aardrijkskunde voor PABO toelatingstoets
150 oefenvragen met hele uitgebreide uitleg bij de antwoorden
,Inhoudsopgave
Oefenvragen............................................................................................................................3
Antwoorden met uitgebreide antwoordmotivering................................................................... 43
,Oefenvragen
Vraag 1: Eens in de vier jaar heeft de maand februari 29 dagen in plaats van 28. Wat is de
geografische en astronomische verklaring voor het bestaan van dit zogenoemde
schrikkeljaar?
A) De rotatie van de aarde om haar eigen as vertraagt elke vier jaar een klein beetje.
B) De maan heeft in een schrikkeljaar meer tijd nodig om een volledige baan om de aarde te
maken.
C) De aarde heeft iets meer dan 365 dagen, namelijk 365 en een kwart dag, nodig voor één
volledige omloop om de zon.
D) De afstand tussen de aarde en de zon is in een schrikkeljaar het grootst, waardoor de
omloopbaan langer is.
Vraag 2: Om een locatie op aarde exact te kunnen bepalen, maken we gebruik van een
denkbeeldig raster van breedtegraden en lengtegraden. Welke specifieke lijn verdeelt de
aarde exact in een oostelijk en een westelijk halfrond?
A) De evenaar
B) De nulmeridiaan
C) De Kreeftskeerkring
D) De Steenbokskeerkring
Vraag 3: Je stapt op het vliegveld in Londen (gelegen nabij de nulmeridiaan) in het vliegtuig
en reist naar een stad die exact 45 lengtegraden oostelijker ligt. Wat is het effect van deze
verplaatsing op de kloktijd in die stad vergeleken met Londen?
A) Het is daar 3 uur vroeger.
B) Het is daar 45 minuten later.
C) Het is daar 3 uur later.
D) Het is daar 45 minuten vroeger.
Vraag 4: Veel mensen denken ten onrechte dat het in juli in Nederland zomer is omdat de
aarde dan het dichtst bij de zon staat. Wat is de daadwerkelijke geografische verklaring
voor de seizoenen?
A) De veranderende snelheid waarmee de aarde om de zon draait; in de zomer reist de aarde
trager waardoor de warmte langer vasthoudt.
B) De scheve stand van de aardas, die met een hoek van 23,5 graden bepaalt hoe recht de
zonnestralen op een halfrond vallen.
, C) De oceanische zeestromen die in de zomermaanden opwarmen en deze warmte afstaan aan
het noordelijk halfrond.
D) De elliptische baan van de aarde, waarbij Nederland in de zomer wel degelijk dichter bij de
evenaar komt te liggen.
Vraag 5: Tweemaal per maand treden er extremen op in de getijden. Wat is de juiste
astronomische situatie wanneer we spreken van 'springtij' (waarbij het hoogwater extra
hoog is)?
A) Wanneer de zon en de maan in een hoek van 90 graden ten opzichte van de aarde staan.
B) Wanneer de aantrekkingskracht van alleen de zon het water op het noordelijk halfrond
maximaal opstuwt.
C) Wanneer de aarde het dichtst bij de maan staat tijdens een zware najaarsstorm.
D) Wanneer de zon, de aarde en de maan zich op één rechte lijn in de ruimte bevinden.
Vraag 6: Aardbevingen zijn een uiting van de platentektoniek, een endogeen proces. Bij een
beving lossen opgebouwde spanningen plotseling op. Hoe noemen we de locatie precies
op het aardoppervlak, recht boven de plek waar de beving diep in de aarde ontstond?
A) Het epicentrum
B) Het hypocentrum
C) Een slenk
D) Een horst
Vraag 7: Er bestaan verschillende soorten vulkanen, afhankelijk van het soort magma en de
locatie. Wat is het belangrijkste kenmerk van een schildvulkaan?
A) Deze spuwt voornamelijk stroperige lava die op de helling stolt, waardoor een steile, spitse
bergvorm ontstaat.
B) Deze ontstaat door magma dat zeer vloeibaar is, waardoor de lava zich breed uitspreidt en de
vulkaan een zeer platte vorm krijgt.
C) Deze ontstaat uitsluitend als twee tektonische platen met enorme kracht op elkaar botsen en
de bodem omhoog duwen.
D) Een uitbarsting van deze vulkaan is gekenmerkt door explosief rondvliegend puin en het
ontbreken van vloeibare lava.