Inhoudsopgave
Week 1 Introductie.........................................................................................3
D.R. Doorenbos, Meer aandacht voor de rechtspersoon, DD 2024/8, p. 79-99...............3
J. de Hullu/P.H. van Kempen, Materieel strafrecht, 9e druk, Deventer 2024, p. 132-137.5
D.R. Doorenbos, Wat is een rechtspersoon in de zin van artikel 51 Sr?, Ars Aequi 2023,
p. 676-682...................................................................................................................... 7
Week 2 Daderschap RP...................................................................................8
J. de Hullu/P.H. van Kempen, Materieel strafrecht, 9e druk, Deventer 2024, p. 176-195.8
H.D. Wolswijk, Functioneel daderschap: beschikken en/of aanvaarden?, TBSH 2025, nr.
2................................................................................................................................... 11
Week 3 Opzet, schuld, strafuitsluitingsgronden.............................................13
J. de Hullu / P.H. van Kempen, Materieel strafrecht, 9e druk, Deventer 2024, p. 307-312
en p. 412-415............................................................................................................... 13
Week 4 Aansprakelijkheid leidinggevenden...................................................15
J. de Hullu / P.H. van Kempen, Materieel strafrecht, 9e druk, Deventer 2024, p. 533-543
..................................................................................................................................... 16
D.R. Doorenbos, Feitelijk leiding geven, Strafblad 2015, 68, p. 455-461......................19
H.J. Bisscheroux en D.R. Doorenbos, Verdediging van bestuurders en ‘feitelijk
leidinggevers’, TvSO 2024, nr 1-2, p. 21-35..................................................................21
Week 5 Onderzoek en opsporing, rechtspositie RP.........................................24
D.R. Doorenbos en M.E. Rosing, Verdediging van rechtspersonen, in: Handboek
Verdediging, 3e druk, Deventer 2021, p. 773-815........................................................24
D.R. Doorenbos, Schets van het economisch strafrecht, 8e druk, Deventer 2015,
hoofdstuk V (Toezicht, opsporing en vervolging), p. 113-136.......................................27
D.B. Sander, Wie is de rechtspersoon?, DD 2025/41, p. 580-605..................................29
Week 6 Vervolgbaarheid...............................................................................32
J. de Hullu / P.H. van Kempen, Materieel strafrecht, 9e druk, Deventer 2024, p. 137-145.
..................................................................................................................................... 32
Week 7 Berechting RP (incl. alternatieven)....................................................34
D.R. Doorenbos en M.E. Rosing, Verdediging van rechtspersonen, in: Handboek
Verdediging, 3e druk, Deventer 2021, p. 773-815........................................................34
J.H. Crijns, De pendule van de buitengerechtelijke en verkorte afdoening in strafzaken.
Van consensualiteit naar eenzijdige schuldvaststelling en terug, TBS&H 2025, nr 3, p.
127-136........................................................................................................................ 34
1
, C. van der Meulen, De schikkingspraktijk van het OM, TBS&H 2025, nr 6, p. 267-274. 37
Week 8 Bestraffing RP (incl. bijkomende gevolgen.........................................40
D.R. Doorenbos, Schets van het economisch strafrecht, 8e druk, Deventer 2015,
hoofdstuk IV (De straffen en maatregelen), p. 77-111..................................................40
D.R. Doorenbos, Het strafrechtelijk bestuursverbod in de praktijk, Ondernemingsrecht
2024/75, afl. 15, p. 501-509......................................................................................... 44
2
, Week 1 Introductie
D.R. Doorenbos, Meer aandacht voor de rechtspersoon, DD 2024/8, p.
79-99
Doorenbos betoogt dat de rechtspersoon inmiddels een volwaardig strafrechtelijk
rechtssubject is, maar dat het Wetboek van Strafrecht daarvoor nog steeds geen
adequate, systematische regeling bevat. Die situatie is historisch verklaarbaar:
het oorspronkelijke Wetboek van Strafrecht ging ervan uit dat alleen natuurlijke
personen strafbare feiten konden plegen. Pas in 1976 werd met art. 51 Sr
expliciet erkend dat ook rechtspersonen strafbare feiten kunnen begaan. Die
regeling bouwde voort op oudere economische strafwetgeving, met name het
Economisch Sanctiebesluit 1941 en later art. 15 WED. Bij de opname in het
commune strafrecht heeft de wetgever echter opvallend weinig uitgewerkt. Veel
fundamentele vragen over de positie van de rechtspersoon zijn daardoor aan de
rechtspraak overgelaten.
Een eerste probleem betreft het begrip rechtspersoon. Art. 51 Sr sluit niet strak
aan bij het civiele recht, omdat het begrip mede wordt uitgebreid tot onder meer
de vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid, de maatschap, de rederij en
vooral het “doelvermogen”. Juist dat laatste begrip is volgens Doorenbos te vaag
en opent de deur naar een autonome, strafrechtelijke invulling van het
rechtspersoonsbegrip. Dat acht hij onwenselijk vanuit rechtszekerheid en
legaliteit. Hij bepleit daarom dat een nieuw wetboek nauwer aansluit bij het
civiele recht en het begrip doelvermogen schrapt, tenzij de wetgever toekomstige
uitbreiding uitdrukkelijk en precies formuleert.
Vervolgens bespreekt Doorenbos het daderschap van de rechtspersoon. Sinds het
Drijfmest-arrest wordt daderschap beoordeeld aan de hand van redelijke
toerekening: een gedraging kan aan de rechtspersoon worden toegerekend
wanneer zij heeft plaatsgevonden in diens sfeer. De Hoge Raad noemt daarbij
gezichtspunten zoals: handelen door iemand die werkzaam is ten behoeve van
de rechtspersoon, passen binnen de normale bedrijfsvoering, dienstigheid voor
de rechtspersoon, en aanvaarding of het uitblijven van redelijke preventie. Deze
benadering is open en flexibel, en maakt het mogelijk relatief snel tot daderschap
te concluderen. Doorenbos acht codificatie van dit beslissingskader niet strikt
noodzakelijk, maar wel wenselijk, juist omdat het zo fundamenteel is voor de
strafrechtelijke aansprakelijkheid van rechtspersonen.
Hetzelfde geldt voor opzet en schuld van de rechtspersoon. De Hoge Raad
aanvaardt dat voor de vaststelling daarvan kan worden gekeken naar het opzet
of de schuld van natuurlijke personen die binnen de sfeer van de rechtspersoon
handelden, maar ook naar het beleid van de rechtspersoon en de feitelijke gang
van zaken binnen de organisatie. Ook hier gaat het om een open benadering.
Doorenbos wijst erop dat dit theoretisch een fundamenteel vraagstuk is, mede
omdat in andere landen, vooral Duitsland, nog steeds terughoudend wordt
gedacht over de mogelijkheid van strafrechtelijke schuld van rechtspersonen. In
Nederland is dit echter al lang geaccepteerd. Daarom zou codificatie ook op dit
punt passen in een algemene en samenhangende regeling.
3