Introspectie = Het naar binnen kijken bij jezelf om je eigen gedachten, gevoelens en
motieven te onderzoeken.
Propriospectie = Het waarnemen van lichamelijke signalen zoals spanning, houding,
ademhaling en hartslag.
Zelfperceptie = Het vormen van een beeld van jezelf door je eigen gedrag te observeren.
Zelfperceptietheorie = De theorie dat mensen hun attitudes en eigenschappen afleiden uit
hun eigen gedrag, vooral als interne signalen onduidelijk zijn.
Zelfbewustzijn = Het bewustzijn van jezelf en je eigen bestaan.
Privé zelfbewustzijn = Bewustzijn van je eigen innerlijke gedachten, gevoelens en
overtuigingen.
Publiek zelfbewustzijn = Bewustzijn van hoe je overkomt op anderen en hoe je door
anderen wordt waargenomen.
Spotlight-effect = De neiging om te overschatten hoeveel aandacht anderen aan ons
besteden.
Zelfwaardering = De mate waarin iemand zichzelf positief of negatief beoordeelt.
Expliciete zelfwaardering = De bewuste beoordeling die iemand van zichzelf geeft.
Impliciete zelfwaardering = Onbewuste associaties die iemand over zichzelf heeft.
Zelfconcept = Het totaalbeeld dat iemand van zichzelf heeft.
Zelf-schema = Mentale structuren waarin informatie over jezelf is georganiseerd.
Zelfcomplexiteit = De mate waarin het zelfconcept uit verschillende, onafhankelijke rollen
bestaat.
Zelfverheffingsmotief = De behoefte om een positief beeld van jezelf te behouden.
Accuraatheidsmotief = De behoefte om een realistisch en juist beeld van jezelf te krijgen.
Consistentiemotief = De behoefte om informatie te krijgen die past bij het bestaande
zelfbeeld.
Zelfverbeteringsmotief = De behoefte om jezelf te ontwikkelen en te verbeteren.
Contingente zelfwaardering = Zelfwaardering die afhankelijk is van externe factoren zoals
prestaties of goedkeuring.
Sociale vergelijkingstheorie = De theorie dat mensen zichzelf beoordelen door zich met
anderen te vergelijken.
Neerwaartse vergelijking = Vergelijken met iemand die slechter af is dan jezelf.
Opwaartse vergelijking = Vergelijken met iemand die beter presteert dan jezelf.
Sociometer-theorie = De theorie dat zelfwaardering aangeeft hoe sociaal geaccepteerd
iemand zich voelt.
Need to belong = De fundamentele behoefte om ergens bij te horen en geaccepteerd te
worden.
Zelfpresentatie = De manier waarop iemand zichzelf aan anderen presenteert.
Expressieve zelfpresentatie = Zelfpresentatie gericht op het uitdrukken van je identiteit.
Instrumentele zelfpresentatie = Zelfpresentatie gericht op het bereiken van een doel.
Ingratiatie = Strategie waarbij iemand probeert aardig en sympathiek over te komen.
Zelfpromotie = Strategie waarbij iemand zichzelf competent en succesvol presenteert.
Zelfhandicappen = Het creëren van obstakels om falen te kunnen rechtvaardigen.
Sociale categorisatie = Het indelen van mensen in groepen of hokjes.
Attributie = Het toeschrijven van oorzaken aan gedrag of gebeurtenissen.
Spontane attributie = Automatische en onbewuste verklaring van gedrag.