Hoofdstuk 3 : genetica
basisbegrippen :
genotype :
alle erfelijke ( aangeboren ) informatie van een individu
fenotype :
je uiterlijk komt tot stand door milieu + genotype
Gen :
Erfelijke eigenschap
Allel :
Varianten binnen een erfelijke eigenschap
Genoom :
Alle erfelijke eigenschappen ( genen ) van een individu
Karyogram / chromosomenportret :
Alle chromosomen (46) van een mens gerangschikt
Autosomen :
22e paar , alle normale erfelijke eigenschappen , hebben niks met het geslacht te maken
Homologe autosomen :
2 in een paar , waarvan 1 van de moeder , 1 van de vader
Geslachtschromosomen :
23e paar , vrouw : XX , man : XY
Downsyndroom :
heeft 3 chromosomen van het 21e paar in plaats van 2 , dit heet trisomie
Emergente eigenschap :
eigenschap die je niet vooraf kunt vastellen via erfelijke eigenschappen en omgevingsfactoren .
BV : goed voetballen , of piano spelen
, paragraaf 1. Monohybride
Monohybride kruising :
- een kruising waar gelet wordt op 1 erfelijke eigenschap
- 1 allelen paar bij betrokken ( vb: oogkleur )
Homozygoot :
individu met 2 gelijke alleen voor 1 eigenschap
Heterozygoot :
- een individu met 2 ongelijke alleen voor 1 bepaalde eigenschap
Dominant :
Allel is overheersend over een recessief en komt hierdoor altijd tot uiting in het fenotype
Recessief :
Allel wordt door dominant alles onderdrukt en komt alleen tot uiting als het homozygoot aanwezig
is.
Kruisingsschema stappenplan :
1. noteer de gegevens
2. noteer genotypen geslachtscellen ouder
3. zet geslachtscellen in schema
4. maak de combinaties
5. vertaal schema naar genotype / fenotype
Afkortingen :
P = ouders
F = nakomelingen
VB :
Hoe groot is de kans op nakomelingen met witte bloemen bij kruising heterozygote erwtenplant
met roze bloemen
1. roze = A , wit = a
2. P = Aa x Aa
3. schema
Vrouw : Man : A a
A AA Aa
a Aa aa
4. 1 = wit aa) = 1/4 deel wit = 25 %
3 = roze (Aa) = 3/4 deel roze = 75%
1 = roze (AA) = 1/4 deel roze = 25 %
5. Genotype : AA : Aa : aa = 1 : 2 : 1
Fenotype : Roze : wit = 3 : 1
basisbegrippen :
genotype :
alle erfelijke ( aangeboren ) informatie van een individu
fenotype :
je uiterlijk komt tot stand door milieu + genotype
Gen :
Erfelijke eigenschap
Allel :
Varianten binnen een erfelijke eigenschap
Genoom :
Alle erfelijke eigenschappen ( genen ) van een individu
Karyogram / chromosomenportret :
Alle chromosomen (46) van een mens gerangschikt
Autosomen :
22e paar , alle normale erfelijke eigenschappen , hebben niks met het geslacht te maken
Homologe autosomen :
2 in een paar , waarvan 1 van de moeder , 1 van de vader
Geslachtschromosomen :
23e paar , vrouw : XX , man : XY
Downsyndroom :
heeft 3 chromosomen van het 21e paar in plaats van 2 , dit heet trisomie
Emergente eigenschap :
eigenschap die je niet vooraf kunt vastellen via erfelijke eigenschappen en omgevingsfactoren .
BV : goed voetballen , of piano spelen
, paragraaf 1. Monohybride
Monohybride kruising :
- een kruising waar gelet wordt op 1 erfelijke eigenschap
- 1 allelen paar bij betrokken ( vb: oogkleur )
Homozygoot :
individu met 2 gelijke alleen voor 1 eigenschap
Heterozygoot :
- een individu met 2 ongelijke alleen voor 1 bepaalde eigenschap
Dominant :
Allel is overheersend over een recessief en komt hierdoor altijd tot uiting in het fenotype
Recessief :
Allel wordt door dominant alles onderdrukt en komt alleen tot uiting als het homozygoot aanwezig
is.
Kruisingsschema stappenplan :
1. noteer de gegevens
2. noteer genotypen geslachtscellen ouder
3. zet geslachtscellen in schema
4. maak de combinaties
5. vertaal schema naar genotype / fenotype
Afkortingen :
P = ouders
F = nakomelingen
VB :
Hoe groot is de kans op nakomelingen met witte bloemen bij kruising heterozygote erwtenplant
met roze bloemen
1. roze = A , wit = a
2. P = Aa x Aa
3. schema
Vrouw : Man : A a
A AA Aa
a Aa aa
4. 1 = wit aa) = 1/4 deel wit = 25 %
3 = roze (Aa) = 3/4 deel roze = 75%
1 = roze (AA) = 1/4 deel roze = 25 %
5. Genotype : AA : Aa : aa = 1 : 2 : 1
Fenotype : Roze : wit = 3 : 1