderscheiden zich door verschillende eiwitten die ze hebben gemaakt.
Eiwitten:
→ organische stoffen
→ opgebouwd uit aminozuren
→ zijn betrokken bij alle levensprocessen
Verhouding oppervlak/inhoud : beperkt de maximale grootte die cellen kunnen hebben.
In het lichaam is er om de cellen in de weefsel veel ruimte, deze ruimte is gevuld met
weefselvloeistof.
paragraaf 2
Elke cel is omgeven door een celmembraan.
Tussen het celmembraan en de kern bevindt zich het cytoplasma bestaande uit:
● grondplasma (waterige inhoud van de cel)
● organellen
Menselijke en dierlijke cellen zijn heterotroof:
→ ze leven van organische stoffen.
Een dierlijke cel:
binas 79C
- celkern: is omgeven door kernmembraan met poriën en bevat DNA-moleculen.
Cellen met een celkern zijn eukaryoot.
binas 78
De suiker glucose is een brandstof die je cellen voor bijna alle activiteiten gebruiken.
Moleculen zijn de kleinste deeltjes van een stof met nog alle eigenschappen van die stof.
Om glucosemoleculen op te nemen hebben je cellen insuline nodig.
→ Insuline + glucose wordt vanaf de alvleesklier naar de cellen vervoert
→ de hoeveelheid glucose in je bloed daalt
→ de cellen kunnen doorwerken
⇨ Elk levend wezen/organisme bestaat uit 1 of meer cellen. Cellen zijn de basiseenheden van je
lichaam.
⇨ Organisatieniveaus hebben een duidelijke samenhang waarbij elk niveau voortbouwt op de
onderliggende niveaus.
Van klein naar groot:
1. molecuul: een structuur die bestaat uit meerdere atomen en met alle eigenschappen van die
bepaalde stof
2. organel: onderdeel van de cel met een bepaalde taak
3. cel: functionele basiseenheid van elk organisme
4. weefsel: groep cellen met dezelfde bouw en functie
5. orgaan: verschillende weefsels die samenwerken aan een bepaalde taak
6. orgaanstelsel: diverse organen die samen een bepaalde taak hebben
7. organisme: een levend wezen
8. populatie: groep organismen van dezelfde soort in een bepaald gebied
9. levensgemeenschap: alle organismen (die onderlinge relaties hebben) in een bepaald gebied
10. ecosysteem: begrensd gebied waarin organismen met elkaar en met de levenloze natuur
relaties hebben
11. systeem aarde: dynamisch systeem gevormd door alle fysische, chemische en biologische
processen op aarde en hun onderlinge interacties
Alle organismen met vergelijkbare eigenschappen die zich onderling kunnen voortplanten en
vruchtbare nakomelingen kunnen krijgen behoren tot dezelfde soort.
Emergente eigenschap: een eigenschap die ontstaat door interactie van delen van een
organisatieniveau en zichtbaar is op een hoger niveau.
Levenskenmerken cel :
● bevatten erfelijk materiaal
● stofwisseling (opnemen, omzetten en afgeven van stoffen)
● waarnemen en reageren op prikkels
● groei
● voortplanting
Diabetes
type 1:
Beschadigde cellen in de alvleesklier
⇨ hyper (te hoog glucosegehalte) zorgt voor plassen, dorst en vermoeidheid
, ● insuline spuiten want dat wordt niet genoeg aangemaakt
● alvleesklier/eilandjes van langerhans transplantatie
Vervolgens moeten er medicijnen worden geslikt om afstoting tegen te gaan.
● Gebruik van stamcellen uit bijvoorbeeld het beenmerg, hierdoor is de kans op afstoting heel
erg klein. Dokters maken uit deze geïsoleerde cellen, weefsels.
⇨ hypo (te laag glucosegehalte) zorgt voor zweten, trillen, duizeligheid en honger
● is op te lossen door suiker te eten
Cel
Moedercel deelt zich in dochtercellen.
→ deze lijken allen op elkaar want het zijn nog stamcellen.
In een volgend stadium gaan de cellen zich differentiëren.
Celdifferentiatie: cellen die verschillen in grootte, vorm en functie.
Deze cellen onderscheiden zich door verschillende eiwitten die ze hebben gemaakt.
Eiwitten:
→ organische stoffen
→ opgebouwd uit aminozuren
→ zijn betrokken bij alle levensprocessen
Verhouding oppervlak/inhoud : beperkt de maximale grootte die cellen kunnen hebben.
In het lichaam is er om de cellen in de weefsel veel ruimte, deze ruimte is gevuld met
weefselvloeistof.
paragraaf 2
Elke cel is omgeven door een celmembraan.
Tussen het celmembraan en de kern bevindt zich het cytoplasma bestaande uit:
● grondplasma (waterige inhoud van de cel)
● organellen
Menselijke en dierlijke cellen zijn heterotroof:
→ ze leven van organische stoffen.
Een dierlijke cel:
binas 79C
- celkern: is omgeven door kernmembraan met poriën en bevat DNA-moleculen.
Cellen met een celkern zijn eukaryoot.
binas 78