Literatuur: Hoofdstuk 12 en hoofdstuk 3
Hoofdstuk 12 – Reflectie op de EU als politiek systeem
1. Wat crises ons leren over het functioneren van de EU
• De EU volgt vaak een voorspelbaar patroon bij het omgaan met grote crises.
• Het succesvol aanpakken van crises laat zien dat de EU in staat is lidstaten te
verenigen en gezamenlijk te reageren op grote maatschappelijke problemen.
• In crisissituaties nemen lidstaten de leiding, vooral de staatshoofden en
regeringsleiders in de Europese Raad. Zij hebben de politieke macht om richting
te geven.
• Als er politieke overeenstemming is, krijgt de Europese Commissie de taak om
concrete wetgevende voorstellen uit te werken.
Kenmerken van crisispolitiek:
• Crises kunnen perspectieven en voorkeuren snel veranderen.
• Actoren benoemen situaties soms bewust als crisis om deze hoger op de
politieke agenda te krijgen.
• Het framen van iets als crisis bereidt het publiek voor op onconventionele
maatregelen, soms zelfs buiten de formele regels.
• De EU handelt soms zonder expliciete formele bevoegdheid, maar met brede
politieke instemming.
• In noodsituaties kunnen lidstaten gezamenlijke besluiten nemen, maar sommige
lidstaten kunnen weigeren mee te werken.
• Hoge-profiel gebeurtenissen domineren het nieuws, terwijl de dagelijkse EU-
politiek en beleidsvorming minder zichtbaar maar minstens zo belangrijk zijn.
2. De EU tussen staat en internationale organisatie
• De EU is uniek omdat zij kenmerken combineert van een internationale organisatie
en een staat.
• Formeel is de EU een internationale organisatie, opgericht via verdragen door
soevereine staten.
• In tegenstelling tot klassieke internationale organisaties heeft de EU een zeer
breed beleidsdomein, vergelijkbaar met een staat.
• Toch mist de EU drie kernaspecten van staatssoevereiniteit:
o Geen eigen belastingheffing
o Geen eigen leger
o Geen eigen politie
• De EU-begroting is zeer klein vergeleken met die van staten.
• Daarom wordt de EU vaak omschreven als een ‘regulatory state’ (regelgevende
staat).
1
,3. Supranationale en intergouvernementele instituties
• Supranationale instellingen (Europese Commissie, Europees Parlement, Hof van
Justitie) spelen een grotere rol dan bij gewone internationale organisaties.
• Lidstaten blijven echter cruciale spelers in de besluitvorming.
• Verdragswijzigingen kunnen alleen plaatsvinden met unanimiteit van alle
lidstaten.
• De uitbreiding van EU-beleid heeft geleid tot een grotere rol voor zowel
supranationale als intergouvernementele instituties.
4. Besluitvorming in de Raad van Ministers
• In internationaal recht geldt normaal het principe dat staten niet tegen hun wil
gebonden kunnen worden → vaak unanimiteit.
• In de EU worden veel besluiten genomen via gekwalificeerde meerderheid.
• Dit betekent dat lidstaten overstemd kunnen worden en geen eenzijdige
uitzonderingen kunnen afdwingen.
5. Burgers en EU-politiek
• EU-burgers kiezen het Europees Parlement, een van de wetgevende kamers.
• De band tussen burgers en EU-politiek is echter zwakker dan op nationaal
niveau.
6. EU-recht versus nationaal recht
• EU-recht heeft voorrang boven nationaal recht.
• Burgers en bedrijven kunnen zich direct beroepen op EU-recht bij nationale
rechters.
• Dit lijkt op een federale staat, met een duidelijke juridische hiërarchie.
7. De EU als democratie en het democratisch tekort
• De EU is geen federale staat, maar heeft wel vergaande bevoegdheden.
• Alle lidstaten zijn liberale democratieën en de EU onderschrijft expliciet
democratie, rechtsstaat en grondrechten.
Argumenten vóór het bestaan van een democratisch tekort:
• Ongeveer 80% van de besluiten in de Raad wordt voorbereid op lagere, weinig
zichtbare niveaus.
• EP-verkiezingen worden door burgers vaak als weinig betekenisvol gezien.
• Europese politieke partijen vervullen niet dezelfde verbindende rol tussen burgers
en politiek als nationale partijen.
2
,Argumenten tégen het democratisch tekort:
• De bevoegdheden van het Europees Parlement zijn sterk uitgebreid.
• Verschuiving van permissive consensus naar constraining dissensus: elites
moeten meer rekening houden met uiteenlopende publieke opinies.
• Het EP functioneert steeds meer als een nationaal parlement, met sterke politieke
fracties en meer stemdiscipline.
8. Nuancering en conclusie
• De EU is geen klassieke staat, maar een hybride tussen staat en internationale
organisatie.
• Minder directe invloed van burgers is deels het gevolg van deze unieke positie.
• Ook in nationale systemen vindt veel besluitvorming plaats buiten directe
democratische controle.
• Het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) verplicht de EU en haar
lidstaten tot het bevorderen en respecteren van democratische waarden.
Conclusie:
Een politiek systeem kan worden beoordeeld op:
1. Hoe goed het de voorkeuren van burgers omzet in effectief beleid
2. Hoe goed het fundamentele rechten en democratische waarden beschermt
De EU scoort niet perfect, maar functioneert als een uniek en complex politiek systeem
met zowel sterke als zwakke democratische kenmerken.
Hoofdstuk 3 - Het institutionele kader van de EU
1. Het institutionele kader van de EU (art. 13 VEU)
• De EU beschikt over zeven officiële instellingen die samen de kern vormen van
de Europese besluitvorming.
• Sommige instellingen hebben unieke namen (zoals de Commissie en de Raad) en
zijn niet direct te vergelijken met nationale instituties, maar hun functies lijken
sterk op die van nationale instellingen.
• Het EU-institutionele systeem is ontworpen om verschillende belangen te
balanceren.
• In tegenstelling tot nationale staten is er geen strikte scheiding tussen wetgevende
en uitvoerende macht.
• Macht is verspreid over meerdere instellingen, met meerdere machtsbronnen in
plaats van één soevereine bron (zoals het volk).
3
, 2. Vertegenwoordiging van belangen
• In nationale democratieën geldt het principe van volkssoevereiniteit: burgers
bepalen de samenstelling van parlement en regering.
• De EU volgt dit principe niet volledig, maar waarborgt wel vertegenwoordiging van
verschillende belangen:
Drie vormen van vertegenwoordiging:
1. Burgers
a. Vertegenwoordigd in het Europees Parlement (EP).
b. EP-leden worden rechtstreeks gekozen in nationale verkiezingen.
2. Lidstaten
a. Vertegenwoordigd in de Europese Raad (staatshoofden en
regeringsleiders).
b. Vertegenwoordigd in de Raad van Ministers (nationale ministers).
3. Algemeen EU-belang
a. Vertegenwoordigd door de Commissie, het Hof van Justitie, de ECB en de
Europese Rekenkamer.
b. Deze instellingen werken onafhankelijk van nationale regeringen.
Typen instellingen:
• Intergouvernementeel: Europese Raad, Raad → vertegenwoordigen lidstaten.
• Supranationaal: Commissie, Hof van Justitie, ECB, Rekenkamer én het EP.
o Het EP is supranationaal omdat leden burgers vertegenwoordigen op basis
van ideologie, niet nationaliteit.
3. Verdeling van bevoegdheden
Uitvoerende taken
Deze zijn verdeeld over vier instellingen:
• Europese Raad: geeft politieke richting en externe vertegenwoordiging.
• Raad: uitvoering van beleid, vooral binnen het GBVB.
• Commissie:
o initieert wetgeving
o voert beleid uit
o vertegenwoordigt de EU extern
• ECB: voert monetair beleid uit en houdt toezicht op grote banken.
Wetgevende taken
• Worden gedeeld door het Europees Parlement en de Raad.
• Dit lijkt op een bicameraal systeem:
o EP = vertegenwoordigt burgers
o Raad = vertegenwoordigt lidstaten
• Geen van beide heeft het recht van initiatief voor wetgeving (dat ligt bij de
Commissie).
4