Goede, Slechte tijden
Hoofdstuk 1
,Begrip Betekenis
arbeidsjaar Een fulltimebaan gedurende een jaar.
bezettingsgraad De mate waarin de productiecapaciteit bezet wordt.
beroepsbevolking Alle mensen tussen 15 en 75 jaar die betaald werk hebben of betaald werk zoeken.
bestedingsinflatie Stijging van het prijspeil veroorzaakt door overbesteding.
conjuncturele werkloosheid Werkloosheid die ontstaat door achterblijvende bestedingen waardoor de vraag naar arbeid daalt.
conjunctuurgolf De veranderingen in de productiegroei van een economie.
conjunctuurindicatoren Graadmeters die iets zeggen over de conjuncturele situatie van een economie.
conjunctuurklok Instrument van het CBS dat op basis van vijftien indicatoren de stand van de conjunctuur weergeeft.
deflatie Het dalen van het gemiddelde prijsniveau.
depressie Een recessie met deflatie.
flexcontract Arbeidscontract met flexibele voorwaarden.
frictiewerkloosheid Werkloosheid die ontstaat omdat het tijd kost om een baan te vinden of te wisselen (bijv. schoolverlaters).
geldontwaarding Daling van de koopkracht van geld.
hoogconjunctuur Periode waarin de economische groei hoger is dan op basis van de trend mag worden verwacht.
inflatie Het stijgen van het gemiddelde prijsniveau.
inflatiecorrectie De aanpassing (van lonen of belastingtarieven) aan de inflatie.
krappe arbeidsmarkt De vraag naar arbeidskrachten is groot; bedrijven kunnen moeilijk aan personeel komen.
kwalitatieve structurele werkloosheid Werkloosheid doordat mensen onvoldoende of verkeerde scholing hebben of te ver van de werkplek wonen.
kwantitatieve structurele werkloosheid Werkloosheid door te weinig arbeidsplaatsen, bijvoorbeeld door automatisering of toename van de beroepsbevolking.
laagconjunctuur Periode waarin de economische groei lager is dan op basis van de trend mag worden verwacht.
onderbesteding De bestedingen zijn te laag om alle productiemiddelen volledig te benutten.
overbesteding De bestedingen zijn hoger dan de productiecapaciteit.
overheidstekort De inkomsten van de overheid zijn kleiner dan de uitgaven van de overheid.
productiecapaciteit De maximaal mogelijke productieomvang van een economie.
recessie Als het bbp twee kwartalen achter elkaar krimpt (kleiner wordt).
seizoenswerkloosheid Werkloosheid die ontstaat doordat er in het ene seizoen meer werk is dan in het andere.
trendmatige ontwikkeling Verwachte gemiddelde economische groei, op basis van historische trends en verwachtingen.
vaste uitkering Uitkering die nominaal, in geldbedrag, gelijk blijft.
waardevast inkomen Inkomen dat reëel gelijk blijft; stijgt evenveel als de inflatie.
welvaartsvast inkomen Inkomen dat meegroeit met de welvaart; stijgt evenveel als de lonen.
werkgelegenheid Alle bezette banen en vacatures samen.
zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers) Zelfstandigen die geen personeel in dienst hebben en voor eigen risico arbeid aanbieden.
, Conjunctuur, trendmatige ontwikkeling en productiecapaciteit
Wat is conjunctuur?
• De economie groeit niet elk jaar even sterk. Soms gaat het heel goed, soms juist minder goed.
• Deze op- en neergang van de economie noemen we de conjunctuur.
• Conjunctuur betekent dus: de schommelingen in de economische activiteit (productie en bestedingen) rond de gemiddelde groei van de economie.
• Een belangrijke maatstaf om conjunctuur te meten is het bbp (bruto binnenlands product): totale waarde van alles wat een land in 1 jaar produceert.
Wat is Trendmatige ontwikkeling (trendmatige economische groei)
• Als je de economie over een lange periode bekijkt, zie je dat ze gemiddeld blijft groeien.
• Deze gemiddelde, langetermijngroei heet de trendmatige ontwikkeling.
• De trend laat zien hoe groot de economie zou zijn zonder tijdelijke schommelingen, zoals crises of pieken.
• Waardoor groeit de economie op lange termijn? De trend wordt bepaald door de hoeveelheid en kwaliteit van productiefactoren:
• Als deze factoren verbeteren, verschuift de trend omhoog.
Wat is Productiecapaciteit?
• Productiecapaciteit = de maximale hoeveelheid goederen en diensten die een land kan produceren als alle productiefactoren volledig worden ingezet.
• Het gaat om wat mogelijk is, niet om wat er daadwerkelijk wordt geproduceerd.
• Productiecapaciteit groeit langzaam, bijvoorbeeld door: 1) scholing van werknemers, 2) nieuwe machines, 3) technologische vooruitgang
• De productiecapaciteit hoort bij de structuur van de economie (lange termijn).