Stelling week 1
Het algemene leerstuk van het strafbaar stellen van voorbereiding zorgt ervoor dat gevaarlijke gedragingen
terecht/gerechtvaardigd kunnen worden aangepakt.
1. Juridisch kader
Het strafrecht kent naast het voltooide delict ook zogenoemde onvolkomen delictsvormen, zoals poging en voorbereiding.
Voorbereidingshandelingen zijn strafbaar gesteld in artikel 46 Sr. Dit artikel bepaalt dat voorbereiding van een misdrijf waarop
naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaar of meer is gesteld strafbaar is wanneer de dader opzettelijk
voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimten of vervoermiddelen verwerft, vervaardigt, invoert, doorvoert, uitvoert of
voorhanden heeft die bestemd zijn tot het begaan van dat misdrijf.
De strafbaarstelling van voorbereiding is ingevoerd om eerder in te kunnen grijpen tegen ernstige criminaliteit, nog voordat een
begin van uitvoering in de zin van artikel 45 Sr is bereikt. Volgens de wetsgeschiedenis ligt de rechtvaardiging daarvan in het
voorkomen van ernstige misdrijven en het bestrijden van georganiseerde of planmatige criminaliteit. Tegelijkertijd brengt deze
vroege strafbaarstelling spanning met zich mee met fundamentele beginselen van het strafrecht, zoals het ultimum
remedium-karakter van het strafrecht en het beginsel dat gedachten of intenties op zichzelf niet strafbaar zijn.
In de rechtspraak is nader ingevuld wanneer sprake is van voorbereidingshandelingen. In de zaak rond Samir A. (HR 2007,
ECLI:NL:HR:2007:AZ0213) speelde de uitleg van het criterium “kennelijk bestemd tot het begaan van het misdrijf” een
belangrijke rol. De Hoge Raad benadrukte dat bij de beoordeling van voorbereidingshandelingen niet alleen naar de objectieve
eigenschappen van de voorwerpen moet worden gekeken, maar ook naar het misdadige doel dat de verdachte met die
voorwerpen voor ogen had. De intentie van de verdachte kan dus mede bepalen of middelen als voorbereidingsmiddelen
kunnen worden aangemerkt.
2. Analyse van de stelling
Een belangrijk argument vóór de stelling is dat de strafbaarstelling van voorbereiding het mogelijk maakt om in een vroeg
stadium op te treden tegen ernstige en gevaarlijke criminaliteit. Zonder deze bepaling zou het strafrecht pas kunnen ingrijpen
wanneer een begin van uitvoering van het misdrijf heeft plaatsgevonden. In situaties waarin daders al concreet bezig zijn met
het verzamelen van middelen voor een zwaar misdrijf, zoals een aanslag of gewelddadige overval, kan dat te laat zijn. De
wetgever heeft artikel 46 Sr juist ingevoerd om te voorkomen dat de overheid moet wachten tot het gevaar zich daadwerkelijk
manifesteert.
Daarnaast is in de wetsgeschiedenis benadrukt dat voorbereidingshandelingen een duidelijk naar buiten getreden criminele
intentie moeten bevatten. Het gaat dus niet om het bestraffen van louter gedachten of plannen, maar om concrete gedragingen
die wijzen op een vast voornemen om een ernstig misdrijf te plegen. De combinatie van een subjectief element (opzet) en een
objectief element (het voorhanden hebben of vervaardigen van middelen) zorgt ervoor dat alleen situaties met een
aantoonbaar risico voor de rechtsorde strafbaar zijn.
Een derde argument vóór de stelling is dat het voorbereidingsleerstuk aansluit bij de bescherming van belangrijke
rechtsgoederen. Bij ernstige misdrijven zoals terrorisme of zware geweldsdelicten kan het maatschappelijk belang vereisen dat
al in een vroeg stadium wordt ingegrepen. De strafbaarstelling van voorbereiding vergroot de preventieve werking van het
strafrecht en kan voorkomen dat gevaarlijke plannen daadwerkelijk tot uitvoering komen.
Tegen de stelling pleit echter dat de strafbaarstelling van voorbereiding het strafrecht ver naar voren in de tijd verschuift.
Hierdoor ontstaat het risico dat personen worden gestraft voor gedrag dat nog relatief ver verwijderd is van het daadwerkelijke
,misdrijf. In dat geval kan het strafrecht verschuiven richting een systeem waarin intenties of plannen centraal staan, terwijl het
klassieke strafrecht juist uitgaat van concrete gedragingen.
Daarnaast bestaat het gevaar dat de grenzen van strafbare voorbereiding te ruim worden geïnterpreteerd. Veel voorwerpen die
in artikel 46 Sr worden genoemd, zoals informatiedragers of alledaagse middelen, hebben op zichzelf een neutrale functie.
Wanneer de strafbaarheid sterk afhankelijk wordt van de intentie van de verdachte, kan dat spanning opleveren met het
legaliteitsbeginsel en het vereiste van rechtszekerheid. Burgers moeten kunnen voorzien welk gedrag strafbaar is.
Ten slotte kan worden betoogd dat de nadruk op subjectieve intentie het risico van een “intentiestrafrecht” vergroot. De
wetgever heeft juist geprobeerd dat te voorkomen door objectieve voorwaarden in artikel 46 Sr op te nemen. Wanneer de
intentie van de verdachte te zwaar wordt gewogen, kan de grens tussen strafbare voorbereiding en niet-strafbare
gedachtevorming vervagen.
3. Eigen positie
Naar mijn oordeel is het algemene leerstuk van strafbare voorbereiding in beginsel gerechtvaardigd, maar alleen onder strikte
voorwaarden. Het sterkste argument vóór deze strafbaarstelling is dat de overheid bij zeer ernstige misdrijven niet hoeft te
wachten tot een begin van uitvoering is bereikt. Juist bij delicten als terrorisme, zware geweldsmisdrijven of georganiseerde
criminaliteit kan zo’n afwachtende houding moeilijk worden verdedigd, omdat de maatschappelijke schade dan mogelijk al
onomkeerbaar is.
Toch volgt daaruit niet dat elke vroege interventie ook strafrechtelijk gerechtvaardigd is. Het grootste bezwaar tegen artikel 46
Sr is dat het strafrecht hierdoor gevaarlijk dicht in de buurt komt van een intentiestrafrecht. Dat risico is reëel, juist omdat veel
voorbereidingsmiddelen op zichzelf neutraal of alledaags zijn. Daarom vind ik dat de legitimiteit van strafbare voorbereiding
volledig staat of valt met een terughoudende toepassing. De criminele intentie mag niet doorslaggevend zijn zonder dat die
intentie zich ook heeft geobjectiveerd in concrete, naar buiten gerichte handelingen die ondubbelzinnig op een ernstig misdrijf
wijzen.
Mijn standpunt is daarom dat artikel 46 Sr niet moet worden opgevat als een ruim preventie-instrument, maar als een
uitzonderingsmechanisme voor gevallen waarin het gevaar zich al voldoende heeft geconcretiseerd. De strafwaardigheid ligt dus
niet in het enkele plan, maar in de combinatie van een ernstig voorgenomen misdrijf en objectief vaststelbare
voorbereidingshandelingen. Juist daar moet de grens streng worden bewaakt.
4. Conclusie
Het algemene leerstuk van strafbare voorbereiding maakt het mogelijk om al vóór een begin van uitvoering in te grijpen tegen
ernstige en gevaarlijke criminaliteit. In die zin kan het bijdragen aan een effectieve bescherming van belangrijke rechtsgoederen.
Tegelijkertijd brengt deze vroege strafbaarstelling risico’s met zich mee voor rechtszekerheid en het beginsel dat gedachten niet
strafbaar zijn. Het voorbereidingsleerstuk is daarom gerechtvaardigd, maar alleen wanneer het strikt wordt toegepast en de
strafbaarheid wordt gebaseerd op concrete gedragingen die duidelijk wijzen op een crimineel doel.
, Stelling week 2
In de memorie van toelichting stelt de wetgever het volgende (p. 4):
“Doel van het wetsvoorstel is een adequate en herkenbare strafrechtelijke reactie mogelijk te maken op seksueel
grensoverschrijdend gedrag dat in de hedendaagse en digitaliserende samenleving als strafwaardig wordt ervaren. Als
gevolg hiervan wordt de (online) veiligheid van eenieder in Nederland vergroot. Met een actueel wettelijk kader dat
aansluit bij de maatschappelijke realiteit worden slachtoffers beter beschermd. Zij kunnen in meer situaties aangifte
doen. Politie en OM zullen meer mogelijkheden hebben om op te treden tegen strafbaar gedrag. Bij constatering van
een strafbaar feit kunnen opsporing en vervolging plaatsvinden. En bij bewezenverklaring kan een passende straf of
maatregel worden opgelegd. Daarnaast geeft het wetsvoorstel een duidelijk signaal af aan (potentiële) daders dat
seksueel grensoverschrijdend gedrag niet acceptabel is en streng wordt bestraft. Daarmee gaat van dit wetsvoorstel
ook een onmiskenbare normerende en preventieve werking uit.”
1. Juridisch kader
Het wetsvoorstel seksuele misdrijven wijzigt de strafbaarstellingen van aanranding en verkrachting ingrijpend. De huidige
artikelen 242 en 246 Sr zijn gebaseerd op het criterium dat de verdachte het slachtoffer dwingt tot seksuele handelingen. In de
nieuwe regeling (artikelen 240–244 Sr) staat centraal of de wil van het slachtoffer ontbreekt ten aanzien van het seksuele
contact.
De wet introduceert daarnaast een onderscheid tussen schuldvarianten en opzetvarianten. Zo worden schuldaanranding (art.
240 Sr) en schuldverkrachting (art. 242 Sr) strafbaar wanneer iemand ernstige reden heeft om te vermoeden dat de wil bij de
ander ontbreekt. Bij opzetaanranding en opzetverkrachting (art. 241 en 243 Sr) gaat het om situaties waarin de dader de
ontbrekende wil bewust negeert of voor lief neemt.
Artikel 244 Sr verduidelijkt wanneer in ieder geval sprake is van een ontbrekende wil, bijvoorbeeld bij lichamelijke of geestelijke
onmacht. Daarnaast kan volgens de memorie van toelichting ook misleiding, zoals stealthing of misleiding over de identiteit van
de sekspartner, onder omstandigheden leiden tot de conclusie dat de wil ontbreekt.
De wetgever beoogt hiermee aan te sluiten bij internationale verplichtingen, met name artikel 36 van het Verdrag van Istanbul,
dat vereist dat seksuele handelingen zonder vrijwillige instemming strafbaar zijn. Het wetsvoorstel verschuift daarom het accent
van het doorbreken van de wil naar het ontbreken van een positieve wilsuiting.
2. Analyse van de stelling
Argumenten vóór de stelling
Een eerste argument is dat het nieuwe wettelijke kader beter aansluit bij hedendaagse maatschappelijke opvattingen over
seksuele autonomie en consent. Onder het huidige recht moet vaak worden bewezen dat sprake was van dwang, geweld of
bedreiging. Dat bewijs is in veel situaties moeilijk te leveren, terwijl slachtoffers wel degelijk grensoverschrijdend gedrag
ervaren. Door het criterium van de ontbrekende wil centraal te stellen, kunnen meer vormen van seksueel misbruik
strafrechtelijk worden aangepakt.
Een tweede argument is dat slachtoffers hierdoor beter worden beschermd. Omdat het bewijs van dwang niet langer
noodzakelijk is, kunnen slachtoffers in meer situaties aangifte doen en kan het OM gemakkelijker vervolgen. Dit sluit aan bij de
bedoeling van de wetgever om een effectievere strafrechtelijke reactie mogelijk te maken.
Een derde argument betreft de normerende functie van het strafrecht. Door expliciet vast te leggen dat seks zonder vrijwillige
instemming strafbaar is, geeft de wet een duidelijke maatschappelijke boodschap af. Dit kan bijdragen aan bewustwording over
seksuele grenzen en daarmee mogelijk een preventieve werking hebben.