Zelfkennis
—> Verschillende bronnen van zelfkennis:
Introspectie
Kijken naar binnen bij jezelf: je onderzoekt je eigen gedachten, gevoelens en motieven.
Voorbeeld: “Waarom voel ik me zo gespannen? Wat denk ik eigenlijk over deze situatie?”
Propriospectie
Waarnemen van je eigen lichaam, zoals lichaamshouding, beweging, spanning, ademhaling.
Voorbeeld: merken dat je schouders gespannen zijn of dat je hart sneller klopt.
Zelfperceptie
Je vormt een beeld van jezelf door je eigen gedrag te observeren, net zoals je dat bij
anderen zou doen.
Voorbeeld: “Ik help vaak mensen, dus ik zal wel een behulpzaam persoon zijn.”
—> Zelfperceptietheorie
Theorie die zegt dat we onze attitudes, gevoelens en eigenschappen afleiden uit ons
gedrag, vooral wanneer die innerlijke signalen zwak of onduidelijk zijn.
Voorbeeld: Als je vaker vrijwilligt zonder duidelijke reden, concludeer je: “Blijkbaar vind ik
vrijwilligerswerk belangrijk.”
Zelfbewustzijn
—> Prive zelfbewustzijn
Het besef van je eigen innerlijke wereld, zoals gedachten, gevoelens, overtuigingen en
motivaties, zonder de invloed van anderen.
—> Publiek zelfbewustzijn
Het zich bewust zijn van hoe je overkomt op anderen en hoe je eigen gedrag, stijl en
expressie worden waargenomen door een publiek. Het is het proces waarbij je jezelf bekijkt
door de ogen van een denkbeeldig publiek.
Het spotlight effect → Onderdeel van publiek zelfbewustzijn
Het verschijnsel dat we overschatten hoe sterk andere mensen ons opmerken en
beoordelen. Terwijl we denken dat mensen snel opmerken hoe we ons gedragen en hoe we
eruit zien, is dat niet het geval. We voelen ons dus over het algemeen veel meer bekeken en
beoordeeld dan feitelijk het geval is
Zelfwaardering
De manier waarop een persoon zichzelf evalueert (hoog of laag).
- Expliciete zelfwaardering
Wat mensen antwoorden als je vraagt hoe ze over zichzelf denken. Dit is bewust.
- Impliciete zelfwaardering
Gaat over de onbewuste associaties die mensen over zichzelf hebben.
—> Ze kunnen overeenkomen of tegenstrijdig zijn.
,Organisatie van zelfkennis
- Zelfconcept
Het totaalbeeld dat je van jezelf hebt: je eigenschappen, rollen, waarden en
vaardigheden. Bestaat uit al je schema’s.
→ Je antwoord op “Wie ben ik?”
- Zelf-schema
Mentale mapjes waarin je info over jezelf ordent (bijv. als student, sporter, vriend). Ze
helpen bepalen wat bij jou past en sturen hoe je situaties interpreteert
- Zelfcomplexiteit
Hoeveel verschillende en onafhankelijke onderdelen je zelfconcept heeft.
- Complex
Veel losse rollen (student, sporter, werknemer, vriend…).
→ meer emotionele stabiliteit, tegenslag in één rol raakt minder je hele zelfbeeld.
- Simpel
Weinig rollen of veel overlap.
→ kwetsbaarder, tegenslag in één gebied beïnvloedt snel je hele zelfbeeld.
Zelfevaluatiemotieven
—> Zelfverheffingsmotief
De behoefte om een positief beeld van jezelf te hebben. Mensen zoeken info die hen goed
laat voelen, zelfs als die niet helemaal objectief is.
Voorbeeld: Je onthoudt vooral complimenten en negeert kritiek → “Ik deed het eigenlijk best
goed!”
—> Accuraatheidsmotief
De behoefte om een realistisch en juist beeld van jezelf te krijgen. Je zoekt eerlijke,
betrouwbare feedback, ook als die kritisch is.
Voorbeeld: Je vraagt een docent om concrete verbeterpunten omdat je wilt weten hoe het
echt zit.
—> Consistentiemotief
De behoefte om informatie te krijgen die overeenkomt met wat je al gelooft over jezelf.
Mensen zoeken bevestiging van hun bestaande zelfbeeld — ook als dat negatief is.
Voorbeeld: Iemand die denkt dat hij introvert is, let vooral op momenten waarop hij stil is →
“Zie je wel, dat ben ik echt.”
—> Zelfverbeteringsmotief
De behoefte om jezelf te ontwikkelen en beter te worden. Je zoekt feedback, doelen of
uitdagingen die je vooruithelpen.
Voorbeeld: Je volgt een cursus om beter te worden in presenteren omdat je jezelf wilt
verbeteren.
Contingente zelfwaardering
—> Zelfwaardering is contingent wanneer deze afhankelijk is van externe factoren en de
uitkomst van specifieke gebeurtenissen, zoals uiterlijk, prestaties of goedkeuring van
anderen.
—> Wat zijn de gevolgen hiervan?
Meer stress, instabiliteit, faalangst, afhankelijkheid van bevestiging, defensief gedrag.
—> Hoe staat het in relatie tot zelf-schema’s?
Contingente zelfwaardering maakt bepaalde zelf-schema’s extra belangrijk. Je identiteit
wordt simpeler en kwetsbaarder, omdat één schema te belangrijk wordt. Falen in dat ene
schema heeft grote impact op je zelfwaarde.
, Sociale vergelijkingstheorie
De sociale vergelijkingstheorie van Festinger (1954) probeert te verklaren hoe wij tot een
oordeel komen over onze eigen kennis en vaardigheden. De sociale vergelijkingstheorie
zegt dat mensen zichzelf beoordelen door zich te vergelijken met anderen. We doen dit om
te begrijpen hoe goed we zijn, hoe we ervoor staan, en wie we zijn.
—> Neerwaartse vergelijking
Je vergelijkt jezelf met iemand die slechter af is dan jij.
Bijvoorbeeld: iemand die lager scoort, minder goed presteert, of het moeilijker heeft.
Effecten:
- Helpt je beter voelen
- Geeft soms een gevoel van opluchting of zelfvertrouwen
—> Opwaartse vergelijking
Je vergelijkt jezelf met iemand die beter is dan jij.
Bijvoorbeeld: een klasgenoot met hogere cijfers, of iemand die sportiever is.
Effecten:
- Kan motiveren (“Ik wil dat ook kunnen.”)
- Kan onzeker maken (“Ik ben niet goed genoeg.”)
Sociometer theorie
De Sociometer-theorie zegt dat zelfwaardering een soort meter is die aangeeft hoeveel
sociale acceptatie je ervaart. Zelfwaardering is een “sociometer” die meet hoe geaccepteerd
of afgewezen we ons voelen.
—> Waarom hebben we dit? Omdat sociale acceptatie belangrijk was (en is) om te
overleven. Mensen die goed in de groep lagen hadden meer kans op veiligheid, steun en
samenwerking.
Dus: Zelfwaardering beschermt ons tegen sociale uitsluiting.
Need to belong
De behoefte om ergens bij te horen of geaccepteerd te worden door een groep. Het is een
fundamentele menselijke motivatie. Mensen willen sociale banden hebben en vermijden
sociale uitsluiting, omdat dit invloed heeft op ons welzijn en onze mentale gezondheid.
—> Belang:
- Mensen die zich verbonden voelen met anderen zijn vaak gelukkiger en gezonder.
- Het beïnvloedt gedrag, bijvoorbeeld dat mensen zich aanpassen om erbij te horen.